Blog

Kattebelletjes

God morgon Greta

Je krijgt een prijs. Twee Grote Denkers, aan deze en gene oever van de Schelde, verkiezen je tot vrouw van het jaar. Nu al. In december sier jij de cover van Time Magazine. Zeker weten.
Ben je daar blij mee? Je lacht niet. Toch geloof ik dat het je iets doet.
Wat voel jij, Greta? Hoe begint een kind, zestien lentes zo pril, met zoiets? “Elke week,” zei je, “spijbel ik een dag. Tot jullie iets doen.” En je zette je met je protestbordje neer voor het parlement in Stockholm. Je werd de vlinder die met een vleugelslag een storm ontstak over dit oude, vermoeide continent.
Je redevoert tussen de rijken en machtigen van deze wereld. Je zegt hen je waarheid. Je verpinkt niet, alsof je nooit iets anders hebt gedaan.
Bijna stond hier: je lijdt aan Asperger. Van dat lijden ik ben niet meer zo zeker. Je brengt me danig in de war. Je leeft meer in jezelf dan erbuiten. Je zegt: “Als ik niet zo raar was, zat ik zoals iedereen geketend aan dat sociale spel.” Op het beeld lijkt het dan of je even lacht.
“Ik kijk naar de wereld vanuit een ander perspectief. Had ik geen Asperger, ik zou niet van de buitenkant kunnen kijken. De klimaatkwestie is wel heel complex maar ook heel zwartwit. Een vijfjarige begrijpt: we stoppen de uitstoot. Of niet.”
Gelukkig schuilt er een autist in ieder van ons.

Med kärlek. Lycka till du.

———-

Hey Anuna

Proficiat! Je hebt je eigen naam. Je bent niet de naamgenoot van. Je bent Anuna. Wat goed is, komt snel. En je bent nog maar zeventien!
Hoe gaat het met je? Ik zag je op tv deze week. Bij de voorzitter van het Vlaams Parlement, Jan Peumans, die oude brombeer. Bij de Vlaamse Bouwmeester waarmee je plannen maakte. Donderdag leidde je weer een klimaatmars, voor de vierde keer al.
Je ziet er nog altijd goed uit. Rustig, fit, helder. Je luistert bedaard en praat gedecideerd. Als je kan, mag je van mij ook die attitude verspreiden.
Hoe gaat het op school? Je zegt aan de regering: “Mijn rapport is nog steeds beter dan het uwe.” Ik hoop het. Al getuigt dat niet van hoge ambitie. Plus est en vous!
Wie het hoofd uitsteekt boven het maaiveld, botst op bagger en gebral. Ik weet dat. Wat voel je bij die tsunami van haatcommentaren? Sta je daar nog boven? Hoe wapent een meisje van zeventien zich tegen brutaal en zinloos verbaal geweld?
Zag je die foto? Van die afvalberg na het carnaval in Hasselt? Met als bijschrift: “Brussel na de klimaatmars.” Dacht jij toen ook: hoe dom is dit? Zelfs fotoshoppen is een vak, oen!
Of vroeg je je, net als ik, verbijsterd af: wat bezielt iemand om zo een beeld te bricoleren?
En schrok je niet, Anuna, bij die Instagrampost: ‘Gelukkig heeft een tweeloop twee lopen.’ Bedoeld werd: een voor jou en een voor je zus.
Je zegt: “Ik probeer me daar niet te veel van aan te trekken.” Lukt dat?

Ik hoop het. Echt.

Chapeau! Veel sterkte!

———-

Dag Anna Maria, kleine meid

Je bent acht nu, hoor ik, en je ouders komen uit Armenië. Zij woonden al hier voor jij werd geboren. Ze kregen geen papieren. Je papa werkt, jij gaat naar school, je mama leert Nederlands. De juf vertelde op het oudercontact wat een leuk meisje je bent. De trots van mama en papa.
Nu woon je in Steenokkerzeel. Een gesloten instelling. Toen ik zo oud was als jij, noemden we opsluiten: ‘in den bak zetten.’
Gaat het een beetje, kind? Begrijp je waar je bent? En waarom? Ik ook niet.
De kindjes uit je klas ook niet. De juf krijgt het niet uitgelegd. De stoel waarop je zat is leeg.
Op de radio werd over je gepraat. Dat er regels zijn. Dat het jullie eigen schuld is. Dat jullie hier al lang niet meer mochten zijn. Dat je papa in het zwart werkt. Dat hij geen belastingen betaalt. Het is een beetje ingewikkeld. Hij heeft niet de goede papieren om belastingen te kunnen betalen. Dus ja.
Iemand zei: “Wij betalen dat allemaal wél keurig.” Dat is misschien een tikje overdreven. Als ze iedereen die in het zwart werkt zouden uitwijzen, er zou hier veel open ruimte zijn.
Ik weet niet hoe het verder gaat, kind. Laten we hopen dat je snel weer voort kan met je leven.
Later, als je groot bent, vraag je je misschien af: wil ik écht zo graag wonen in een land dat kinderen opsluit?

Goede vraag.

Veel liefs. We denken aan je.

Fatsers

‘Rebel Rebel’ steeg naar 1.
Zaterdagochtend, toen nog een schooldag. Mijn makker Victor en ik spijbelden. Fatsen in het jargon. Zijn ouders verkochten groenten op de markt, we hadden het kot voor ons.
Een stapel plaatjes op vijfenveertig toeren, een artistiek debat in een waas van sigarettenrook, een hitlijst van dertig naar één. Hij de techniek, ik het woord. Zes zaterdagen op rij was ik de beste dj van Vlaanderen. ‘Maggie May’ kondigde ik aan met boomschors in de keel, ‘Angie’ was ‘Aingé’, David Bowie noemde ik The Jean Genie.
De schoolprefect telefoneerde en de volgende zes woensdagnamiddagen vertoefden we in de absolute leegte van het strafstudielokaal. Zinlozer dan dat zou het leven niet meer worden. Niets goeds zou van ons komen. Galg en rad. Langharig, werkschuw tuig. Hippies!

