Blog

De Waan

De eerste waan

We verkeren erin of worden erdoor bezeten.
We beseffen dat niet.

De tweede waan

Misschien is hij een zwarte vogel die met breed gespreide vleugels tegen het gitzwarte decor van de nacht over het slapende land scheert, zijn ballast uitstrooiend over onze in onschuld vertoevende hoofden.
Misschien is hij een geest.
Misschien een satelliet op onbestemde hoogte, onzichtbaar voor oog of telescoop.
Misschien is hij een door het zwerk zwevende verstuiver, niet door de mens waarneembaar, die over onze velden en rivieren onzichtbare mistbanken sproeit die wij in de ochtendstond als goud inhaleren, nog dronken van slaap en suf gedroomd.
Wij weten dat niet.
Wij denken dat we veel weten, maar dat is niet zo, wij weten niet veel.
Wij weten niet wat vissen denken.
We zien de buizerd bidden maar weten niet tot wie.
Wij weten niet welke pijn de kolibrie voelt als hij achteruit vliegt.
Hoe eenzaam is de hoogte voor de giraffe?

Elke dag is hij in ons midden, doch niemand heeft hem ooit gezien. Niemand weet vanwaar hij komt of waarheen zijn reis hem voert. Waarom hij doet wat hij doet, onze levens op een hoopje gooit, wij hebben er het raden naar.
Zoals de god uit de catechismus is de waan altijd en overal. Onlosmakelijk brengt hij deining en commotie met zich mee.
Des avonds, bij het ondergaan van de zon, als het donker zich als dons over onze akkers spreidt en mistroostigheid onze harten inneemt, als wij vluchten in onze boeken, eindeloze series op tv of de nevelen van de spiritus, vervliegt de waan als de geur van een goedkope deodorant.

De waan is waar wij vandaag over praten en wat wij morgen vergeten zijn.
Hij begroet ons in de ochtend, neemt ons mee door de dag en is ’s avonds op de afspraak.

De derde waan

De spindokter breekt zich het hoofd. Wat zetten we vandaag op de agenda? Waarover willen wij dat bij het vers geperst sinaasappelsap, de kiwi en cornflakes de mensen praten? Lanceren wij een pact in Marrakesh of toch maar weer pensioentekort? Leggen we klimaat naast de koffieautomaat of zal de burger morgen soebatten over OESO-resultaten voor wiskunde? Plaatsen we een tweet of kapen we de camera tijdens de protestmars? Zit er nog een Dries of Goedele in de wachtkamer?

Wij, gewone stervelingen, geloven nog in idealen. Zonder voorbedachte rade streven wij naar bestofte waarden als Waarheid en Oprechtheid.
Wij dwalen. In de ochtend hebben wij te herhalen wat de strateeg ons heeft voorgezegd. Hij bedenkt het ontbijtbuffet waar wij gretig van smullen. Op is op. Morgen staan er verse waren op de tafel. Een borrelhapje, of een vette vis.
Wij mogen denken dat we denken, als we er maar niet aan denken iets anders te denken dan wat ons wordt voorgekauwd.

Wij beseffen dat niet.
Wij denken dat we veel weten, maar dat is niet zo, wij weten niet veel.
Wij weten niet hoe ver de mol kan kijken.
We zien de uil zijn ogen sluiten maar weten niet waarvan hij droomt.
Wat voelt de eik als je een hartje kerft in zijn bast?
Wie componeert het lied dat de vogel zingt?

De vierde waan

Het is vakantie. Dit Oord van het Vrije Woord doet er voor even het zwijgen toe.
Bezint. Laat de wereld in haar wanen.

Opgebrand

Je moet op, vind je.
Je rolt je op je linkerzij, sleept je benen naar de rand en laat het echte werk over aan de zwaartekracht. Je hijst je logge, slaapdronken lijf omhoog en strompelt naar de weegschaal. Een absurd getal, dat ding moet stuk zijn. Misschien ga je best eerst naar de wc.

Jeuk ergens midden op je rug, waar je vingertoppen niet bij kunnen. Je schouders doen pijn, je nek kraakt, er rekt iets achteraan je dij. Geluiden golven uit de woonkamer. Borden gaan kletterend de vaatwas in, messen tikken. Del Amitri op de radio, Nothing ever Happens.
De geur van koffie verdwaalt op de trap. Je sloft hem tegemoet. Je glijdt met je schouder tegen de muur naar beneden, schuurt tegen een ingelijste poster, de schoenen van Van Gogh, die je kocht aan een kraampje in Quartier Latin, student nog. Je waande je een kunstminnaar.

Op de tafel staat, eenzaam, je bordje, grote mok ervoor, mes ernaast. Je bent een verwend nest, dat weet je. Je ziet het balletroze pilletje voor je bloeddruk en het halfje voor je cholesterol. Je moet dat spul blijven slikken zolang je leeft. Waarom, vraag je je af. Doodgaan doen we toch.
Alles is al tig keer geweest en zal zich tig keer herhalen, tot in der eeuwigheid amen. Op de radio onderbreekt de interviewer een ratelende politicus: het is een moeilijke tijd, onze partij tilt ons uit het dal, blablabla. De concurrentie zou beter naar Romeinse traditie in bad de polsen laten leegbloeden blablabla. Yogasnuivers doen ons de War on Drugs verliezen blablabla.

De deur van de badkamer gaat open en toe, de deur van de woonkamer gaat open en toe. Iemand zegt iets tegen je. De voordeur bonst pardoes in het slot.
Je zet de radio uit. Je hoort hoe je ademt door je neus. Je bent alleen met jezelf en vraagt je af of je dit nu leuk gezelschap vindt. Je onderzoekt je telefoon. Van alles niets: whatsapp, sms, mail, Messenger. Geen connecties op Linkedin. Ook vandaag zal er niets gebeuren. Je zal de dag zelf moeten verzinnen.

