Over mijn lijk

          De enige manier om alsnog een universitaire loopbaan uit te bouwen, is mijn lichaam schenken aan de wetenschap. Na mijn overlijden weliswaar, zolang ik leef mag ik er gewoon mijn zin mee blijven doen.

          ‘Iets bereiken aan een prestigieuze hogeschool was altijd al een droom,’ legde ik mijn kinderen uit. ‘Maar jullie weten hoe het gaat. Tussen droom en daad staan vaders in de weg en geldelijke ongemakken.’ Daar wisten zij allebei alles van.
          ‘Maar heeft het ook enig nut?’ vroegen ze door. Je kinderen opvoeden tot weerbare en kritische burgers, op een dag keert dat als een boemerang terug in je gezicht.
          ‘Ik heb het opgezocht,’ antwoordde ik, ‘studenten Geneeskunde kunnen dan op je oefenen.’
          ‘Bweikes,’ zei mijn dochter. Meteen haar officiële standpunt waarvan ze geen duimbreed meer zou wijken.
          ‘Cool,’ vond mijn zoon, net als zijn vader een man van weinig woorden.
    Toen bleek dat het afstaan van mijn stoffelijke resten kosten noch overlast met zich mee zou brengen, verloren ze hun interesse. Jouw lichaam, jouw keuze, vonden ze allebei. En ze gingen vrolijk verder met dingen doen waar een vader niks mee te maken heeft en overigens toch niet begrijpt.

          Terstond stuurde ik de nodige documenten door. Denken aan het einde van mijn leven bleek toch ingrijpender dan verwacht. Die avond lag ik nog lang wakker.
          Wat zouden die studenten uit mijn overschot nog kunnen leren?
          Kunnen ze tegenwoordig in longen lezen dat je op je zevende je eerste nicotine inhaleerde? Verklapt je lever dat je op de dag van je eerste communie ook je eerste witte wijntje dronk? Brood en wijn gingen toen nog hand in hand. Kaas kwam daar pas bij na het tweede Vaticaans Concilie toen de kerk de teugels ietwat losser liet. Ziet men aan de littekens op je hart hoe vaak het werd gebroken? Ze kunnen toch niet aan je levenloos orgaantje zien hoe vaak …?
          Ik moet zijn ingedommeld.
          Plots zit ik in een soort circus, met een ronde scène in het midden en tientallen rode zeteltjes eromheen. Schemerlicht. Witte lelies links en rechts. De geur van wierook en mirre. Enigszins sinister maar toch ook gezellig. En in het midden van de cirkel onder een gele sport een sectietafel met daarop onder een wit laken het lichaam dat een leven lang het mijne was geweest.
          Het publiek bestaat uit jonge mensen. Studenten zijn het, eerstejaars. Ze weten nog niet goed wat te verwachten. Aarzelend, afwachtend, ieder in zichzelf gekeerd. Ik ben hun eerste dode, het lijk dat ze hun leven lang zullen herinneren. De spanning is te snijden. Een zenuwpees probeert een flauwe grap maar die valt dood op koude steen.

          Komt een prof het circus in.
          Het zou een mopje kunnen zijn maar dat is het niet. Met forse tred stapt hij op het laken toe. Alle ogen zijn op hem gericht, daar geniet hij van, elk academiejaar opnieuw. Dit is zijn moment, hij is de kern van de dingen, jou is hij nog voor het aperitief vanavond alweer vergeten.
          Hij fantaseert over wat er dadelijk te gebeuren staat. Wellicht valt zoals elk jaar ergens op de tweede rij wel weer iemand flauw. De verkeerde studiekeuze, je ziet het altijd weer gebeuren. Iemand wil per se leren koken maar heeft een peperallergie. Iemand gaat voor tandarts maar kan niet tegen slechte adem. Iemand wil snookerspeler worden maar is kleurenblind. En in zijn eerste les vivisectie valt er dus altijd minstens eentje om.