Filip, mijn vriendje voor het leven, introduceerde enkele jaren later ‘Fatsen met een doel’. Er waren belangrijker zaken dan differentialen, balansen of lyriek. Toenmalig Minister van Landsverdediging Paul Van den Boeynants, Pol Pens, zou voor dertig miljard Belgische Franken gevechtsvliegtuigen aankopen. Daar zouden wij, pacifisten in groene parka of bruine duffelcoat, een stokje voor steken. Met pamfletten van RAL en AMADA als munitie kibbelden we met klasgenoten, die blinde schapen op weg naar levenslange, afstompende burgerlijkheid.
We trotseerden het ouderlijk gezag, in tijden zonder smartphone of camera een stuk eenvoudiger dan vandaag.  Wij gingen de wereld verbeteren, de honger bannen, weg met het materialisme, lang leve het welzijn van iedereen.

Vandaag marcheren jongeren in veelvouden van tienduizend door de vrieskou. Ze negeren lessen, riskeren achterstand en banbliksems.
“Het is genoeg,” zeggen zij. “Tot hier en niet verder. De vorige generatie heeft onze wereld verkloot, onze generatie moet dat oplossen en daarom zijn wij hier.” Onze jeugd is kwaad. Ze krijgt een planeet voorgeschoteld die naar de Filistijnen gaat. Als je vermoedt dat je ouders schulden nalaten, kan je de erfenis weigeren. Dat ligt hier moeilijk.

Ha, zeggen wij. Leggen ze dan hun smartphones aan de kant? Gaan ze te voet naar New York of nemen ze toch maar het vliegtuig? Staan hun oorverdovende brommertjes nu te roesten in de garages van hun ouders? Dragen ze thuis drie lagen thermisch ondergoed of brandt gewoon de verwarming? Hoe proper is de weide na het festival? Wat weten ze van kobalt? Klimaatspijbelaars zijn het, een makkelijk excuus misbruikend om een dag te brossen.
“Hun klacht is fake news, er is geen probleem,” orakelen patserig de Jean-Maries uit Middelkerke. “Ooit wandelden mensen van Oostende naar Dover. Zure regen was ook een hoax. Die jongeren zijn nuttige idioten, gegijzeld door de linkse klimaatlobby die ze angst inpompt.” Trumpiaanse arrogantie, het is een gave.

Victor en ik vonden plaatjes draaien gewoon leuk, niets meer. Later leerde The Who ons dat muziek méér kon zijn. We werden wakker:

People try to put us down (Talkin’ bout my generation)
Just because we get around (Talkin’ bout my generation)
Things they do look awful cold (Talkin’ bout my generation)
I hope I die before I get old (Talkin’ bout my generation
)

Where did we go wrong? Wanneer lieten wij onze idealen oplossen in het zuur van cynisme? Geen geschut is grof genoeg om de boodschapper te treffen. Kijk eens naar wat zij allemaal verkeerd doen! De boodschap verzuipt in het verwijt.
De opstandige jongere laat zich niet muilkorven. Hij gaat harder roepen, brengt meer volk op de been.
Laat ons luisteren. Terugkijken. Het hoofd buigen. Zwijgen.
Hoor de vraag: “Moeders, vaders, wat hebben jullie gedaan? Wat hebben jullie niet gedaan?”

Leave them kids alone!
Misschien, laat het ons even overwegen, reageren wij, rebellen van weleer, zo gecrispeerd omdat de waarheid kwetst. Misschien stéékt het dat onze kinderen verantwoording eisen. Misschien treft hun aanklacht over het falen van onze generatie, ons midscheeps in het hart. Of gaan we, geheel in overeenstemming met de tijdsgeest, ook deze verantwoordelijkheid uit de weg?

Mij ontmoet je niet op een jongerenmars voor het klimaat. Soms lijkt het anders, maar ik ben niet zo gek dat ik ga demonstreren tegen mezelf.
Morgen daarentegen vind je me wél in Brussel. Bij de klimaatmars voor grote mensen. We zien elkaar daar. Breng uw kleinkinderen mee. Het is ook hun planeet.
Als je mij zoekt, ik ben die kerel met dat houten bord voor de kop. Je herkent me aan deze, in foutloos en helder Nederlands geschreven zin:

Sorry kinderen, we hebben er een puinhoop van gemaakt. Het spijt me.

 

A is van ongs

Ja joenges!

Die hodde we ni zing oankoome, amai, da was een patat. Da was er ni neffe, da was er boenk oep.
Ge denkt, a is hier geire. Ge denkt, a ee terveur gekozen. A is verkozen, a weurt wer burgemiester. A is van tstad en tstad is van hem. A bleft, a mokt ongs gin bloskes waas. Mor neje, a is alwer bekanst weg.

Allé, tis te zeggen, a wilt ni echt, het is tege zen goesting, zeet hem. As hem zijn goesting had kunnen doeng, a zou zoe laank meugelek blaave zitte. Mor dat goa ni, der is van alles on daand in de partaa en joa, a is wel de veurzitter, a kan ni zoemor allien nor zen aagen zing hé. En naa ee them het aan zennen tutter natuurlek. ’t Is van den hongd.
Ja joenges, amai men spel, wat is dat allemoal.

Pertang, ongzen Bart, dat is ’t manneke hé, de slimste van de klas. A klapt jan en alleman ongder toafel. At em ont klappen is, moet iederien zwaage en leustere. Dan moete die smoelekes is zing. Dan ston die der allemaal zoe te gapen met hunne mongd vol taanden. Ginne niene wet dan nog wa zegge. Het is precies of a sprekt lataain. Heddem, lataain? Dat sprekt hem nogal geire hé, niemand verstoat em dan, haha.

Bedrog? Och joenge, ik gon em gin klieke passen zenne. As gaa oep een aander mier kunt verdiene, doetet dan ni misschien? Awel dan. Wette wat dat is? Ik denk dat da nogal een verschil is zenne, een preeke van burgemeester of de pree van ne mi-nis-ter pre-si-dengt. Ik weet da natuurlek ni just mor ik denk wel dat dat een paar eurokes zal schille, denkte ni? Voilà, tis da dak wil zegge.
Tis misschien ni helemoal just, mor veur na te klappe van bedrog, da vinnek wel overdreeve. Wette hoe da ze da noeme? Een o-por-tu-ni-taat. Dat is da: een kaans. En kaanse moete pakke asse koome, dat is ni meer as just, da klopt gelak ne zweirende vinger.