Je moet wat doen, vind je. Je kan gaan zwemmen, fietsen, hardlopen, met gewichten zeulen, touwtjespringen. Je kan gaan lezen. Je koopt boeken zoals vrouwen schoenen. Je hebt de nieuwe Peter Buwalda. En Grand Hotel Europa. Met Pfeiffer sla je altijd een goed figuur als je na een theateravond met vrienden aan de Duvel zit.
Soms droom je nog dat ook jouw leven zich afspeelt in een bruisende Italiaanse stad waar het altijd zomer is en waar je de prachtigste mensen ontmoet en waar je boeken schrijft die wereldwijd worden verslonden door gretige lezeressen die achter hun brillenglazen hun tranen verpinken en stiekem met je naar bed willen. Maar daar heb jij geen tijd voor. Bovendien ben je zo trouw als een hond. Dat was nog wel eens anders, ooit, toen je nog jong was en je je vleugels haast brandde aan de zon.

Je eet twee boterhammen, drinkt twee koppen koffie. Je ruimt af, leest het nieuws op je laptop, registreert vaag het vergeefse gedoe en geploeter van de medemens. Diep vanbinnen vrees je dat je enkel maar interesse hebt in jezelf.
Alles is altijd hetzelfde en alles komt altijd terug. Er vallen bommen op Palestina. Er ontploffen granaten in je stad. Vrouwen krijgen nog altijd geen loon naar werk of misschien verdienen mannen teveel. Werkdruk en planlast zijn te hoog voor nagenoeg iedereen. Overal ter wereld schieten idioten hun wapens leeg op mensen die daar ook maar per toeval zijn. De buik van een walvis verzamelt veertig kilo plastiek.

Je vindt nog altijd dat je wat moet doen. Er is Spider Solitaire. Facebook meldt van twee vrienden de verjaardag. Dank u Facebook. Iemand heeft tijd gevuld. Veertien clips uit de jaren negentig na elkaar op je tijdlijn. Ooit liep ook jij te hossen in zo’n bollend jasje. Hel lichtblauw denk je, maar je twijfelt aan je geheugen. Je droeg toen witte laarsjes, gebleekte jeans, stroopte bij het dansen de mouwen op. Je droeg nog toekomst in je, tot de tijd je ongemerkt achterliet.
De dag staart je aan als een stokstijf staande zwarte mamba, de bek wijd open, een groot zwart gat waarin twee giftanden verscholen zitten. Kijk het beest in de ogen.

Carpe Diem.
Als je ze allemaal geplukt hebt, zijn ze op.

Zwijgen

“Heavy shit, dit,” dacht ik. Ik duwde op de knop, het scherm werd zwart. Het was akelig stil in de kamer, als na een slechtnieuwsgesprek. Het was moeilijk om te aanvaarden wat ik net had gezien en gehoord.
Twee mannen, gekraakt voor de rest van hun dagen, getuigden ingetogen doch – naar mijn smaak té  – gedetailleerd hoe ze in hun kinderjaren misbruikt werden door The King of Pop. Ik staarde,  compleet flabbergasted, zwijgend voor me uit. Zelfs mijn glas stond stil.

De lotgenoten, eentje uit de VS, eentje uit Australië, vertelden gelijklopende verhalen. Hoe ze al heel jong fan werden van de zanger. Hoe ze door de superster werden ontdekt en meegezogen in zijn paradijs. Hoe ze, haast alsof het in de Human Nature lag, al gauw uren alleen met de Moonwalker in zijn slaapvertrek mochten doorbrengen. Hun moeders en familie verbleven in aanpalende luxekamers. Net als hun ouders ging ik mee in het verhaal, door idolatrie verblind. Zien en niet zien. Wat magisch voor een kind, om de kamer te mogen delen met zijn larger-than-life-icoon!

Genieën zijn wat excentriek, toch? Terwijl we ons vrolijk maakten over die alsmaar extremere looks, die immer lichter wordende teint, die talloze gezichtscorrecties, shaketen we ons toch maar lekker suf doorheen die Wacko Jacko-manie. Was Thriller dan geen fantastisch album? Die clip niet ronduit revolutionair? Dat dansen niet fenomenaal? Nog altijd zie ik mijn vriend Robbie in café Napoleon de luchtgitaar omgorden en op virtuoze wijze Beat It plagiëren, gratis bekkentrekkenrij erbovenop. Wanna be Startin Something, wisten wij veel wat precies?

We keken er niet van op als we Zijne Gebleektheid hand in hand met een jongetje van zeven zagen lopen. We are the World, we are the Children. En ach ja, het Peter Panprincipe, jongens die nooit man willen worden. Heeft zo’n megaster nog wel een léven? We haalden onze  schouders op, dronken nog een glas en volgden onze hormonen.

Medelijden kreeg ik, met die kinderen maar ook met hun moeders. Moeders zijn ook maar kleine meisjes die vrouwen worden. Zij erkenden hun verantwoordelijkheid. Zonder noemenswaardige weerstand hadden zij hun zoontje overgeleverd aan de wellust van een pedofiel. Ook zij, vooral zij, sloten de ogen voor wat misschien wel kón, maar wat ze onmogelijk als realiteit konden accepteren. Ik geloof niet dat ik mezelf ooit kan vergeven, zei er een. Ik geloofde haar.

De jongens vertelden niemand iets, bleven opgesloten in samenzweerderige loyaliteit. Spreken was de code breken. Toen HIStory voor het eerst voor de rechtbank verscheen, hielden zij de kaken stijf op elkaar. Sterker nog: zij ontkenden. You are not alone.
I loved him, gaven ze toe. Zo ver kan het gaan. Bij een van hen, hij was toen tien, schoof His Badness een met diamanten bezette ring om de vinger. Een huwelijkscadeau.
De Smooth Criminal ging vroeg dood, zoals het grote kunstenaars past. Op de afterparties in het hiernamaals breakdancet hij voor lieden als Elvis, John Lennon en Kurt Cobain. Aan de bar bestelt Amy nog een fles tequilla. Don’t stop till you get enough.

