Je suis Dylan (C-kronieken 7)

Voor me in de rij staat een vrouw zonder winkelwagentje. Ze draagt een gebloemd mondmasker over de zonnebril op haar voorhoofd. Haar geblondeerde haren zal het virus alvast niet besmetten.
“Jij hebt geen karretje nodig zeker?” roept een doorrookte vrouwenstem haar toe.
“O, ben jij het? Ik dacht al, de stem van die moeial herken ik. Straks, dan weet ik dat ik een proper heb.”
Ik sta ingesloten. De moeial draagt haar masker, aardbeien, onder de kin. Het beleid van gezond verstand, leidmotief  voor deze regio, staat nog niet helemaal op punt.
Een triest ogende vrouw, ik vermoed uit de Balkan, reinigt met ontsmettingsgel en poetsdoek de handgrepen en muntsloten van de onophoudelijke stroom winkelwagentjes. Met een haal en een veeg verslaat ze bacteriën, ziektekiemen en hardnekkige virussen, ter preventie en gezondheid van de klant. Het is warm, zweetstraaltjes lopen van onder haar hoofddoek in haar mondmasker. Anders dan de andere medewerkers van het warenhuis draagt zij geen labeltje met haar naam op, geen schort van de zaak.
Naamloos is ze, haast onzichtbaar.

“Die kleine gezien gisteren?” vraagt de rokersstem.
Die kleine heet Dylan. Kinderarmoede bestaat, het heeft een naam en een gezicht gekregen. Zeg niet langer achterstand, ontbering of kwetsbaar, zeg Dylan. Thuis mocht niet worden gefilmd, Dylan en de zijnen weten waarom. Hij woont er samen met ouders, twee broers en zus en een handvol huisdieren. Dertien is hij, te jong om te verdoezelen, oud genoeg om te beseffen. Er is te weinig van alles: geld, ruimte, eten.
“Ik wens,” droomde Dylan, “voor ons gezin een beetje meer geld om eten te kopen.” Vlaanderen wrikte verbijsterd het hoofd uit eigen navel.

“Meer geld zou ik ook wel willen,” gaat de vrouw verder. Haar ongezouten en ongevraagde opinie zoeft als een gifpijl langs mijn hoofd.
“Dat ze eerst al eens die katten en honden wegdoen, hoeveel kosten die beesten niet?” vraagt de geblondeerde zich af.
“De papa zat zonder werk, dus ja,” kaatst de ander terug, “sommige mensen denken dat ze alles zomaar cadeau krijgen.”
“Het is toch waar, hé mijnheer?” richt de valse blonde zich plots tot mij. Het is mijn gezicht, ik trek die dingen aan, mijn hele leven al.
Welk recht hebben wij om te oordelen, wil ik zeggen, maar ik doe het niet. Ik trek mijn trendy Hugo Bosspetje tot op mijn zonnebril, en mijn mondmasker – stof, homemade, opdruk TOUS ENSEMBLE – tot over mijn neus. Betreed ik op deze wijze een bankfiliaal, zwaailichten zouden flikkeren, sirenes loeien, antiterreureenheden met rubberen wapenstok roffelen op schilden, scherpschutters het vizier richten. Braking News: ‘Lady’s and Gentleman, we got him.’

Mijn geest dwaalt langs Memorielaan, gluurt binnen in het ouderlijk huis. Ik zie weer de slaapkamer voor vier, de afgedragen kleren, gekookte aardappels in uiensaus, het speelgoedtreintje bij een  vriendje thuis, het gat in de schoen. In dit huis geen cola, ijs of chips.
Schaamte, dat dan weer wel. Er zijn wonden die niet helen. Littekens barsten soms, nu, weer open. In mijn mond nog altijd de bittere smaak van de blikken van misprijzen en vernedering die je moest slikken.
Ik legde een bruggetje naar verhitte discussies op mijn werk later. Over het verplichte middagverblijf op school dat wél door ouders moest worden betaald. “Vijfentwintig euro elke maand doet er in veel gezinnen écht wel toe,” argumenteerde ik. Onbegrip, hoongelach, een gekarteld mes door de ziel.
“Een gsm kunnen ze dan wel betalen!” Wie arm is mag geen telefoon, televisie, huisdier. Wie niets heeft, mag weinig en moet veel.

Stilaan ontsteekt een storm in mijn hoofd.
“We maken allemaal wel eens iets mee. Dan is het herpakken en doorgaan. Als je in armoede sukkelt, heb je dat enkel maar jezelf te verwijten,” onderbreekt de rokersstem mijn mijmering.
“En dan maar jaloers zijn op de mensen met een tweede verblijf,” reageert de ander snel. Hier had ze al over nagedacht, “alsof dat er iets mee te maken heeft.”
Natuurlijk wel, denk ik, er is hoegenaamd een verband tussen hebben en niet-hebben. Zoals tussen yin en yang, dag en nacht, licht en donker, zee en strand. Er is een grote koek en niet iedereen heeft recht op evenveel daarvan, blijkbaar.
Ik sluit mijn oren, blokkeer alle ruis, kijk naar de nog immer poetsende mevrouw. Kan je hiervan leven, vraag ik me af? Word je nooit moe? Wat schaft de pot vanavond? Heb je een naam?
Sjofele kleren, platgetrapte schoenen, ben jij ook een Dylan?

“Germaine, je mag binnen,” hoor ik de aardbeienvrouw zeggen.
De vrouw voor me wijst uit de lange rij het vierde karretje aan. De schoonmaakster veegt nog een laatste keer over de handgreep. Dan stapt de valse blonde, tot de kruin vol van zichzelf, het warenhuis binnen.
Geen dank u mevrouw, geen knikje.
Deze Dylan heeft ze niet gezien.

5 gedachten over “Je suis Dylan (C-kronieken 7)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s