Natuurlek, veur ongs, den Antwaarpener, is da wel een probleem natuurlek. Da moet is deurspuule  me een paar glazen bokes. Want wa godde dor veur in de pleuts kraage? Doar zitte kik toch een bitje me een aa in men broek.
Homans of wat? Nee merci, geft mijn pose mor on de kat.
De Kennis? Misschien, die kennik ni zoe goe. Heddem? Kennis kennik ni zo goe! Goeike, ni?
Seg, die Beels toch ni? Tis nog ni aareg genoeg da de sosse der wer baa zen, na inies oek nog burgemiester moake, dat is gin bitje overdreve zekerst?
Al goe kan dije gruune het ni weure, de Van Besing, beziet dat is, amai, dan stoenge we der schoen oep, stel doe veur!

Mor allé, ge kunnetoek zoe zing: a is nog ni weg hé. A moet nog iest verkooze weurre. Iedereen doet alsof hem al weg is mor dat is nog laank ni zeker zenne. Want wette, as waa da wille, dan bleft hem. Door zenne kik zeker van. As waa da echt wille, dan bleft hem. Schreft da mor oep een brifke. Mor dan moete weum wel een antje helpen. Want as we het gewoon gon vroage, dan gogget ni goan. Ge denkt toch ni dat hem go blaave, alleen veur a schoen oege zeker?

Wilde dat em bleft? Awel, wette wa ge dan moet doeng? Dan moete der ni oep stemme. Ni, verstoade? Zoe simpel as iet. Ge stemt der ni oep! Ni!
Ja, ik weet et, a is den beste, mor as ge der oep stemt met de kiezing, dan is hem weg hé. En as ge der ni oep stemt, dan weurt hem ni gekozen. En as em ni gekozen weurt, dan go dat fiesje ni deur. Dan moet hem blaave hé.
En wette wa? Dat heit hem zelf oek het liefste want dat heit hem gezee: as het on maa ot geleege, dan zou ek blaave. Awel dan!
Dus wa godde doeng in maa: stemt oep alles wa ge wilt, mor ni oep ongzen Bart. Ik doeng et oek ni. Me alle Chineze, mor ni met den deze.

Bartje is van iederien mor toch veural van ongs! En da moet zoe blaave. Da ze oep een ander hunne plan mor trekke, da doeng waa joek.

Liefste dagboek

Ik schrijf geen dagboeken, ik ben geen vijftien meer. Anders zou er dit staan:

Maandag 7 januari, verloren maandag

De eerste maandag na Driekoningen is een verloren dag. In vroegere tijden werd die maandag niet gewerkt. Ambtenaren kregen een borrel en een goedkoop vleesbroodje van de baas. Wie zegt dat tradities verdwijnen, krijgt de zwarte piet toegespeeld.
Een verloren dag is een dag waarop je in niets gelooft.
Vanaf vandaag gaan kerstballen en slingers weer zomerslapen in dozen. Etalages kleden zich uit, naakte dennen blokkeren als daklozen het voetpad. Het grijs van de dag schuift in het zwart van de nacht schuift in het grijs van de dag. Vijftig tinten, zelfs dat boek is beter.
Mijn huid schilfert, de dermatoloog heeft tijd in juli, de zevende maand van het jaar.
Het is onrustig wachten op een dokter die niet komt om te kijken naar een ziekte die je niet ziet.
Het schrale avondmaal: een worst gemengd gehakt in een platte koek, een appel in een bol gezwollen deeg.
We kijken naar ‘Voor ik het vergeet’, een realityshow over mensen die niet meer weten wie ze ooit waren. Emo-tv schuurt tegen de grenzen van wat ik kan hebben. Als een voyeur kijk ik schaamteloos in het intieme leven van wie dat niet beseft, er niet heeft om gevraagd.
Morgen wordt er weer in iets geloofd.

Dinsdag 8 januari

Elvis Aaron Presley zou vandaag vierentachtig worden, mocht hij enige spaarzaamheid hebben betracht in zijn omgang met hamburgers en farmaceutica. David Robert Jones, Bowie voor vrienden en fans, kon vandaag tweeënzeventig kaarsjes uitblazen. Ground Control en Major Tom verbraken  helaas vroegtijdig de verbinding. Let’s Dance op deze dubbele verjaardag, op honderdzesenvijftig  Elvis- en Bowieplaatjes, alle Hounddogs nog aan toe.

Woensdag 9 januari

Velcro is de combinatie van de Franse woorden velours en crochet. De klittenband werd bedacht door een Zwitser, Georges De Mestral. Ik moest vanmorgen aan hem denken. Volgens mij moet hij het nog moeilijker dan ik hebben gehad om over zijn buik heen de schoenveters te knopen. Alvast hij  vond er iets op.
Op de loopband luisterde ik naar de ‘De wereld van Sofie’. Het ging over influencers, lui die via een blog of vlog het koopgedrag van volgers beïnvloeden en zich daarvoor laten betalen. Ik voelde me niet aangesproken.
“Het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen.”: deze diepgaande poëtische spitsvondigheid werd bedacht door de door mij zeer bewonderde Rick De Leeuw, toen hij nog een Tröckener Keckje was. Zo komt ook de controlearts des avonds. We zaten wat en praatten wat. Hij leek niet echt te genieten van zijn job. Dat gevoel herkende ik.

Donderdag 10 januari

Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. ‘Vlaams Belang in zee met Dries Van Langenhove’, kopt het nieuws. Strak plan: een tijdje laten meedrijven in de plastic soep. Boyan Slat werkt eraan. #Opkuisen.
Gelukkig zorgt de jonge medemens, de toekomst, voor het goede nieuws van de dag en voor de planeet. School’ s Out! Met drieduizend lieten ze de schoolbanken leeg om actie te voeren voor het klimaat. Iemand moet het doen. Dat is toch spijbelen? “We waren met vijfenzeventigduizend en niemand hoorde ons. Nu wel!” Een kus van de juffrouw. Go, go, go girls and boys.

Vrijdag 11 januari

Revenge is a dish best served cold.
Mijn medisch ondersteuningsteam adviseert: schrijf het uit je lijf.
‘Payback Time’, een Shakespeareske, kiemt in mijn hoofd. Een drama in drie bedrijven, waarin adviseurs de nieuwe koning als gieren omcirkelen in de schimmige catacomben van de macht. Zij misleiden de vorst met bedrieglijk gefluister en sluipen schimmig door de nachtelijke gangen, gewapend met scherp gewette messen om hun tegenstanders onverhoeds in de rug te treffen.
Blijft het volk ontevreden, zij kunnen het niet helpen. Hen treft geen schuld.
Nooit Verantwoordelijkheid Accepteren. Dat is zo hard eenentwintigste eeuw.