De jongens werden mannen, vonden een vrouw maar geen rust. Ze daalden in diepe dalen, worstelden met het bestaan, kwamen er maar niet achter hoe dat zo kwam. Ze kregen kinderen.
Toen ze hun zoontjes vijf, zes, zeven zagen worden, vielen hen de blinden van de ogen. Hoe konden zij, toen zélf amper vijf, zes of zeven, zich ooit verantwoordelijk hebben gevoeld voor de seksuele uitspattingen van een volwassen man?
Zij spartelden zich in het reine, kraakten de gouden schelp, doorbraken de omerta. De een biechtte bij zijn broer, de ander schraapte alle moed bij elkaar en vertrouwde zijn vrouw. Het moest eruit.

Toen je dacht alles gezien te hebben, serveerde de documentaire nog een extra sterk degustiefje. De fans, believers, vonden deze bekentenissen Dangerous. Het imago van hun idool besmeurd! De boodschappers, als kind misbruikt, werden voor hun openhartigheid genadeloos aangepakt. Door een deel van de buitenwereld opnieuw gefileerd, weggezet als leugenaars, verguisd, gehaat, publiekelijk gehoond. Wie het liedje niet wilde horen, schoot op de pianist. Ook dat kwam hard aan. Don’t Care About Us, ondervonden zij. Opnieuw.

The way you make me feel. Sommige boodschappen bezorgen ons ongemak. We voelen ons er niet lekker bij, ze bedreigen onze comfortzone. Maar ze moeten wel worden verteld. De waarheid heeft haar rechten. Wie onrecht wordt aangedaan, moet spreken. Zwijgen is geen optie. Daar is moed voor nodig. Het siert de toehoorders dat ze even de tijd nemen om te luisteren naar het verhaal. Achteraf is er altijd nog tijd genoeg om je af te vragen:
Who’s Bad?

Las en dacht

Jean-Marie legde een ei. Raar voor een haan maar het moest.

Ik las:
“Ik heb het stilaan gehad met die groene progressieve haarkloverij.”
Ik dacht:
“Als professionele groene progressieve haarklover wil ik hier graag meer over weten. Misschien leer ik nog wat bij.”

Ik las:
“Ik krijg een indigestie van het groene proefballonenblazersensemble dat elke dag een nieuwe zeurstok vindt om op te kauwen en per wet wil opleggen hoe ik moet leven.”
Ik dacht:
“Ik moet overgeven van dit geelbruine patronaatsgetoeter dat elke dag een nieuwe dwangmaatregel verzint en per wet wil opleggen dat levenslange loondienst het hoogste doel is om in dit leven na te streven.”

Ik las:
“Greta Thunberg en Anuna De Wever hebben zich ontpopt tot de handpoppen van de politiek correcte klimaatkerk.”
Ik dacht:
“Een Schauvliegje? Worden deze meisjes door groene poppenspelers als Poesjenellen in het spotlicht gestuurd? Zit de staatsveiligheid hier achter? Of bazelt deze meneer maar wat? Wie zijn verstand steekt in de tippen van zijn bottines, bulldozert met de kast ook het porselein aan diggelen.”

Ik las:
‘klimaatevangelie’, ‘klimaatstakingsbegeleider’, ‘maanlichtdansers’, ‘migratiedol’, ‘cultuurmarxist’, ‘’hysterisch discours’, ‘holle retoriek’, …
Ik dacht:
“Hysterisch discours? Holle retoriek? Hèhè, zalig, een debat met sterk onderbouwde argumenten.”

Ik las:
“Wij gingen niet brossen voor de bossen.”
Ik dacht:
“Dát zou pas belachelijk zijn geweest. We hádden bossen. In overvloed. We verstopten ons op zondagmiddag met de Chiro in bunkers, de vijand legerde aan de overkant van de Dnjepr of de Stinkiebeek, of school in het dichte gebladerte van het Peerdsbos. Tot dat niet meer mocht. Toen  gingen we de straat op om te protesteren tegen de snelweg die het bos in tweeën spleet. Of de verkaveling aan de kant van Brasschaat, waar mensen met veel geld in het groen wilden wonen.”

Ik las:
“Onze speeltuin was niet alleen voorbehouden voor de kamsalamander, maar ook voor ons.”
Ik dacht:
“De straat was onze speeltuin. Of het park. Of de wei op de hoek waar we voetbalden tegen de jongens van de andere wijk. Je moést buiten spelen, in de open lucht. Televisiekijken was slecht voor je ogen. Waar kan dat nog? Zet drie of vier veertienjarigen samen aan een speeltuin, het buurtcomité alarmeert binnen vijftien tellen de politie. Zelfs schoolkinderen op de speelplaats maken te veel lawaai.”

Ik las:
“We zwommen zelfs in vervuilde kanalen en overleefden het ook.”
Ik dacht:
“Dit ooit goddelijke zwemmerslijf baadde in het koele nat van de Nete in Kasterlee. In de Maas bij Vucht, pootjebaadde als opstandige puber in de Schelde. Op Sint-Anneke, het strand van Antwerpen, waar vandaag die borden staan: ‘Verboden te zwemmen’.

Ik las:
“We sportten niet op elektrisch aangedreven loopbanden maar liepen in het warme gras of duwden zelf de grasmaaier.”
Ik dacht:
“Gazon was een rijkeluizenwoord. Het bord ‘Verboden het gras te betreden’, moest nog geïnnoveerd. Bos was nog geen ‘Propriété privée. Waar is de wereld nog van iedereen? In Middelkerke aan zee? Mag je daar zwemmen waar je wil, wanneer je wil?

Ik las:
“Leraars hadden toen nog meer gezag dan hun leerlingen.”
Ik dacht:
“Judoman, blijf bij je tatami. Deze woeste woordenbrakerij haspelt twee begrippen door elkaar. Gezag heb je, macht krijg je of dwing je af. Gezag is, macht verglijdt. Wij hadden voor maar weinig leraren respect, nog een moeilijk woord. Ze hadden de macht om ons te straffen, kleineren of doodknuppelen. Knuppelaars en kleineerders hebben zelden gezag. En krijgen geen respect.”

Ik las:
“Richard Tol. Yorien vdH.”
Ik dacht:
“Rutger Bregman. Paul de Grauwe.”