          Met één forse ruk aan het witte laken legt hij mijn lichaam bloot. Hier en daar wat sporen van vergankelijkheid maar al bij al nog goed geconserveerd. Monden vallen open. Hier een gilletje, daar een kreet. Kreunen, zuchten en onrustig geschuifel.
          De professor, stokstijf van ervaring, geeft geen krimp. Hij heeft alles eerder al weleens gezien.
          ‘Heren. Dames,’ galmt zijn stem door de ademloze ruimte, ‘uw eerste indruk? Wat gaat er door u heen bij het zien van deze mens in al zijn naakte glorie?’ Niets dan stilte is het antwoord. De jongens geloven hun ogen niet. De meisjes, doorgaans nochtans niet gauw verlegen om een woord, buigen bedeesd het hoofd. Neergeslagen ogen, een beetje verlegen gegniffel links, zacht geroezemoes rechts.
          ‘Kom op,’ moedigt de professor aan, ‘we hebben niet de hele dag.’
          ‘Hij wel, probeert opnieuw de flauwe grappenmaker. Ook deze grap sterft meteen een stille dood.
          ‘Professor, durft ten langen leste een stroblond meisje al doet haar haarkleur er niet toe. Een uitstekende studente is zij, gemotiveerd en slim. De professor weet al van de eerste les dat zij een Grote Onderscheiding wordt. Uitdagend kijkt hij haar in de ogen. Zij aarzelt, stelt dan de vraag waar iedereen in het circus graag het antwoord op wil weten:
          ‘Professor, waarom lijkt deze mijnheer zo blij?’

Help de man

          Het zijn harde tijden voor een man.
          Toch voor een man als ik. Er is niet alleen die stomme manosfeer, er is ook die plotse omslag naar het warme weer.

          Toen ik kind was, waren mannen zwijgers. Granieten blokken. Noeste werkers, harde bast, steevast in zichzelf verzonken. Een man deed waar hij zin in had, was vrouw noch kind uitleg verschuldigd.
          Wij, de boomers van vandaag, waren anders. Onze idolen waren Marc Bolan, David Bowie, Lou Reed. Androgyne wezens. Half man, half vrouw, zo leek het wel. Zwaar onder de make-up, gestifte lippen, soms in een jurk optredend, soms in een pak.
          Nieuwe mannen werden wij. Mannen met een zachte kant. Mannen met gevoelens. Wij durfden huilen in het openbaar. Mij was dat op het lijf geschreven. Naar verluidt had ik de baarmoeder nog maar half verlaten en krijste ik de vroedvrouw al de kamer uit. Gillend, schreeuwend, als een waterval kwam ik in dit tranendal. ‘Alsof je negen maanden lang naar je Grote Bleirmoment had toegeleefd,’ vatte mijn vader het later samen.

          Mijn vader noemde ons de softe generatie.
          Hij kon maar niet begrijpen waarom en hoe wij liggend tussen een hoop kussens op de grond, in een wolk van rode Libanon en patchoeli, gegidst door een baardig figuur in Indisch gewaad, onze diepste ikken deelden met elkaar. Ook dat beviel mij overigens wonderwel. Bomen over wat mij bezighoudt, ik geef het op een briefje, geef mij een Duvel of twee, drie en als een stripper op een verjaardagsfeest kleedt mijn ziel zich voor je uit. Ongeremd en zonder schaamte, naakt tot op het vel. Hoe meer Duvel, hoe meer bloot, dat is mijn devies.

          Wij ontwikkelden onze vrouwelijke kant.
          Die heeft elke man, wat de manosfeer daar ook over zegt. Zo heeft ook elke vrouw wel wat mannelijks in zich. Waarom peilt men in zo’n enquête niet of een vrouw haar man mag slaan? Of gebeurt dat nooit? Daar hoor je de filosoof niet over.  
          Verwijfd, noemde mijn vader ons. Mannen van de verkeerde kant. Wij brushten onze haren die we tot op de schouders lieten groeien. We trokken op zaterdag weleens een potloodlijntje rond de ogen. Er werd weleens een sieraad omgehangen, links of rechts een oorbel ingeschoten. We liepen op schoenen met hoge hakken. Net meisjes, vond mijn vader.
          We stapten niet langer zomaar meer in broek en trui. We lieten de vrouwen in onze levens onze kleren kiezen. Eerst volgden we nog braaf het belegen vestimentair advies van onze moeders, later leerden we luisteren naar het lief van de dag, de week, de maand. Elk nieuw lief wist welk shirt het beste paste bij je blauwe ogen, welk hemd het mooist samenviel met je nieuwe schoenen. Vreemd genoeg kwamen ze allemaal bij een andere outfit uit. Daarover leerden wij te zwijgen. Het ging er per slot aan het einde van de avond niet om welke kleren je had aangetrokken maar om welke je had uitgedaan.