Winter is niets meer dan een verpozing tussen twee zomers.

Een vrolijk verhaal

Schrijven is je eigen werkelijkheid verzinnen. Dat kunnen, moet heerlijk zijn. Helaas, ik kan dat niet. Naakte feiten kan ik navertellen. Ik ben niet de kok, ik bereid alleen maar de recepten die iemand anders heeft bedacht. Fabuleren kan ik niets.

Naar waarheid, zo is het gegaan.
We waren op een feestje. Mensen zongen en dansten, blij en dronken. Er was eten en drinken in overvloed. In het halfduister weggedoken, deinde ik ritmisch mee. Een muurbloempje. Sinds ik mijn anonieme bestaan inruilde voor spotlichten en praatprogramma’s, valt het me alsmaar moeilijker in het openbaar te verschijnen. De meeste mannen laten je met rust, al merk je af en toe een streepje jaloersheid, de schaduw van roem en succes. Maar hoe sommige vrouwen je bespringen, wil je alleen maar weten zolang je het niet aan den lijve hebt ondervonden.

Ze sloop naar me toe. Voor ik het besefte had ze mijn ademzone ingenomen en staarde ik gebiologeerd in bruine, onpeilbaar diepe ogen. Een duur parfum, haar zwarte haren krulden over haar schouders, haar stem hees. Ik durfde de blik niet te laten zakken. “Ik heb het gelezen, het was weer héél mooi,” zuchtte ze, “de hele dag had ik tranen in de ogen.” Ze streelde even over mijn arm, een zwoele aai. “Weet je wat ik fijn zou vinden? Dat je me ook eens laat lachen… vertel je volgende keer eens een vrolijk verhaaltje? En mag ik nu een handtekening van je?” Ze knoopte langzaam haar zwarte bloesje open.

Toen schoof als een bodyguard mijn manager tussen ons. Zij is hoogblond, zong eertijds in een New Yorkse punkband en heeft amper van haar glans verloren. “Jij nog een gin-tonic, schrijvertje?” “Dank je Debbie, met ijs graag,” antwoordde ik mijn reddende engel. We schuifelden naar de bar. Ik was haar oprecht dankbaar. Zelfs handtekeningen op borsten etsen word je op een bepaald ogenblik beu. Dat is typisch zo een situatie waarvan je weet waar ze begint maar niet waar ze eindigt.

Nog diezelfde nacht schreef ik een lang gedicht aan mijn muze, waarin ik haar elegantie vergeleek met een opus van Bach, haar lach met parels van diamant, haar nabijheid met stralen van de zon. Het werd te intiem voor publicatie, kunst voor twee. Ik wiegde haar zachtjes wakker, las haar het gedicht voor. We snoepten ervan tot in de vroege uurtjes.

De volgende ochtend telde ik onze zegeningen. Het huis, de twee garages, de fruitbomen in de tuin, mijn werkkamer met bibliotheek, mijn snookertafel, haar fitnesstoestellen en klerenkast met inloop.
Kort stond ik stil bij onze vliegmijlen en bankrekeningen in binnen- en buitenland, maar ongelijkheid maakt me triest, dus gauw sloot ik de apps op mijn grijze Apple iPhone XS Max met 512GB opslagruimte, aanraakscherm van 6.5 “, besturingssysteem iOS 12. Ik weet het, € 1.350,20 exclusief btw is niet goedkoop. Kosten maken, adviseert de boekhouder.

Uit de twee high end luidsprekers schalde de val van de regering. De terminale patiënt was uitgehold. Dat moesten we erg vinden, al geloofde ik niet dat buiten de politieke bubbel nog veel mensen hier een drama in zagen.
Integendeel, er lagen tal van nieuwe kansen. We ontkurkten, het was al een eind na de middag, een fles rode wijn, we zouden vrolijk zijn. We vergaten het verleden, veegden sponzen over wat geweest was. We fantaseerden een toekomst, droomden een nieuwe wereld, er was genoeg voor iedereen, minstens zeven dagen lang.

We installeerden een Ministerie van Collectief Geluk en een Ministerie voor Waardig Oud. We zouden de Galapagos- en Kaaimaneilanden afschuimen en met de daar opgegraven schatten, onderwijs en ziekenzorg gratis maken en voor iedereen toegankelijk.
De Minister van Defensie werd er een voor Vrede, zijn leger zou niet meer met machinegeweren door de straten paraderen maar bejaarden vervoeren, kinderen van school halen en boodschappen doen voor hulpbehoevenden.
De Minister van Welstand maakte de levenskwaliteit van de mensen het belangrijkst, niet de job. Economie als middel, niet het doel.
De Minister van Mobiliteit werd Klimaatverantwoordelijke.
We schrapten het woord ‘Politiek’ uit het woordenboek en vervingen het door ‘Dienstbaarheid’.  Uittredende regeerders boden we de kans om in ónze wereld te integreren: Maggie werd verpleegster, Jan straathoekwerker, Bart coördinator voor gemeenschapsoverleg. Theo kreeg drie maanden om vanuit het Maximiliaanpark in Engeland te geraken. We gaven hem daarvoor elke week zestig euro leefgeld en een deken van paardenhaar.

We gingen naar bed. Ik poetste mijn tanden en vroeg: “Leven we hier en nu niet op een fantastische plek? En ziet morgen er niet heel hoopgevend uit?”

“Ja,” zei ze. Ja.

 

 

Een goede leerling

Voor M., D. en de anderen

Dag Matthijs*

Het spijt me. Het spijt mij, en mij niet alleen, meer dan jij je kan voorstellen. Kon je dat wel, dan was je misschien nog hier. Wie weet, misschien had je anders gekozen. Je had andere dingen aan je hoofd.