Toen las ik:
“Ik ben een vooruitgangsoptimist.”
Ik dacht:
“Ocharme toch, duts! Hoe lastig is het voor een vooruitgangsoptimist om te zien dat al dat moois van vroeger er niet meer is? Dat we in onze vlucht vooruit die wereld van onze kinderen en kleinkinderen hebben afgepakt? Dat zij later ook graag zulke verhalen willen vertellen? Maar dat het er niet naar uit ziet dat ze dat zullen kunnen doen.”

Ik dacht nog: “Elke vogel fluit zijn eigen lied. Sommige ego’s zijn zo groot dat je erin kan verdwalen. Blindgestaard en verloren gelopen in de eigen navel. Vet en vadsig, volgevreten, botsend op de  blinde muur van het eigen groot gelijk. Niet bereid om ook al was het maar een seconde te luisteren. Schieten  op de boodschapper, meisjes van zestien of zeventien. Moedig. Echt.
Een échte man.

Ik las nog:
Two things are infinite. The Universe and human stupidity. And I’m not sure about the Universe.” (Albert Einstein).

Daarover waren we het alvast helemaal eens.

 

Wenen

Wenen is the new black.

Hij wordt veertig, zetelt in de gemeenteraad in een stad die zich enige grandeur aanmeet. Ook is hij  minister van Digitale en nog iets. Hij heeft het wel gehad. Tijd om wat anders te doen. Met spijt in het hart. Kiezen is altijd verliezen. Keuzestress, zelfs een liberaal kan niet alles hebben.
De camera’s draaien. Hij weent. Tranen, niet tegen te houden. Hij is nu eenmaal een emotioneel iemand. Hij omhelst zijn vriendin voor het leven, tevens zijn politieke Zuster Overste, Soeur Gwendolyn. Ook zij is geroerd. Ze ziet hem graag. Helaas is hij niet de vrouw, niet het witte konijn dat ze wil vangen. Dat is het probleem.
Man van veertig zoekt binnen netwerk nieuwe job met royale verloning. Prime Time Television.

Duizenden heeft hij er afgeblokt. Parken opgekuist. Akkoorden genegeerd. Hij heeft er teruggestuurd naar folterkamers. Hij weet wat verantwoordelijkheid nemen is. Een akkoord is maar een akkoord zolang hij dat wil. Een Afspraak niet meer dan een programma op televisie.
Wat de burger niet weet, weet hij niet. De staatssecretaris had niet gezien dat de gifslang aan eigen boezem drukte. Mensensmokkel was in huis, onder eigen neus. Hij tweet zijn groot verdriet.
Hij weent. Iedereen is tegen hem. Bloedhonden op heksenjacht. Terwijl hij altijd alleen maar het goede voor ogen had. Voor onze welvaart. Onze veiligheid.
Hij vlucht naar de kust, legt zijn hoofd op de omvangrijke schouders van zijn dikke vriend en verschuilt zich in diens brede armen. Hier is hij veilig. Samen brullen zij zelfs de zee weer van het strand, als het moet.

De bomen in het Essersbos waaien met de wind. Bomen dienen om te worden gekapt maar zij leven nog. Hun takken wijzen trillend richting Martelarenplein. Zij voelen geen medelijden.
Het gezicht van de minister kleurt zalmroze. In de steunbalken onder haar ogen glinsterden plasjes, vennetjes in een verwilderd bos. Een verfrommeld zakdoekje als houvast, zwaar van tranen. Wanhoop in een toegeknepen vuist. Zij weent.
De minister is moe, het is op. De mensen begrijpen het niet, vallen haar lastig, vragen verhaal. Alsof zij het kan helpen. De boeren moeten ploegen, de Economie, die heilige koe, moet vetter en vetter.
Zij zou niet emotioneel worden. Ook dat mislukt. Zo ne goeie hebben wij nog niet gehad, zingen vriend en vijand. Het volk heeft het weer verkeerd begrepen. Het komt wel goed met haar, zegt Evergem. Kunnen we het dan nu weer over voetbal hebben?
Ongenadig registreren camera’s hoe een vrouw, eenzaam tussen velen, de schouders laat zakken, krimpt, klein wordt en onstuitbaar huilt als na het eerste liefdesverdriet.
De bomen in het Essersbos houden hun fatsoen, zij huilen noch juichen. Ontdaan van hun bladeren, naakt, wachten zij en hopen op de lente.

Bijna kreeg ik medelijden. Doch ik weet: ook wolven huilen. Krokodillen tranen.
Ik dacht aan Anna Maria.
Aan haar mama en papa en zusje van twee.
Ik dacht aan Mawda. Hoe zou het nog zijn met háár mama en papa? En met hun schuld?
Aan de moeders van baby’s die grijpen naar tepels, in borsten geen voedsel vinden.
Het kind in de sweatshop.
Plantages, rijstvelden, kobaltmijnen.
Jemen.

Ik dacht aan de dakloze die niet meer leeft, aan de vluchteling in de vrieskou buiten.
Aan de oude mevrouw die schrikt van de klop op de deur, de deurwaarder ziet staan.
De alleenstaande moeder die, handen in de schoot, onmachtig snikt bij een bundeltje schoolrekeningen.
Het meisje van acht op de fiets, gemist door het niet alziend oog van de vrachtwagen.
De man in de rolstoel die niet de stoep op kan.
Het nummer 1241 op de wachtlijst van de Zorg.
De weduwe. De wees. De blinde.
De oncoloog. De therapeut. De uitvaartconsulent.

Ver weg is de camera. Stil, groot verdriet. Je weet dat wel maar je ziet het niet.
Ik zou kunnen janken.