          Steeds meer gingen wij, nieuwe mannen, ons als vrouw gedragen. Wij hadden maandelijks onze dipjes, riepen voortdurend o my god, raakten steeds weer onze sleutels kwijt en gingen alsmaar vaker voor de spiegel staan. We knepen puistjes uit, maskeerden pukkels weg, deden rare dingen met ons haar. Schat, durfden wij weleens te vragen, vind jij mijn gat niet te dik in deze short?

          Natuurlijk stelden we ook grenzen aan die vrouwelijkheid. Een deel van ons blijft altijd man. Bij mij zie je het aan mijn kruin. Ik zou een monnik kunnen zijn. Maar zie je mij al lopen in een kleed? Ik dacht het niet.
          Dus ik heb me ook niet voorbereid op dit warme weer. Ik kocht geen tienbeurtenkaart voor de zonnebank. Liet ook mijn zwembroeklijn niet waxen. Schoor het haar niet van mijn benen.
          Hier sta ik dan, voor mijn kast met kleren. Schabben vol en niets om aan te doen. Vroeger had ik nog gezegd: een T-shirt, een short, sandalen, papa gaat op stap. Dat kan natuurlijk vandaag niet meer. Mijn kuiten zijn nog winters wit, hebben nog geen spatje zon gezien. Twee preistengels onder een afgeritste parabroek, dat is toch geen gezicht? Sandalen, draagt iemand dat nog? Witte sokken, mogen die nu weer wel of nog altijd niet? Ik weet het niet. Ik zou van wanhoop kunnen huilen.
          Dat ze daar maar eens een programma over maken op de televisie, over hoe je je als man moet kleden in de zomer. Daar zouden we heel wat beter mee geholpen zijn.

Die Deutsche Bahn

          Zo werd het ons met de kinderpap ingelepeld: Hollanders waren gierig, Fransen nonchalant, Engelsen dronken te veel en Duitsers waren in alles altijd ordelijk en stipt. Wij, Vlamingen, waren een gezellig volkje, Uilenspiegels, ietwat tegendraads, maar open en gastvrij.  

          Vanzelfsprekend stuurt het leven die stereotypen een beetje bij. Wij zijn minder fraai dan we onszelf graag in de etalage zetten en de anderen zijn ook maar gewone mensen met hun hebbelijkheden en gebreken.
          Maar toch.
          De Franse slag, er is iets van aan. En de Nederlander geeft nog altijd blijk van een diep doordrongen koopmansgeest. Dat merkte ik onlangs nog.
          Ik maakte een reisje in select gezelschap: twee Brusselaars waarvan een perfect vijftalig, twee Antwerpenaars waarvan een redelijk bescheiden, iemand uit Brabant en een man uit Nederland. In de shop van het Museum voor Design in Ülm kon je allerhande gadgets kopen, waaronder ook een brillendoos. Klapte je die open, dan zag je een motief in rood en zwart. Klapte je nog een keer door, dan kreeg je blauw en geel. Een waar wonder, ik snapte niet hoe het kon. Iedereen dook meteen in de portefeuille. Ik niet. Mijn nachtkast puilt uit van brillendozen die ik nooit gebruik en dingen kopen die ik niet begrijp kan mijn arme hoofd niet aan. Die elf euro vijftig hield ik in mijn binnenzak. Grote consternatie die avond bij het diner. Tussen de schnitzels en de pullen bier ging het van paste jouw bril in het doosje over neen bij mij ook niet tot zelfs mijn leesbril kreeg ik er niet in.
          ‘Lukte het bij jou?’ vroeg mij de Nederlander, die Edwin bleek te heten. Nederlanders heten heus niet allemaal Joop of Kees of Klaas zoals wij in onze korte broekenjaren graag beweerden.
          ‘Ik heb er geen gekocht,’ stamelde ik, ietwat verlegen omdat ik zoals die zuinige vader uit het lied van Driekoningen mijn geld op een rooster had geteld.
          ‘Nou,’ zei toen die Edwin, ‘je kan altijd nog het mijne overkopen. Achttien euro en dit wonderdoosje is van jou.’ Wellicht was hem als kind de fabel van de domme Belg ingelepeld.