Ik herinner me je nog. Je volgde elektriciteit, in het beroeps. Je praatte niet veel, durfde dat niet goed. Een rustige jongen, geen kolkende rivier, een stil water. Je werkte hard en onopvallend, je deed je best. Daar houden wij van, in scholen. Je was wat wij noemen een goede leerling

Een goede leerling zijn, is gevaarlijk. De leerkracht kijkt je voorbij, naar de achterste rij waar het kabaal vandaan komt. Op de klassenraad krijg je dertig seconden: “Alles ok, goede gast, heb je nooit last mee. Volgende.”
Ooit gaf ik mijn klas opdracht een filmrecensie te schrijven. Daarin mochten de woorden ‘goed’ of ‘slecht’ niet worden gebruikt. Dat zijn passe-partoutwoorden. Ze zeggen niets, vervlakken.
“Hoe gaat het?” “Bwah, goed.” Dat vinden we niet interessant. Je bent zo uitgepraat. “Goed? Ha, tof! Fijne dag nog.”
Boeiender is: “Het gaat niet best. Mijn vrouw wordt morgen een borst weggenomen.” Bàm! Spotlights. Aandacht!  Wie het goed lijkt te gaan, zien we over het hoofd. Goed is saai. Heeft de wereld je over het hoofd gezien, Matthijs?

Een leerling is binnen het mensdom een aparte soort. Het is een rol, zoals politicus, gitarist of advocaat. Alleen maar dat. Een leerling leeft volgens regeltjes (dat hebben we samen zo afgesproken), leert lessen, maakt taken, haalt punten. Het kind dat leerling wordt, houdt tijdelijk op kind te zijn. Een leerling buigt voor het gezag, protesteert niet en houdt gevoelens binnen.
Of anders!
Op een dag meldde een ontredderde moeder dat haar zoon een week afwezig zou blijven. Voorbije  nacht had hij geprobeerd dit leven te verlaten. “Die zijn schooljaar is mislukt,” zei de klasleraar, zijn stem hard en koud als het metaal dat hij bewerkte, “die kan zijn attest vergeten.” De leerling gebuisd.

Helaas, er zijn er nog geweest. Ik herinner me Jeroen, een vijfdejaars. Jeroen praatte wél graag. En veel te veel. Tot we hem niet meer hoorden. Hadden we misschien ook hier geen oor genoeg? Jeroen is altijd negatief, zegden wij tegen elkaar, gezeten bij een kop koffie, prikkend in een dieetje van gesneden avocado’s, veldsla en walnoten. We plukten voor dessert nog een stuk fruit uit de mand die iemand voor zijn verjaardag had meegenomen. Eigen oogst, een knoert van een venkel erbovenop. Jeroen verdwaalde op een dag in radeloze ontevredenheid op de sporen en sukkelde onder een trein die niet te laat wou zijn. Slechts weinigen geloofden in een ongeluk, al dat malcontente, je kon het bijna zien aankomen, hoorde je achteraf. Dan wel.
Een andere jongen, twaalf, liet in zijn klas een lege stoel achter. Waarvan droomt een kind van twaalf? Waarvoor is het bang?

Ooit, ik was nog blond, adoniaal en veelbelovend, vond men een collega thuis, boven een omgetrapte stoel, de nek gebroken. Erbij een verwijtbrief aan de wereld. De man wou expliciet geen bloemen of kransen van zijn werk. Iemand vond dat nefast voor onze reputatie. Ze bezorgde een krans in naam van alle collega’s. Ook de laatste wens werd niet gehoord.
Jaren later, weer een ander, een vijftiger. Een liefdesgeschiedenis, schijnt.

In deze regio van melk en honing proberen elke dag achtentwintig mensen zich het leven te benemen. Drie daarvan lukken. Tussen Duvel en Trappist weten amateurpsychologen hoe dat komt. “Ze zoeken aandacht.” Dat daarin een tekort verscholen zit, zeggen ze er niet bij. Wie zoekt, vindt vaak ook niet.
Volgende rondje: “Mensen kunnen nergens meer tegen, moeten harder zijn. Er wordt te veel gepamperd. What doesn’t kill you makes you stronger.” Die prietpraat.
Niet worden gezien, gehoord, gerespecteerd, gewaardeerd. Geen geloof in jezelf, geen rust in je hoofd. Niet iedereen vindt een antwoord. Sterven vanbinnen maar blijven lachen als de clown.

Het klimaat beweert iets anders, maar er is te weinig warmte in dit land. Het is te koud, te hard en cynisch. Men verdraagt te weinig, praat over een ander als over een iets. Er wordt naar hartenlust verweten, beledigd en gescholden. Hoe meer lawaai, hoe minder men luistert. De blik keert naar binnen, te weinig naar elkaar. Zeg mij zonder opkijken: welke kleur hebben de ogen van je vrouw?
We moeten lief zijn voor de dieren, dat wel, maar voor elkaar?
Drie doden, elke dag.

Het spijt me, Matthijs.

* De namen zijn fictief.

Ziek

Nog altijd voel ik me slecht. Het begon dinsdag en werd alleen maar minder. Woensdag en donderdag, sorry, maar dat was kots en platte kak. Mijn maag jojode twee dagen tussen keel en darmen. Niks verkeerd gegeten of zo, geen griep. Het is die wereld.

Zondag. De wolken stopten met huilen. Achter ons viel de deur in het slot. Een lauwe noordenwind blies richting hoofdstad. De dag droeg belofte in zich. Vijftienduizend, hoopten we. We maakten afspraken: blijf samen, houd elkaar in het oog, je telefoon bij de hand. Raak je de ander kwijt, loop door tot het eindpunt. Niet schrikken van luide knallen. Wegblijven van relletjes, je weet maar nooit. Ga ervoor.

We marcheerden voor de planeet, die lijkt overstuur. Teveel van alles: plastiek, gif, stoffen, mensen. Moeder Aarde is moe, leeggeschraapt, uitgemolken, van haar rijkdommen beroofd. De mens als hyena, likt aan dikke druppels bloed, vreet het karkas kaal en vervolgt zijn weg naar niets.
De tocht was een feest. Jong, oud, zwart en wit en bruin. Er werd gedanst, geschreeuwd en gezongen, goedlachs, hoopvol. Gescheurde lakens, kartonnen borden, lappen karton: ‘May the forest be with you’. ‘Het klimaat wacht niet’, ‘Was het klimaat een bank, het was al gered’, ‘Change the system, not the climate’. Het bleef droog, ook het weer was goedgezind.