Kattebelletjes

God morgon Greta

Je krijgt een prijs. Twee Grote Denkers, aan deze en gene oever van de Schelde, verkiezen je tot vrouw van het jaar. Nu al. In december sier jij de cover van Time Magazine. Zeker weten.
Ben je daar blij mee? Je lacht niet. Toch geloof ik dat het je iets doet.
Wat voel jij, Greta? Hoe begint een kind, zestien lentes zo pril, met zoiets? “Elke week,” zei je, “spijbel ik een dag. Tot jullie iets doen.” En je zette je met je protestbordje neer voor het parlement in Stockholm. Je werd de vlinder die met een vleugelslag een storm ontstak over dit oude, vermoeide continent.
Je redevoert tussen de rijken en machtigen van deze wereld. Je zegt hen je waarheid. Je verpinkt niet, alsof je nooit iets anders hebt gedaan.
Bijna stond hier: je lijdt aan Asperger. Van dat lijden ik ben niet meer zo zeker. Je brengt me danig in de war. Je leeft meer in jezelf dan erbuiten. Je zegt: “Als ik niet zo raar was, zat ik zoals iedereen geketend aan dat sociale spel.” Op het beeld lijkt het dan of je even lacht.
“Ik kijk naar de wereld vanuit een ander perspectief. Had ik geen Asperger, ik zou niet van de buitenkant kunnen kijken. De klimaatkwestie is wel heel complex maar ook heel zwartwit. Een vijfjarige begrijpt: we stoppen de uitstoot. Of niet.”
Gelukkig schuilt er een autist in ieder van ons.

Med kärlek. Lycka till du.

———-

Hey Anuna

Proficiat! Je hebt je eigen naam. Je bent niet de naamgenoot van. Je bent Anuna. Wat goed is, komt snel. En je bent nog maar zeventien!
Hoe gaat het met je? Ik zag je op tv deze week. Bij de voorzitter van het Vlaams Parlement, Jan Peumans, die oude brombeer. Bij de Vlaamse Bouwmeester waarmee je plannen maakte. Donderdag leidde je weer een klimaatmars, voor de vierde keer al.
Je ziet er nog altijd goed uit. Rustig, fit, helder. Je luistert bedaard en praat gedecideerd. Als je kan, mag je van mij ook die attitude verspreiden.
Hoe gaat het op school? Je zegt aan de regering: “Mijn rapport is nog steeds beter dan het uwe.” Ik hoop het. Al getuigt dat niet van hoge ambitie. Plus est en vous!
Wie het hoofd uitsteekt boven het maaiveld, botst op bagger en gebral. Ik weet dat. Wat voel je bij die tsunami van haatcommentaren? Sta je daar nog boven? Hoe wapent een meisje van zeventien zich tegen brutaal en zinloos verbaal geweld?
Zag je die foto? Van die afvalberg na het carnaval in Hasselt? Met als bijschrift: “Brussel na de klimaatmars.” Dacht jij toen ook: hoe dom is dit? Zelfs fotoshoppen is een vak, oen!
Of vroeg je je, net als ik, verbijsterd af: wat bezielt iemand om zo een beeld te bricoleren?
En schrok je niet, Anuna, bij die Instagrampost: ‘Gelukkig heeft een tweeloop twee lopen.’ Bedoeld werd: een voor jou en een voor je zus.
Je zegt: “Ik probeer me daar niet te veel van aan te trekken.” Lukt dat?

Ik hoop het. Echt.

Chapeau! Veel sterkte!

———-

Dag Anna Maria, kleine meid

Je bent acht nu, hoor ik, en je ouders komen uit Armenië. Zij woonden al hier voor jij werd geboren. Ze kregen geen papieren. Je papa werkt, jij gaat naar school, je mama leert Nederlands. De juf vertelde op het oudercontact wat een leuk meisje je bent. De trots van mama en papa.
Nu woon je in Steenokkerzeel. Een gesloten instelling. Toen ik zo oud was als jij, noemden we opsluiten: ‘in den bak zetten.’
Gaat het een beetje, kind? Begrijp je waar je bent? En waarom? Ik ook niet.
De kindjes uit je klas ook niet. De juf krijgt het niet uitgelegd. De stoel waarop je zat is leeg.
Op de radio werd over je gepraat. Dat er regels zijn. Dat het jullie eigen schuld is. Dat jullie hier al lang niet meer mochten zijn. Dat je papa in het zwart werkt. Dat hij geen belastingen betaalt. Het is een beetje ingewikkeld. Hij heeft niet de goede papieren om belastingen te kunnen betalen. Dus ja.
Iemand zei: “Wij betalen dat allemaal wél keurig.” Dat is misschien een tikje overdreven. Als ze iedereen die in het zwart werkt zouden uitwijzen, er zou hier veel open ruimte zijn.
Ik weet niet hoe het verder gaat, kind. Laten we hopen dat je snel weer voort kan met je leven.
Later, als je groot bent, vraag je je misschien af: wil ik écht zo graag wonen in een land dat kinderen opsluit?

Goede vraag.

Veel liefs. We denken aan je.

Fatsers

‘Rebel Rebel’ steeg naar 1.
Zaterdagochtend, toen nog een schooldag. Mijn makker Victor en ik spijbelden. Fatsen in het jargon. Zijn ouders verkochten groenten op de markt, we hadden het kot voor ons.
Een stapel plaatjes op vijfenveertig toeren, een artistiek debat in een waas van sigarettenrook, een hitlijst van dertig naar één. Hij de techniek, ik het woord. Zes zaterdagen op rij was ik de beste dj van Vlaanderen. ‘Maggie May’ kondigde ik aan met boomschors in de keel, ‘Angie’ was ‘Aingé’, David Bowie noemde ik The Jean Genie.
De schoolprefect telefoneerde en de volgende zes woensdagnamiddagen vertoefden we in de absolute leegte van het strafstudielokaal. Zinlozer dan dat zou het leven niet meer worden. Niets goeds zou van ons komen. Galg en rad. Langharig, werkschuw tuig. Hippies!

