Een blijde verrijzenis

            Je voelt je als een kip die van de leg is.
            Of dat denk je, dat weet je niet, wellicht heeft iemand weleens een studie gepubliceerd over het gevoelsleven van de kip in de Lage Landen, maar die heb jij niet gelezen. Je hebt wel wat beters te doen. Ja toch?
            Het gaat gewoon nu even niet.
            Zegt dokter Google: Writer’s block is een tijdelijk, niet-medisch onvermogen om nieuw creatief werk te produceren, vaak gekenmerkt door een gevoel van vastlopen, gebrek aan inspiratie of geplaagd worden door perfectionisme.         
            Tijdelijk, dat troost. Gewoon even geen goesting, zoals bij een kater. Goesting komt net als treurnis altijd terug.

            Wanneer je in het midden van de nacht naar het plafond ligt te staren, kan je beter wat gaan doen. De strijkmand leegmaken, de vaatwas uitladen, het toilet herschilderen. Dat is overdag niet anders.
            Dus je laat in de keuken een handvol rozijnen wellen in witte rum.
            Waar ben je mee bezig, vraag je jezelf intussen af.
            Wat heeft het allemaal voor zin?
            Wat is jouw bijdrage aan een betere wereld?
            Je durft het antwoord niet luidop te zeggen. Een voetballer die met voetballen stopt, dat beroert de gedachten. Een wielrenner die een koers gaat fietsen, wereldnieuws. Een minister die zesduizend kilometer verderop haar C4 krijgt toegestopt, dat is belangrijk.  Wat jij doet, hoe jij denkt, hoe je het formuleert, doet er niet toe.

            Je scheurt oudbakken brood aan flarden, meer drift in je gebaren dan je bedoelt. Natuurlijk, heel veel mensen doen onopvallende dingen, dat weet jij ook. In de eerste plaats misschien wel voor de centen, toch dragen ze tegelijk aan de maatschappij een steentje bij. De vuilnisman houdt toch ook de straat proper, de buschauffeur brengt de reiziger naar zijn bestemming, de winkeljuffrouw wikkelt een feestelijk papiertje om een pakje dat straks een kind met twinkeloogjes weer los zal maken.
            En jij?

            Wat doe jij?
            Jij klutst drie eieren over een kom oud brood, giet er een gulp hete melk overheen, bepoedert het zootje met kaneel, mengelt er nog wat peperkoek onder en witte chocola. Je vergeet zelfs bijna je rozijnen nog. Die rum ga je niet drinken, je vindt jezelf te oud geworden voor dronken zelfbeklag in het midden van de dag. Roeren, husselen, mengelen, mêleren, aan woorden zal het niet mankeren. Een vinger door de dikke brij. Hmm. Wie hiervan proeven gaat, zal blij zijn.
            Iemand gaat toch proeven straks?

            Geduld is het geheim van elke kok.
            Je schuift het baksel in de oven, rijzen moet het zelf doen, zoals een kind ook zelf moet groeien. Het enige wat jou nog rest, is wachten. De tijd verdrijven, terwijl je toch met zekerheid weet, van alle dingen in het leven is alleen de tijd strikt afgemeten. Elke minuut die je verliest, is voor altijd weg.
            Het witte blad blijft naar je staren, troosteloos en leeg.
            Ik moet, denk je.
            Moet just niks. Je moet denken aan dat verhaaltje over de verliefde Fred Flintstone in dat Grote Boek van je dat maar niet geschreven raakt, she loves me, she loves me not. Je lacht. Dat moet voorwaar die geur van pudding zijn die je bureau komt ingewaaid. Mooi, het leven is mooi, schrijf je. Prachtig toch dat uit verloren brood nog wat lekkers komen kan? Gisteren nog zonder waarde, deze avond op je bord!
            Niet alleen de blik in haar ogen, ook dit is kunst.

            Gods wegen en de kronkels in een mensenhoofd zijn ondoorgrondelijk.
            Vanwaar hij komt, geen idee, maar plots begint mijnheer Den Uil te zingen in je hoofd, dezelfde stem als zestig jaar geleden: ‘Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen, en dezelfde mensenstreken, dat komt allemaal in de krant, van Fabeltjesland.’
            Dat wel, denk je, ik niet. Ik haal nooit de krant.
            Et alors, denk je er meteen bij, alsof je de zoveelste president van Frankrijk bent. Je pen gaat reizen over het blad. Omdat je toch niets anders weet, schrijf je het ganse Fabeltjeskrantlied in je ruitjesschrift, Hallo mijnheer de Uil, waar brengt u ons naartoe? Je pen glijdt vanzelf heen en weer, gedachten stromen als een vrije rivier vanuit je hoofd – of je hart – naar je blad, just niks hoef je ervoor te doen. Het komt zoals het komt.

            Wat later leun je achterover, overlees je nog een keer je laatste zin: ‘Als dieren liedjes kunnen maken en kunnen praten met een Hilversums accent, als oudbakken brood als nieuwe pudding uit een oven komen kan, als Jezus kan verrijzen uit het graf, dan kan jij het ook.’
            Dat is jouw zin.
            Spontaan wens je jezelf en alle mensen van goede wil een Zalig Pasen.