Maandag zat ik nog lekker strak in het velletje. Een partijvoorzitster kwekte: een dikke duim voor al die positieve mensen! Vijf-en-zeventig-duizend! We pikken dit signaal op en nemen het mee.
Dinsdag toch al lichte hoofdpijn en een zure maag. België stemde tegen een Europese richtlijn om energie te besparen. Frontaal op vijfenzeventigduizend bakkesen.
Ik heb weinig talent voor woede. Woede wordt treurigheid, las ik ergens. Allemaal herbergen we in de ladenkast van ons gemoed een schuif vol boosheid. Soms breekt het slot. Lig je op je luie kont met een lekker boek in de zon, steekt je de wesp. Woede. En protesterende darmen.

Zoals vaker wees de politiek ons de andere kant op. We staarden naar de eigen navel. Het was woensdag, mijn ingewanden namen het over, misselijkheid zette onstuitbaar op. Mijn geloof in de wereld gebruikte elke opening om mijn lichaam te verlaten.
Ik zag in mijn leven veel mooi maar ook vaak slecht theater. Ik stond al vuilbekkend tussen het plebs toen William Shakespeare nog leerde hoe je Hamlet kalligrafeerde met een ganzenveer. Maar deze burleske, als van Ionesco, had ik nog niet gezien:

  • “Ik doe niet mee.”
  • “Hoe? Je ging toch meedoen?”
  • “Nu niet meer. Ik wil niet meer.”
  • “Als je niet wilt meedoen, ga dan weg.”
  • “Ik ga niet weg. Ik wil dat jullie iets anders doen.”
  • “We doen het toch. Ga weg.”
  • “Jullie zijn allemaal tegen mij. Jullie willen mij niet. Jullie pesten mij.”
  • “Al wat je zegt ben je zelf, met je broek in de helft.”

Daar betalen wij belastingen voor.

Ik dacht te gaan Facebooken of Spider Solitairen, toen de prentjes van het Nieuw Vlaams Belang mijn scherm vervuilden. Mijn maag gooide er alles uit, het toetsenbord kan naar het stort, de Poolse poetsvrouw is razend. Oeps, het was zo niet bedoeld, wij zijn zo niet, sorry! Slecht stuk, slecht gespeeld. Incasseer uw vette oprotpremie en ga heen in schaamte.

De schijnvoorstelling leidde af van de inhoud, we staarden ons blind aan de lichtbak. Waarover het écht moest gaan, geen woord.
Oorlog, klimaat, overbevolking, hongersnood zwepen mensen zoals u en ik voor zich uit. Mensen met  kinderen, verlangens en honger zoeken een beter leven, een leven tout court. Dat is een recht.
“Oei,” zegt men ons, “Kijk daarmee uit. Sommigen denken dat mensenrechten er zijn voor iedereen. Zij dwalen. Dat is niet zo. Dat gaat ten koste van onze rijkdom. Wíj zijn hier de slachtoffers.” Mensenrechten voor mij en voor mijn hond, en voor de premier, al heeft die… u weet wel.
Staat je kribbe in Timboektoe, Jemen, Eritrea of Sint Job in ‘t Goor, sorry, pech gehad.

“En hey? Hey! Gaan we misschien de rechter laten oordelen of wij de wet goed toepassen of niet? Slecht idee man! Waar gaat dat naartoe, denk je? Wíj maken de wetten. Harde aanpak, meer blauw, camera en vingerafdruk, uitstekend! Controleer iedereen maar ons niet. Dat doen we zelf wel.”
Waar de politiek ook rechtbank speelt, ontkiemt dictatuur. Op Instagram joelt het volk, het weet van weinig, laat zich gewillig bedriegen.

Kerstmis nadert. Voor het raam zwaait een meisje met zwavelstokjes. Van aan de dis zien we wazig lichtjes flikkeren. We houden de deur toe.

Doodziek word ik daarvan.

Blind date

Ik heb me een beetje laten kennen, vrees ik. Dat kwam zo. Via de vzw ‘Creatief Schrijven’ kon je tijdens de boekenbeurs blind daten met mensen uit de literaire wereld. Je hoefde alleen maar de beste tekst die je ooit had bedacht, in te zenden. Men zou er tien selecteren en de auteurs op zondag uitnodigen voor een VIP-ontvangst annex intakegesprek met mensen die van De Letteren weten. Klinkt alsof er Erik dwars overheen geschreven staat, toch?

Ik raadpleegde mijn fans. Beiden repliceerden zonder weifel: Doen! Sterker: we verkozen uit dat schier oneindige aanbod heerlijks dezelfde tekst: een tribuut aan een overleden vriend. Dat was postuum nog een mooi cadeau voor hem ook, vond ik. In mijn agenda noteerde ik: zondag 11.11: Boekenbeurs, Blind Date.

Vrijdag zou men wat laten weten. Eerlijk, maar echt, 9 november was de stilste vrijdag óóit: nul whatsapp, nul sms, nul mail, nul alles. Niks. Niemand! Ongeloof, Verbijstering en ik gingen samen voor de spiegel staan: gar nichts begrepen wij davon! Dus zo voelde zich de koningin toen ze vernam dat Sneeuwwitje nog leefde.

Op zondag dacht ik: laat ik toch maar gaan naar die bizarre winkel waar je inkom betaalt om dingen te kunnen kopen die je elders voor minder geld kan vinden.
Een onzichtbare hand dwong me naar stand 114, ‘Creatief Schrijven’. Daar zaten ze, de uitverkorenen. Tien! Tien betere scribenten. Kan je het geloven? Een glas Veuve Clicquot voor de neus. Schalen met lekkers zeilden voorbij. Van achter mijn doorgeschoten bamboeplant kon ik het allemaal niet zo best zien, maar ik meende oesters, kaviaar, garnalen en misschien een speenvarkentje te herkennen.

Principieel doe ik niet aan wedstrijden. Ik schrijf stukjes voor mijn persoonlijk amusement. Een vorm van intellectuele zelfbevlekking, zo u wil. De laatste wedstrijd waar ik aan deelnam was op een Gedichtendag. Ik won, met een liefdesgedicht. De concurrenten waren leerlingen, de jury collega’s. Als je het zo bekijkt heeft het wel wat van matchfixing.
Tien bétere teksten, hoe was dat in godsnaam mogelijk? Hadden die lui wel alles gelezen?
Waar was ik ook mee bezig? Waar kwam die zucht vandaan om niet alleen gelezen maar ook nog geprézen te willen worden? Vanity, thy name is toch woman? Vuur smeulde vanbinnen, vonken vatten vlam. Ik werd een oude schuur in brand. Passie laaide! Ik wilde meer! Ik moést beter! Volgend jaar zit jij daar, rijmde mijn hoofd.