Filip, mijn vriendje voor het leven, introduceerde enkele jaren later ‘Fatsen met een doel’. Er waren belangrijker zaken dan differentialen, balansen of lyriek. Toenmalig Minister van Landsverdediging Paul Van den Boeynants, Pol Pens, zou voor dertig miljard Belgische Franken gevechtsvliegtuigen aankopen. Daar zouden wij, pacifisten in groene parka of bruine duffelcoat, een stokje voor steken. Met pamfletten van RAL en AMADA als munitie kibbelden we met klasgenoten, die blinde schapen op weg naar levenslange, afstompende burgerlijkheid.
We trotseerden het ouderlijk gezag, in tijden zonder smartphone of camera een stuk eenvoudiger dan vandaag.  Wij gingen de wereld verbeteren, de honger bannen, weg met het materialisme, lang leve het welzijn van iedereen.

Vandaag marcheren jongeren in veelvouden van tienduizend door de vrieskou. Ze negeren lessen, riskeren achterstand en banbliksems.
“Het is genoeg,” zeggen zij. “Tot hier en niet verder. De vorige generatie heeft onze wereld verkloot, onze generatie moet dat oplossen en daarom zijn wij hier.” Onze jeugd is kwaad. Ze krijgt een planeet voorgeschoteld die naar de Filistijnen gaat. Als je vermoedt dat je ouders schulden nalaten, kan je de erfenis weigeren. Dat ligt hier moeilijk.

Ha, zeggen wij. Leggen ze dan hun smartphones aan de kant? Gaan ze te voet naar New York of nemen ze toch maar het vliegtuig? Staan hun oorverdovende brommertjes nu te roesten in de garages van hun ouders? Dragen ze thuis drie lagen thermisch ondergoed of brandt gewoon de verwarming? Hoe proper is de weide na het festival? Wat weten ze van kobalt? Klimaatspijbelaars zijn het, een makkelijk excuus misbruikend om een dag te brossen.
“Hun klacht is fake news, er is geen probleem,” orakelen patserig de Jean-Maries uit Middelkerke. “Ooit wandelden mensen van Oostende naar Dover. Zure regen was ook een hoax. Die jongeren zijn nuttige idioten, gegijzeld door de linkse klimaatlobby die ze angst inpompt.” Trumpiaanse arrogantie, het is een gave.

Victor en ik vonden plaatjes draaien gewoon leuk, niets meer. Later leerde The Who ons dat muziek méér kon zijn. We werden wakker:

People try to put us down (Talkin’ bout my generation)
Just because we get around (Talkin’ bout my generation)
Things they do look awful cold (Talkin’ bout my generation)
I hope I die before I get old (Talkin’ bout my generation
)

Where did we go wrong? Wanneer lieten wij onze idealen oplossen in het zuur van cynisme? Geen geschut is grof genoeg om de boodschapper te treffen. Kijk eens naar wat zij allemaal verkeerd doen! De boodschap verzuipt in het verwijt.
De opstandige jongere laat zich niet muilkorven. Hij gaat harder roepen, brengt meer volk op de been.
Laat ons luisteren. Terugkijken. Het hoofd buigen. Zwijgen.
Hoor de vraag: “Moeders, vaders, wat hebben jullie gedaan? Wat hebben jullie niet gedaan?”

Leave them kids alone!
Misschien, laat het ons even overwegen, reageren wij, rebellen van weleer, zo gecrispeerd omdat de waarheid kwetst. Misschien stéékt het dat onze kinderen verantwoording eisen. Misschien treft hun aanklacht over het falen van onze generatie, ons midscheeps in het hart. Of gaan we, geheel in overeenstemming met de tijdsgeest, ook deze verantwoordelijkheid uit de weg?

Mij ontmoet je niet op een jongerenmars voor het klimaat. Soms lijkt het anders, maar ik ben niet zo gek dat ik ga demonstreren tegen mezelf.
Morgen daarentegen vind je me wél in Brussel. Bij de klimaatmars voor grote mensen. We zien elkaar daar. Breng uw kleinkinderen mee. Het is ook hun planeet.
Als je mij zoekt, ik ben die kerel met dat houten bord voor de kop. Je herkent me aan deze, in foutloos en helder Nederlands geschreven zin:

Sorry kinderen, we hebben er een puinhoop van gemaakt. Het spijt me.

 

A is van ongs

Ja joenges!

Die hodde we ni zing oankoome, amai, da was een patat. Da was er ni neffe, da was er boenk oep.
Ge denkt, a is hier geire. Ge denkt, a ee terveur gekozen. A is verkozen, a weurt wer burgemiester. A is van tstad en tstad is van hem. A bleft, a mokt ongs gin bloskes waas. Mor neje, a is alwer bekanst weg.

Allé, tis te zeggen, a wilt ni echt, het is tege zen goesting, zeet hem. As hem zijn goesting had kunnen doeng, a zou zoe laank meugelek blaave zitte. Mor dat goa ni, der is van alles on daand in de partaa en joa, a is wel de veurzitter, a kan ni zoemor allien nor zen aagen zing hé. En naa ee them het aan zennen tutter natuurlek. ’t Is van den hongd.
Ja joenges, amai men spel, wat is dat allemoal.

Pertang, ongzen Bart, dat is ’t manneke hé, de slimste van de klas. A klapt jan en alleman ongder toafel. At em ont klappen is, moet iederien zwaage en leustere. Dan moete die smoelekes is zing. Dan ston die der allemaal zoe te gapen met hunne mongd vol taanden. Ginne niene wet dan nog wa zegge. Het is precies of a sprekt lataain. Heddem, lataain? Dat sprekt hem nogal geire hé, niemand verstoat em dan, haha.

Bedrog? Och joenge, ik gon em gin klieke passen zenne. As gaa oep een aander mier kunt verdiene, doetet dan ni misschien? Awel dan. Wette wat dat is? Ik denk dat da nogal een verschil is zenne, een preeke van burgemeester of de pree van ne mi-nis-ter pre-si-dengt. Ik weet da natuurlek ni just mor ik denk wel dat dat een paar eurokes zal schille, denkte ni? Voilà, tis da dak wil zegge.
Tis misschien ni helemoal just, mor veur na te klappe van bedrog, da vinnek wel overdreeve. Wette hoe da ze da noeme? Een o-por-tu-ni-taat. Dat is da: een kaans. En kaanse moete pakke asse koome, dat is ni meer as just, da klopt gelak ne zweirende vinger.

