In de hectiek van het dagelijks bestaan is het u wellicht ontgaan, maar in de schaduw van de MIA’s werden deze week ook de BIA’s uitgereikt, de BoekenIndustrie Awards zoals we dat zo mooi in onze moerstaal zeggen. De Sprekershoek viel vlotjes in de prijzen. Niet alleen winnaar in enkele kleinere categorieën als Eeuwigste Belofte, Trouwste Lezerspubliek – een prijs voor u, dank u wel daarvoor – en Milde Ironie, aan het einde van de avond ook de absolute triomfator toen me de oppergaai, de gouden schoen in letterland zeg maar, werd toegekend.
De Pommelien van de Pen, u weet dat, is in het berglandschap van de schrijverij de allerhoogste top.
Mijn leven zou gans anders worden.
Men zou mij voortdurend vragen als deskundige in praatprogramma’s, mijn mening over zowat alles doet er voortaan toe. Een vrolijk jurylid zal ik zijn in populaire quizzen, hoofdattractie op voorleesavonden en literaire festivals, presentator van modeshows, host bij filmpremières, ceremoniemeester op huwelijken van bekende mensen. Die alomtegenwoordigheid zal zich uiteraard niet alleen vertalen in roem en waardering maar ook mijn saldo op de bank tot ongekende hoogten stuwen. In restaurants zal de maître mij de beste tafel wijzen, mijn werk wordt opgenomen in de canon, integraal en ongecensureerd, de vakpers zal mij overvloedig prijzen en ook op sociale media niets dan lof.
Vanaf vandaag zal ik een voorbeeld zijn. Voortaan zal ik signeren met het motto numquam desperandum, Latijn voor Wanhoop Nooit. Ik zal gratis clinics geven aan aanstormend talent, benadrukken dat succes heus niet uit de bomen valt, geen kwestie is van stom geluk maar slechts verkregen wordt door tomeloze inzet, onmetelijk geduld en een onwrikbaar geloof in eigen kunnen en dat een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken.
Mijn leven zal zich uiteraard naar mijn nieuwe status moeten schikken. Een oud landhuis zal ik kopen, met vele kamers en uitzicht op een uitgestrekte tuin, in het midden daarvan een vijver, aan de einder een prieel om bij valavond te aperitieven. Een tuinman voor het snoeiwerk, knechten en meiden onder toezicht van een strenge dame voor de huishouding en mijn agenda laat ik beheren door een dame op jaren die in tal van internationale organisaties de strepen op haar mantelpakje heeft verdiend.
‘Is alles naar uw wens?’ zal zij elke ochtend vragen wanneer mijn kleine gouden lepel het zacht gekookte scharrelei aantikt. Wanneer ik dan tevreden knik, overlopen we samen de agenda van de dag.
‘In de voormiddag wordt u in uw geboortedorp tot ereburger benoemd,’ zal zij melden. Daar zal ik blij om zijn. Ik zie het als een eer te worden gefêteerd op de plek waar ik meer dan een halve eeuw geleden op de wereld kwam. Ach, hadden mijn ouders dit nog maar mogen meemaken.
‘De lunch gebruikt u met de burgemeester van onze stad en haar bejaarde echtgenoot. Zij zal u vragen uw laatste werk met een hoogstpersoonlijke opdracht te signeren. Ik dacht iets als Een teken van genegenheid voor een bijzonder iemand?’
‘Dan zou ik eerder zeggen: Het lot is grillig, jouw wil wijst de weg,’ in de schier onleesbare hanenpoten die een schrijver eigen zijn. Mysterieus en toch ook iets om over na te denken.’
‘Na de middag knipt u het lintje door van dat museum waarvoor u onlangs de openingsrede schreef, weet u nog?’
‘Dikke duiten voor weinig werk,’ zal ik monkelen, een gedachte die ik vanzelfsprekend nooit zou vermelden in het openbaar.
‘Volgt het avondlijk welkomstdiner voor het personeel. 25 couverts alles bij elkaar. Iets eenvoudigs, dacht de chef. Een kervelsoep met balletjes, een malse kippenbout in dragonsaus met daarbij een witloofstronk en een toefje knolselderpuree. Misschien een crême brûléetje na?’
‘Klinkt verrukkelijk.’
‘Daarna dan La Traviata in de opera, een uitnodiging van Het Hedendaags Genootschap voor Moderne Muzen. Vanaf een uur of elf heeft u dan alle tijd voor uzelf,’ waarop mijn bevallige agendabeheerder elegant een halve draai zal maken om haar eigen as en met de haar aangeboren klasse wiegend op haar hoge hakken de kamer uit zal lopen.
Dat alles flitste tijdens de ceremonie op het podium door mijn hoofd. Plots werd ik bevangen door paniek. Zou dit mijn nieuwe leven worden? Heel de dag tussen de mensen? Vriendelijke knikjes links en rechts, glimlachjes uit blik, gemaakt vrolijk kijken naar het vogeltje, keuvelen en kallen over kalfjes en koetjes, ijle ademwolkjes in de wind?
Wat dan met mijn vrije tijd? Met die honderdduizend mensen in mijn hoofd? Al die verhalen die nog woorden zoeken? De plots, intriges, emoties? Wat met u, Trouwste Publiek? Een schrijver moet toch schrijven, net als een bakker bakken moet en een koetsier zijn postkoets poetsen?
‘Dank u maar toch liever niet,’ mompelde ik toen en ijlings liep ik van het podium waardoor het evenement geen finale kende, derhalve ook niet op televisie werd gebracht en niemand erover meldde in de media.
Waarschijnlijk ook daarom dat u er nog geen woord over had gehoord.

Komt binnen als een dagdroom tussen verlangen en afschuw, erkenning en angst, nieuwsgierigheid en ‘ik hou mijn voetjes op de grond’…. Of zoiets 😉
Enfin, een filosofische wandeling waard laat ons zeggen.
LikeLike