Een draaikolkende kop en overal kunnen pinnen is een nefaste cocktail voor je bankrekening. Ik raadpleegde het nog-te-kopen-lijstje op mijn telefoon, toen ik spotlicht zag blinken op een knikkend haarloos hoofd. Marnix Peeters. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ stond ook op de lijst. Die laat ik signeren, dacht ik, dan kan ie mooi naast mijn – of zijn – ‘Natte dozen’ en ‘Kijk niet zo, konijntje’.

Beschroomd schuifelde ik met mijn boek richting schrijver. “Kom erbij,” wenkte hij, “we zijn net in gesprek over politiek correcte taal.” Voor hem stond een man die tot drie keer toe herhaalde dat hij geen racist was. De auteur diepte enkele anekdotes op ter illustratie dat De slinger der Correctheid volgens hem wel wat ver was doorgeslagen. We raakten het erover eens dat een maatschappelijk debat daarover zowel links als rechts geen kwaad kon. Uit de botsing der gedachten ontstond wederom licht.

“Erik, met c of k?” vroeg hij. “Doe vandaag maar met k,” antwoordde ik. De schrijver keek verrast. “Ik weet het zelf ook niet altijd,” zei ik, zonder verdere toelichting, “en ik ben fan van uw columns in de krant,” gaf ik naar waarheid mee. Dat deed zichtbaar plezier. “Dit is trouwens mijn vrouw,” stelde hij de elegante dame voor die een biertje kwam aandragen. Ik voelde me vereerd: mijn hand in de Hand van de Vrouw die Zegt in de Columns van Marnix Peeters!
“Ze weet vooraf nooit wat er zal verschijnen,” vertelde hij.
“Altijd spannend,” vulde zij aan, “Dan word ik op zaterdag wakker en denk: het is stukjesdag vandaag.”
“En we hebben daar in drie jaar vrijwel nooit een meningsverschil over gehad,” meldde hij fier. We keuvelden nog wat amicaal verder over hoe je vanuit de Oostkantons kijkt naar het gedoe ter stede, terwijl de auteur in zijn en mijn boek kalligrafeerde: ‘Voor Erik! Maar wie heeft er nu aids van Johnny? Veel liefs, Marnix’.

Bedankt, mijnheer en mevrouw Peeters, voor deze fijne date. En tot volgend jaar!

Ik kom terug. Met c of k.

Te veel liefde

Te veel liefde leidt tot oorlog’. Dat stond er.

“Te veel liefde leidt tot overbevolking, ja” Anna Lyste, opiniërend hoofdredacteur bij De Schrijverij, grapt nooit tijdens een redactioneel overleg. Ook niet daarbuiten, zij is een vrouw zonder humor. Zo zijn er ook.
Voor ons lag een interview met Eric Zemmour, volgens de reporter een Franse intellectueel. “We zijn te week geworden, te veel behept met mensenrechten.” poneerde hij.

“Waarom zegt iemand toch zoiets?” vroeg Anna zich hardop af. “Wat is dat toch met al die Trumpuleske brulboeien vandaag? Macho links, macho rechts, iedereen alfaman, is dat het nieuwe correcte denken? En maar zo hard mogelijk toeteren over het eigen grote gelijk. En maar kappen op een ander! Het Verdrag van de Rechten van de Mens kan ook naar het stort, bij gratis sorteren. Ménens of wat? ” Eens op dreef wordt Anna weer het felle jonge meisje dat ze ooit geweest moet zijn.

“Je merkt het wel vaker,” suste ik, “dat wie het zelf op jonge leeftijd niet gemakkelijk had, dikwijls hardere standpunten inneemt. Dat het een soort van compensatiegedrag is.” Mocht er geld zitten in klakkeloos advies door de amateurpsycholoog, ik kon skiresorts bouwen in Qatar. Of ik kocht Beerschot.

“Liefde is… alles, toch?” Haar stem werd luider, ze begon driftig te zwaaien met haar armen alsof ze uit de lucht de woorden kon plukken die ze nodig had. “Welke onzin je toch de hele tijd hoort!”
Op een of andere manier richtte haar kwaadheid zich op mij, een onveilige situatie.
Niet helemaal eerlijk ook, ik ben helemaal geen Franse intellectueel. Integendeel, ik was ooit zelfs schoolmeester. Toen hoorde ik ook de hele tijd: je mag niet te lief zijn, niet te veel pamperen. Je moet hard zijn. Streng straffen. Een voorbeeld stellen. Dat begreep ik toen ook al niet. Ja-a, dacht ik dan, er zijn landen waar ze overspelige vrouwen stenigen. Strenger en harder en gruwelijker kan ík het niet bedenken. Doodt die steen ook de verliefdheid? Of vinden geliefden slimmere wegen om elkaar te kunnen beminnen?

Anna was nu helemaal los. “Dat is allemaal angst. Al-le-maal angst. De allergrootste schreeuwers zijn dikwijls het bangst. Maar als er ooit iets gebeurt, dan moet het zo wezen. Wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen.”
Bidoewap, Bidoewap… zong het in mijn hoofd. Ik kende dat liedje nog.

“Allemaal wel waar, Anna,” probeerde ik, “maar die mijnheer heeft wél doorgeleerd. Die ziet dingen die wij niet zien. Verbanden, het grotere geheel…”
“Fuck off, jij!” riep ze. Eigenlijk ben ik in de hiërarchie haar meerdere maar Anna komt soms behoorlijk uit de hoek.
“Doorgeleerd? Misschien. Maar door-ge-lééfd? Filosoferen op je dikke kont in je Vintage Design Chesterfield, dat kan ik ook. Ik kan ook oneliners verzinnen over vluchtelingen of migranten of hongerlijders of whatever. Hoe het allemaal hun eigen schuld is. Dat ze het allemaal zelf moeten oplossen. Ze moeten dit, ze moeten dat … dat is toch vooral een manier om te zeggen dat jij zelf geen poot hoeft uit te steken. Jij bent nergens verantwoordelijk voor.”

Als ze gaat, gáát ze: “Intellectuelen, bah! Eentje roept iets, andere intellectuelen palaveren daarover, intellectuele journalisten schrijven daar intellectuele reportages over. Half-intellectuelen lezen dat enzovoort.” Ze raakte een zenuw: zo komen zulke interviews op de redactietafel van De Schrijverij.