Natuurlek, veur ongs, den Antwaarpener, is da wel een probleem natuurlek. Da moet is deurspuule  me een paar glazen bokes. Want wa godde dor veur in de pleuts kraage? Doar zitte kik toch een bitje me een aa in men broek.
Homans of wat? Nee merci, geft mijn pose mor on de kat.
De Kennis? Misschien, die kennik ni zoe goe. Heddem? Kennis kennik ni zo goe! Goeike, ni?
Seg, die Beels toch ni? Tis nog ni aareg genoeg da de sosse der wer baa zen, na inies oek nog burgemiester moake, dat is gin bitje overdreve zekerst?
Al goe kan dije gruune het ni weure, de Van Besing, beziet dat is, amai, dan stoenge we der schoen oep, stel doe veur!

Mor allé, ge kunnetoek zoe zing: a is nog ni weg hé. A moet nog iest verkooze weurre. Iedereen doet alsof hem al weg is mor dat is nog laank ni zeker zenne. Want wette, as waa da wille, dan bleft hem. Door zenne kik zeker van. As waa da echt wille, dan bleft hem. Schreft da mor oep een brifke. Mor dan moete weum wel een antje helpen. Want as we het gewoon gon vroage, dan gogget ni goan. Ge denkt toch ni dat hem go blaave, alleen veur a schoen oege zeker?

Wilde dat em bleft? Awel, wette wa ge dan moet doeng? Dan moete der ni oep stemme. Ni, verstoade? Zoe simpel as iet. Ge stemt der ni oep! Ni!
Ja, ik weet et, a is den beste, mor as ge der oep stemt met de kiezing, dan is hem weg hé. En as ge der ni oep stemt, dan weurt hem ni gekozen. En as em ni gekozen weurt, dan go dat fiesje ni deur. Dan moet hem blaave hé.
En wette wa? Dat heit hem zelf oek het liefste want dat heit hem gezee: as het on maa ot geleege, dan zou ek blaave. Awel dan!
Dus wa godde doeng in maa: stemt oep alles wa ge wilt, mor ni oep ongzen Bart. Ik doeng et oek ni. Me alle Chineze, mor ni met den deze.

Bartje is van iederien mor toch veural van ongs! En da moet zoe blaave. Da ze oep een ander hunne plan mor trekke, da doeng waa joek.

Liefste dagboek

Ik schrijf geen dagboeken, ik ben geen vijftien meer. Anders zou er dit staan:

Maandag 7 januari, verloren maandag

De eerste maandag na Driekoningen is een verloren dag. In vroegere tijden werd die maandag niet gewerkt. Ambtenaren kregen een borrel en een goedkoop vleesbroodje van de baas. Wie zegt dat tradities verdwijnen, krijgt de zwarte piet toegespeeld.
Een verloren dag is een dag waarop je in niets gelooft.
Vanaf vandaag gaan kerstballen en slingers weer zomerslapen in dozen. Etalages kleden zich uit, naakte dennen blokkeren als daklozen het voetpad. Het grijs van de dag schuift in het zwart van de nacht schuift in het grijs van de dag. Vijftig tinten, zelfs dat boek is beter.
Mijn huid schilfert, de dermatoloog heeft tijd in juli, de zevende maand van het jaar.
Het is onrustig wachten op een dokter die niet komt om te kijken naar een ziekte die je niet ziet.
Het schrale avondmaal: een worst gemengd gehakt in een platte koek, een appel in een bol gezwollen deeg.
We kijken naar ‘Voor ik het vergeet’, een realityshow over mensen die niet meer weten wie ze ooit waren. Emo-tv schuurt tegen de grenzen van wat ik kan hebben. Als een voyeur kijk ik schaamteloos in het intieme leven van wie dat niet beseft, er niet heeft om gevraagd.
Morgen wordt er weer in iets geloofd.

Dinsdag 8 januari

Elvis Aaron Presley zou vandaag vierentachtig worden, mocht hij enige spaarzaamheid hebben betracht in zijn omgang met hamburgers en farmaceutica. David Robert Jones, Bowie voor vrienden en fans, kon vandaag tweeënzeventig kaarsjes uitblazen. Ground Control en Major Tom verbraken  helaas vroegtijdig de verbinding. Let’s Dance op deze dubbele verjaardag, op honderdzesenvijftig  Elvis- en Bowieplaatjes, alle Hounddogs nog aan toe.

Woensdag 9 januari

Velcro is de combinatie van de Franse woorden velours en crochet. De klittenband werd bedacht door een Zwitser, Georges De Mestral. Ik moest vanmorgen aan hem denken. Volgens mij moet hij het nog moeilijker dan ik hebben gehad om over zijn buik heen de schoenveters te knopen. Alvast hij  vond er iets op.
Op de loopband luisterde ik naar de ‘De wereld van Sofie’. Het ging over influencers, lui die via een blog of vlog het koopgedrag van volgers beïnvloeden en zich daarvoor laten betalen. Ik voelde me niet aangesproken.
“Het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen.”: deze diepgaande poëtische spitsvondigheid werd bedacht door de door mij zeer bewonderde Rick De Leeuw, toen hij nog een Tröckener Keckje was. Zo komt ook de controlearts des avonds. We zaten wat en praatten wat. Hij leek niet echt te genieten van zijn job. Dat gevoel herkende ik.

Donderdag 10 januari

Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. ‘Vlaams Belang in zee met Dries Van Langenhove’, kopt het nieuws. Strak plan: een tijdje laten meedrijven in de plastic soep. Boyan Slat werkt eraan. #Opkuisen.
Gelukkig zorgt de jonge medemens, de toekomst, voor het goede nieuws van de dag en voor de planeet. School’ s Out! Met drieduizend lieten ze de schoolbanken leeg om actie te voeren voor het klimaat. Iemand moet het doen. Dat is toch spijbelen? “We waren met vijfenzeventigduizend en niemand hoorde ons. Nu wel!” Een kus van de juffrouw. Go, go, go girls and boys.