          Wat helemaal niet klopt, is het verhaal over de Deutsche Gründlichkeit. Die Deutsche Bahn, jongens, jongens, wat een zootje is me dat! Geloof het of geloof het niet, onze eigen NMBS is een toonbeeld van stiptheid en organisatie vergeleken bij de puinhoop die men er ginds van heeft gemaakt.
          Daar stonden we dan, vorige zondag, ruim op tijd in Ülm in de zon op het perron. Ticket naar Brussel vooraf geregeld en betaald, voor die ene overstap in Frankfurt hadden we vijfentwintig minuten. Zelfs voor een man op jaren tijd genoeg om van spoor 6 tot bij spoor 7 te geraken. Ik verheugde me op enkele uren van lekker lezen, soezen en dommelen op het ritme van de wielekes en het akke akke tuut tuut weg zijn wij.

          Tot het digitale bord op het perron liet weten dat onze Zug een half uurtje later zou arriveren. Dat wilde dus zeggen, vijf minuten te laat voor onze overstap. Eerst hield ik er de moed nog in. Die tweede trein had vast en zeker ook vertraging, zo gaat dat bij ons toch ook? Toch speelden we liever zeker. De stationschef schreef een nieuwe route voor ons uit: met onze trein tot Mainheim, daar een overstapje en we zaten weer op het juiste spoor.
          Edoch, die verdammte Deutsche Bahn alweer. Ook onze alternatieve trein was niet op tijd. Werken aan het treinstel zei een holle stem. Dat klonk net zo geloofwaardig als die jongen die altijd te laat op school komt omdat de ketting van zijn fiets er voortdurend afloopt.
          Ik toverde mijn beste aus bei gegenüber mit nach seit von zu tevoorschijn en ook op deze trein bood een vriendelijke begeleidster hulp. Met een klein handtoestel drukte ze plan C af op een papiertje ter grootte van een kasticket. Van Mannheim naar Keulen, van Keulen naar Brussel, van Brussel naar huis. Is niet reizen ook altijd een beetje avontuur?

          Lang avontuur kort.
          Mannheim – Keulen: check. Keulen – Brussel: check!
          Zo leek het even. Tot een nogal pünktliche treindienaar naar ons Eurostarticket informeerde. Dat hadden we dus niet. Van het kleine kasticket wilde hij niet weten. Integendeel, hij werd warempel een beetje boos. Misschien werkt hij niet graag op zondag. Bars stelde hij ons voor de keuze: per kop 80 euro bijbetalen of de eerstvolgende stop eruit.
          Toen dacht ik aan wat mijn dochter mij heeft geleerd. Discussiëren helpt niet, beweert zij altijd, je moet medelijden wekken. Ik ben beginnen huilen als een baby. De tranen biggelden me over de wangen. De hals van mijn T-shirt raakte in een mum doorweekt. Mensen keken op, bestookten de treinbeambte met boze blikken, helemaal toen ik door de knieën ging en liggend op de grond om mijn overleden moeder begon te roepen.
          De conducteur werd prompt een ander man. Een oude man zien huilen kon hij duidelijk niet. Goedmoedig hielp hij me recht.
          ‘Het is goed, jongen,’ klopte hij me op de schouder. Zonder verder poespas mochten we tot Brussel mee. Daar kwam ik net op tijd om de trein naar Antwerpen voor mijn neus te zien vertrekken.

