Op een avond ging de telefoon.
Mijn beltoon is de titeltrack van Peaky Blinders, een serie waarin niets ontziende schurken plunderen, roven, stelen, dus ja, ik weet het, ik was gewaarschuwd. Toch nam ik op.
Met het enthousiasme van een sprekende klok beweerde een vrouw te spreken namens mijn bank. De cyberbeveiliging had een verdachte transactie geblokkeerd. De over te maken som was tienmaal groter dan het saldo op mijn rekening. Wellicht was hier fraude in het spel. Dat leek me wel zeker. Ik had die dag zelfs helemaal geen aankopen gedaan.
‘Dank u wel,’ prevelde ik. Om te weten hoe het met mijn bankkaart verder moest, raadde ze me op toets 1 te drukken.
Zegt u maar niets. Ik weet het zelf ook wel.
1, drukte ik. Een van mijn vele zwakheden is dat mijn hart het nogal makkelijk wint van mijn verstand.
‘Goedenavond,’ begroette me een vriendelijke mannenstem met Hollands accent, ‘zegt u het maar.’
‘Zegt u het maar,’ pareerde ik meteen, pissig omdat ik weer ergens was verzeild waar ik helemaal niet wilde zijn.
‘U heeft mij gebeld,’ bleef de man rustig.
‘Omdat u mij gebeld heeft,’ kaatste ik meteen terug. Een beetje bot, maar toch ook met reden. In mijn filosofie heeft een man het recht om ’s avonds ongestoord naar pulp op televisie te liggen gapen. Wordt deze jongen in die bezigheid gestoord, dan kan hij daar behoorlijk pissig van worden. U kent natuurlijk enkel maar mijn zachte kant, weet dat er ook een pitbull in mij woont die vervaarlijk durft bijten en niet meer loslaat. Had ik u al gezegd dat het inmiddels tegen tienen was?
‘Even kijken,’ zei de man, onverstoord als een slangenbezweerder op een spijkerbed. ‘U belt met dit nummer. De Schrijver, klopt dat? Goed zo. Uw rekeningnummer begint met de cijfers 1 2 3 4, klopt dat ook?’ Ik ben niet dom. Onder geen enkele voorwaarde geef ik het nummer van mijn rekening door via de telefoon. Maar deze noorderling kende het blijkbaar toch al.
‘Klopt,’ zei ik.
‘Goed zo,’ zei de man weer. ‘U bent duidelijk het slachtoffer van phishing.’ Plots voelde ik me een geel plastieken eendje met een ring op mijn rug en een nummer op mijn buik, drijvend in een bassin met stromend water. Wie zijn hengel door het haakje krijgt, vist naar een vette prijs.
‘Zullen we die transactie dan meteen maar annuleren?’ vroeg de man.
‘Knap dat jullie dat meteen hebben opgemerkt,’ antwoordde ik opgelucht. Zijn warme stem, de besliste aanpak waaruit kennis van zaken sprak, ik voelde me in veilige handen. Soms heeft ook een man dat nodig.
‘Weet u wat nu het probleem is?’ vroeg de man. Dat wist ik niet. Voor zover ik wist, had hij het probleem net al opgelost.
‘Mensen met slechte bedoelingen zijn blijkbaar op een of andere manier aan uw rekeningnummer geraakt. Misschien is het maar best uw kaart meteen ook maar te blokkeren. Dan ontvangt u binnen een dag of twee, drie van ons een nieuwe. Kan u dat overleven?’ Natuurlijk kon ik dat. Ik weet plekken op de wereld waar men erger dingen moet doorstaan. Minneapolis, om zo maar wat te noemen.
‘U doet maar,’ zei ik. Dat leek me slim. Ook met weinig geld op de bank weet je niet wat gehaaide criminelen met je bankkaart kunnen uitspoken. Plunderen. Roven. Stelen. Bovendien fantaseer ik al een leven lang over het onthechte bestaan van de dichter die leeft van ochtenddauw, liefde en honing uit de hemel. Daar kreeg ik nu alle kansen toe.
‘Ogenblikje,’ zei de mijnheer, nog altijd even kalm en bedaard. ‘Dan zou u nog een dingetje voor me moeten doen. Kan u voor mij de resterende cijfers van uw rekeningnummer even dicteren?’ Net zoals mijn liefde voor de medemens overschat men soms ook mijn domheid. Alles in dit leven is begrensd. In mijn hoofd zag ik de Peaky Blinders op oorlogspad.
‘Dat kan ik zeker …,’ antwoordde ik achteloos.
‘Dan heb ik dus 1 2 3 4,’ zei de man.
‘En dan veel vijven en zessen,’ vulde ik aan. Ik liet die cijfers even zinken. Aan de andere kant van de lijn bleef het stiller dan een nachtelijk sneeuwlandschap in de Stille Kempen.
Toen hoorde ik de klik.
Voor alle zekerheid de volgende dag toch maar even naar mijn bankkantoor gebeld.
‘Alles in orde hoor,’ verzekerde die vrouw. Ze lachte: ‘Over die habbekrats op uw rekening hoeft u zich absoluut geen zorgen te maken.’
Goed gedaan, schrijvertje, klopte ik mezelf op de borst. Wie mij wil vissen, zal toch in een betere hengel moeten investeren.

Écht weer één van jouw mooie persoonlijke verhalen🤩
LikeLike