Vrijdag 11 januari

Revenge is a dish best served cold.
Mijn medisch ondersteuningsteam adviseert: schrijf het uit je lijf.
‘Payback Time’, een Shakespeareske, kiemt in mijn hoofd. Een drama in drie bedrijven, waarin adviseurs de nieuwe koning als gieren omcirkelen in de schimmige catacomben van de macht. Zij misleiden de vorst met bedrieglijk gefluister en sluipen schimmig door de nachtelijke gangen, gewapend met scherp gewette messen om hun tegenstanders onverhoeds in de rug te treffen.
Blijft het volk ontevreden, zij kunnen het niet helpen. Hen treft geen schuld.
Nooit Verantwoordelijkheid Accepteren. Dat is zo hard eenentwintigste eeuw.

Winter is niets meer dan een verpozing tussen twee zomers.

Een vrolijk verhaal

Schrijven is je eigen werkelijkheid verzinnen. Dat kunnen, moet heerlijk zijn. Helaas, ik kan dat niet. Naakte feiten kan ik navertellen. Ik ben niet de kok, ik bereid alleen maar de recepten die iemand anders heeft bedacht. Fabuleren kan ik niets.

Naar waarheid, zo is het gegaan.
We waren op een feestje. Mensen zongen en dansten, blij en dronken. Er was eten en drinken in overvloed. In het halfduister weggedoken, deinde ik ritmisch mee. Een muurbloempje. Sinds ik mijn anonieme bestaan inruilde voor spotlichten en praatprogramma’s, valt het me alsmaar moeilijker in het openbaar te verschijnen. De meeste mannen laten je met rust, al merk je af en toe een streepje jaloersheid, de schaduw van roem en succes. Maar hoe sommige vrouwen je bespringen, wil je alleen maar weten zolang je het niet aan den lijve hebt ondervonden.

Ze sloop naar me toe. Voor ik het besefte had ze mijn ademzone ingenomen en staarde ik gebiologeerd in bruine, onpeilbaar diepe ogen. Een duur parfum, haar zwarte haren krulden over haar schouders, haar stem hees. Ik durfde de blik niet te laten zakken. “Ik heb het gelezen, het was weer héél mooi,” zuchtte ze, “de hele dag had ik tranen in de ogen.” Ze streelde even over mijn arm, een zwoele aai. “Weet je wat ik fijn zou vinden? Dat je me ook eens laat lachen… vertel je volgende keer eens een vrolijk verhaaltje? En mag ik nu een handtekening van je?” Ze knoopte langzaam haar zwarte bloesje open.

Toen schoof als een bodyguard mijn manager tussen ons. Zij is hoogblond, zong eertijds in een New Yorkse punkband en heeft amper van haar glans verloren. “Jij nog een gin-tonic, schrijvertje?” “Dank je Debbie, met ijs graag,” antwoordde ik mijn reddende engel. We schuifelden naar de bar. Ik was haar oprecht dankbaar. Zelfs handtekeningen op borsten etsen word je op een bepaald ogenblik beu. Dat is typisch zo een situatie waarvan je weet waar ze begint maar niet waar ze eindigt.

Nog diezelfde nacht schreef ik een lang gedicht aan mijn muze, waarin ik haar elegantie vergeleek met een opus van Bach, haar lach met parels van diamant, haar nabijheid met stralen van de zon. Het werd te intiem voor publicatie, kunst voor twee. Ik wiegde haar zachtjes wakker, las haar het gedicht voor. We snoepten ervan tot in de vroege uurtjes.

De volgende ochtend telde ik onze zegeningen. Het huis, de twee garages, de fruitbomen in de tuin, mijn werkkamer met bibliotheek, mijn snookertafel, haar fitnesstoestellen en klerenkast met inloop.
Kort stond ik stil bij onze vliegmijlen en bankrekeningen in binnen- en buitenland, maar ongelijkheid maakt me triest, dus gauw sloot ik de apps op mijn grijze Apple iPhone XS Max met 512GB opslagruimte, aanraakscherm van 6.5 “, besturingssysteem iOS 12. Ik weet het, € 1.350,20 exclusief btw is niet goedkoop. Kosten maken, adviseert de boekhouder.

Uit de twee high end luidsprekers schalde de val van de regering. De terminale patiënt was uitgehold. Dat moesten we erg vinden, al geloofde ik niet dat buiten de politieke bubbel nog veel mensen hier een drama in zagen.
Integendeel, er lagen tal van nieuwe kansen. We ontkurkten, het was al een eind na de middag, een fles rode wijn, we zouden vrolijk zijn. We vergaten het verleden, veegden sponzen over wat geweest was. We fantaseerden een toekomst, droomden een nieuwe wereld, er was genoeg voor iedereen, minstens zeven dagen lang.

We installeerden een Ministerie van Collectief Geluk en een Ministerie voor Waardig Oud. We zouden de Galapagos- en Kaaimaneilanden afschuimen en met de daar opgegraven schatten, onderwijs en ziekenzorg gratis maken en voor iedereen toegankelijk.
De Minister van Defensie werd er een voor Vrede, zijn leger zou niet meer met machinegeweren door de straten paraderen maar bejaarden vervoeren, kinderen van school halen en boodschappen doen voor hulpbehoevenden.
De Minister van Welstand maakte de levenskwaliteit van de mensen het belangrijkst, niet de job. Economie als middel, niet het doel.
De Minister van Mobiliteit werd Klimaatverantwoordelijke.
We schrapten het woord ‘Politiek’ uit het woordenboek en vervingen het door ‘Dienstbaarheid’.  Uittredende regeerders boden we de kans om in ónze wereld te integreren: Maggie werd verpleegster, Jan straathoekwerker, Bart coördinator voor gemeenschapsoverleg. Theo kreeg drie maanden om vanuit het Maximiliaanpark in Engeland te geraken. We gaven hem daarvoor elke week zestig euro leefgeld en een deken van paardenhaar.

We gingen naar bed. Ik poetste mijn tanden en vroeg: “Leven we hier en nu niet op een fantastische plek? En ziet morgen er niet heel hoopgevend uit?”

“Ja,” zei ze. Ja.