Timmy

          ‘Waarom heet hij Timmy?’ vroeg het meisje op het bankje tegenover me in het plantsoen voor het Centraal Station. Onmogelijk niet te kijken en het gesprek te horen. De vrouw met de zonnebril legde een bont jasje op haar schoot en haalde haar ontblote schouders op.
          ‘Tja, waarom? Dat is gewoon zijn naam.’
          ‘Ik vind het een stomme naam,’ pareerde het meisje kordaat, ‘en helemaal voor een vis.’ In een flits vroeg ik me af wat de Timmy’s die ik ken daarover dachten.
          ‘Hier,’ zei de vrouw. Uit haar handtas toverde ze twee spekken tevoorschijn, wit met roze, precies de kleuren van het jurkje en de schoenen van het meisje. Minstens een halve eeuw geleden dat ik dit snoepje nog had gezien. Het meisje propte de lekkernij zonder veel omhaal helemaal in haar mond. Verwoed kauwend vroeg ze:
          ‘Hebben zijn mama en zijn papa hem dan zo genoemd?’ 
          ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde de vrouw. De klok op het stationsgebouw wees nog niet eens naar de tien, toch klonk ze al enigszins vermoeid. Ze stak haar neus in de lucht en leunde achterover, zoals alle vrouwen overal ter wereld wilde ze geen straaltje van de eerste voorjaarszon verloren laten gaan.
          ‘Ik denk van niet, oma,’ ging het meisje onvermoeibaar door zoals meisjes dat nu eenmaal kunnen. De oma haalde diep adem. Het was de eerste dag van een lang weekend. Ideaal voor de mama en de papa om even weg te vluchten uit de maatschappij. Quality time doorbrengen met elkaar, detoxen noemde haar dochter dat. Meteen ook kans voor oma om haar kleinkind mee te tronen naar de grote wilde dieren in de Zoo, zoals zij het zelf een halve eeuw geleden met haar eigen oma ook nog had gedaan.
          ‘Mocht ik een walvis zijn, ik zou hem Zwemmer hebben genoemd, of Vinnetje. Of Fonteintje.’ Ach, hoe rijk toch de verbeelding van een kind. Ik legde de schoolmeester in me meteen het zwijgen op. Die rol was uitgespeeld. Met de hedendaagse technologie kostte het de oma, of nog eerder misschien het meisje, niet meer dan vijf minuten om te achterhalen dat die walvis die nu al dagenlang voorrang kreeg op alle wereldbranden, zijn naam ontleende aan de plek waar hij voor het eerst was gezien: het Timmendorfer Strand aan de Duitse Oostzeekust.
          ‘Ik zou het echt niet weten, kind’, zuchtte de oma. ‘Zullen we het seffens in de Zoo een keer vragen?’  

          Ik beeldde me in hoe achter de donkere glazen van haar bril de ogen van de oma langzaam dichtvielen. Een seconde soezen, een powernapje zou haar dochter zeggen. Op haar leeftijd altijd een welgekomen luxe. Ik wist, er stond haar nog een lange dag te wachten, een dag van duizend vragen en nog meer geduld. Vandaag en morgen en de dagen die daarop volgen. Ontgiften, had haar dochter uitgelegd, doe je het best in een spa in de Ardennen en duurt bij voorkeur een lang weekend lang. Losgekoppeld van de wereld, vrij van internet en telefoon.
          ‘Toen ik zo oud was als jij nu,’ begon de oma een verhaal, ‘kende ik ook een heel beroemde vis. Enfin, een dolfijn, strikt genomen niet echt een vis. Dat doet er nu even niet zo toe. Die was heel bijzonder. Elke week opnieuw redde hij iemand het leven.’
          ‘En jij hebt die echt gekend, oma?’ De bewondering in de stem van het kind was ontroerend.
          ‘Nu ja, van op de televisie,’ gaf oma lacherig toe. ‘Kom, we gaan.’ Beringde vingers sloten zich om de kleine kinderhand.

          Ik keek ze nog een tijdje na, de oma en het kind.
          Ook ik herinnerde me Flipper nog. En ook nog Ed, het sprekende paard. En Lassie, de hond die duizendmaal beter naar zijn baasje luisterde dan het mormel bij ons thuis dat mijn vader van de straat had opgepikt. De dieren bij ons thuis kregen toen ook allemaal een naam. De schildpadden Knolleke en Jeroom, de kanarievogels Pietje 1, Pietje 2 en Pietje 3. De hamsters Leo en Gaston. Zelfs de drie goudvissen. We hadden ze gewonnen op de kermis. Ze leken zo erg op elkaar dat we ze niet uit elkaar konden houden. Toch gaf ik ze een naam. Elke dag stond ik ernaar te kijken. De vis die het eerst naar me kwam toe gezwommen, noemde ik natuurlijk Flipper. Wie van de andere twee het snelst een andere richting uitschoot, noemde ik Mark Spitz, naar de beste zwemmer van de wereld.
          De derde noemde ik gewoon Vis. Niet meer, niet minder. Zoals miljarden andere vissen overal ter wereld zwom hij braaf zijn rondjes, zonder precies te weten waarom en waar naartoe. In hem herkende ik nog het meest mezelf.

Een Hip Hipje

          Deze week was ik jarig. Op precies dezelfde dag als altijd. Er zijn nog zekerheden in het leven: de dag waarop je bent geboren en de stelligheid van de dood. Al de rest verandert.
          In de dagen toen ik werd geboren, liepen de buren nog langs de achterdeur je keuken in, verlegen om wat boter of een ei. We speelden buiten tot we in het donker geen bal meer voor onze ogen zagen, moeders wil was wet en voor je verjaardag mocht je snoepjes mee naar school. Hilversum 3, pretparken en fastfoodrestaurants bestonden toen nog niet.