Ze nam haar jas. Blijkbaar was onze vergadering voorbij.

“Luister,” zei ze, merkwaardig zacht ineens. “ik ben geen intellectueel. Ik ben een nuchter mens. Geloof mij: Liefde. Kan. Er. Nooit. Genoeg. Zijn. Nooit!” Ze priemde haar vinger tegen mijn borst, haar stem bijna dreigend. “Voor alles en iedereen, hoor je, schrijvertje?

Voor alles en iedereen…
Voor het een én het ander.
Voor jou en voor mij.
Voor jouw gelijk en voor het andere gelijk. Liefde,
voor de bloem en de belt waar ze op bloeit,
voor de dag en voor de nacht en voor de zomer Liefde
en de winter,
voor de waarheid én de leugen voor
het wit en voor het zwart
voor de groei en het verval,
voor het komen en het gaan.

Voor het leven. En de dood.

Liefde voor…VERDOMME!”

“Anna…,” lispelde ik, en gaf haar mijn zakdoek, “kom maar. Ik weet een fijn nieuw caféetje in de stad.”

Liefde voor jou, dacht ik. Maar dat zei ik niet. Ik ben een schrijvertje.

Een klein Gallisch dorpje

Vliegende pluisjes

Queen B. heeft meer volgers op Instagram dan ik maar mijn aanhang focust begrijpelijkerwijs veel meer op inhoud. Op voorleesavonden pols ik al eens naar wat er leeft onder mensen die zelf hun boterhammen moeten smeren en ’s avonds de afwas doen.

“Soms vind ik het wel mooi, maar tegelijk word ik er ook altijd zo triest van. Waarom schrijf je niet eens een keer iets vrolijks?” vroeg me gisterenavond iemand in zaal De Vrede in Berchem. Een man van ongeveer veertig, een lookalike van Charles Michel. Ik dacht nog even aan een culinair kwatrijn dat ik wel grappig vond, maar het konijn moest daarvoor in stukken gehakt en nu we worden overspoeld door een Vegetarische Golf, liet ik dat maar zo.
Op het grote scherm achter me projecteerde ik wat beelden uit het nieuws van de voorbije week.

We zijn het alweer bijna vergeten maar onlangs stonden we in lange rijen aan te schuiven om nieuwe bestuurders te kiezen voor onze gemeentes, lijdzaam als communisten bij de slager. Her en der wil het maar niet lukken om een bestuur bijeen te scharrelen. Men breekt woorden, wet messen en plant die in ruggen. Verraad en gekonkel zijn de ordewoorden van de dag.
Elders schrikt men van het beschavingsniveau van de medemens. Men vergeet dat het volk de leiders krijgt die het verdient. Voor misselijkmakende memes over zwarte kinderen geeft de kiezer je de sjerp. De bestuurders van het land halen naar gewoonte de schouders op. Die dingen gebeuren.
Van ons wil men graag de vingerafdruk. Zo gaat dit land om met haar burgers. Stem op mij, vertrouw mij, al vertrouw ik u niet. Geef mij uw vinger en ik neem uw hand. De klepel der Veiligheid hamert zwaar tegen de kelk van de klok.
Op de antiekmarkt in Tongeren verkoopt men nazikerstballen.

De gezagsdragers van de allerrijkste landen dineren met Arabische prinsen die journalisten in stukken laten snijden. Wie bedenkt die dingen zelfs? Ons land zal reageren met een krachtig signaal. Misschien. We overwegen om aan dat barbaarse regime geen wapens meer te verkopen. Nèh! Dat zal ze leren! Helden zijn wij.
In Donalds Own Country krijgen opposanten een pijpbom in de bus. Een pijp-bom. #Metoo verbiedt me te onthullen welke connotaties dát woord oproept. Maar u begrijpt mij, great minds think alike. Donald zelf weet van niets, ik geloof hem. Het is de rode draad in zijn beleid.

In het voetbal verkoopt men wedstrijden en circuleert zwart geld. Die hadden we niet zien komen. Ik wil het niet weten. Ik ben altijd al de laatste die ergens van weet, iedereen wist blijkbaar alles al. Alleen niet waar het stopt. Hoe ver vraten de wormen zich in de appel? Een journalist stelde het zo: “Welke club zal de eerste zijn om een ethische code te hanteren? Wanneer wordt iemand een Gallisch dorpje tussen de Romeinen?” Voetbalethiek, een grapje op de scheurkalender. Maar wel mooi gezegd, daar was ik dan weer een beetje jaloers op.

Geschuifel van stoelen, geroezemoes, Charles Michel leek niet tevreden. Deze beelden boden niet onmiddellijk de verhoopte vrolijkheid.

“Kijk,” zei ik. Ik toonde een beeld.
“Kijk, en volg aandachtig. Het pluisje van de paardenbloem maakt zich los van de stengel en begint een lange reis. Een vlucht van misschien wel achthonderd kilometer, dat is van hier tot Berlijn. Dat is een wonder. Dat doet het allemaal op eigen kracht, in een soort luchtbel die zich laat drijven op de wind. Het brengt zaadjes naar hun bestemming. Zie hoe het dartelt als een fee, hoe het gewichtloos en bijna doorzichtig danst op een hemelsblauwe vloer. Rust even mee op een distel, geniet van de warmte van de zon, het is lente of misschien hoogzomer. Van hoog genoeg, dat hoeft niet hóóg te zijn, zien we kinderen spelen met water, geliefden elkaar beminnen in het gras, oude mannen petanquen of nippen aan een schnaps. We zien mensen lachen.
Wij, Pluizen, zijn doof voor het gebrul van drilboren, motoren, grasmaaiers of bladblazers. Hier maken we ons ongenaakbaar voor wantoestanden en tekorten uit de wereld van de mensen. Op onze vlucht geen achterbaks gekonkel, geen pijpbommen, geen chocomousse.
We zijn hier vrij, hebben niets nodig. Geen mensen. Geen dingen. Er is alleen de symfonie van de wiegende wind om op te zweven. De schoonheid van het bestaan.”

“Maar,” zei de veertiger, “het is herfst, bijna winter. Er zijn helemaal geen paardenbloempluisjes. En wij kunnen toch zélf ook nooit paardenbloempluisjes worden!”

“In míjn Gallisch dorpje wel,” zei ik.