          Het is zestig jaar geleden, maar ik herinner me nog goed. Je verjaardag was een hoogdag in je leven. Hij bracht je dichter bij je grootste doel: een Grote Mens worden. Kinderen mochten niets, Grote Mensen alles. Met een brommer rijden. Roken. Bier drinken op een stoeltje tegen de voorgevel. Naar films gaan kijken waar Kinderen Niet Toegelaten waren.
          Dertig colalolly’s nam ik mee, één voor elk kindje in de klas en eentje voor de meester. Lekstok noemden wij dat toen, een term die je vandaag alleen nog tegenkomt in de Limburgse variant van Only Fans. De meester kreeg er nog sigaretten bovenop. Tigra, met een verleidelijke vrouw in tijgerprint op het pakje. Geen idee wat die daar lag te doen. Op het pakje van mijn vader stond zelfs een engel afgebeeld, de punt van zijn speer in de buik van een spartelende duivel aan zijn voeten. Ook een manier om aan te geven dat roken de gezondheid schaadt. Veel heeft dat overigens niet geholpen. Mijn vader bleef doorgaan met roken tot hij uiteindelijk aan longkanker overleed.
          Dertien jaar ouder was hij toen dan ik vandaag.

          Op weg naar school zette ik mijn fietsje aan de kant. Beter een keer te veel nageteld dan een lolly te weinig. Natuurlijk scheurde het papier. Natuurlijk vlogen mijn lolly’s alle kanten op. Natuurlijk kwamen toen toevallig twee soort van Hells Angels op zware motoren aangeraasd. Natuurlijk sloeg de angst mij om het hart. Natuurlijk hebben Hells Angels nul en generlei interesse in colalolly’s. Angst zat ook toen al het meest tussen je twee oren.
          In de klas hield je de lippen stijf op elkaar. Je had er wekenlang over lopen rondbazuinen, in je hoofd kenden vandaag alleen jij en de meester je geheim. Dan het grote geluksmoment! Enkele minuten voor de ochtendspeeltijd liet de meester de rekenschriften opbergen en mocht jij met je gescheurde zakje je rondgang maken door de klas.
          Soms duurt vriendschap een lekstok lang.  

          Thuis, met al die andere kinderen die ook elk jaar opnieuw weer jarig waren, stelde jouw geboortedag niet zo geweldig veel voor. Geen versiering aan je stoel, geen slingers aan het plafond, geen kroon op je hoofd. Bij het ontbijt wenste je moeder je gelukkige verjaardag. Je vader was er niet, misschien belde hij die avond wel. Twee cadeautjes bij je bord, oef, ze is het niet vergeten. Eentje voor de pret, eentje voor de nuttigheid. Een Jokari om in je eentje te leren tennissen en hoewel de lente pas begonnen was een mooie gebreide trui voor volgende winter. Het geld groeide mijn ouders niet op de rug, zo hielden ze ons dagelijks voor. Niemand van ons had ooit anders beweerd.
          De jarige mocht kiezen wat die avond de pot zou schaften. Die gunst was aan beperkingen gebonden. De warme maaltijd bestond uit aardappelen, groente, vlees. Op jouw dag mocht jij de groente kiezen. Mijn moeder maakte de heerlijkste savooi van de hele wereld. En bakte de lekkerste worst.

          Uitbundig heb ik niet gevierd, afgelopen week.
          Die ochtend in bed heb ik mijn zegeningen geteld. Gedacht aan de mensen om me heen. De knoken kraken soms een beetje, af en toe vergeet ik weleens een woord, vaak moet je twee keer vragen wat iemand heeft gezegd maar al bij al lukt het nog aardig. Een grote troost bij deze oude dag: u was ruimhartig in uw wensen, tot aan de middag heb ik hartjes geplaatst.
          Bij het ondergaan van de zon heb ik me een wijntje ingeschonken. Met weemoed komt berusting. De Grote Mens die ik geworden ben, wordt stilaan weer kleiner. Elke verjaardag brengt het einde dichterbij. Het beste zit er niet langer nog aan te komen, wellicht is het al geweest. Veel kans dat ik het niet eens hebt gemerkt.
          Zeker weten doe je dat nooit. Er is nog een deel te gaan. Bij leven en welzijn en wat geluk staat u en mij nog heel wat moois te wachten.