‘Waarom heet hij Timmy?’ vroeg het meisje op het bankje tegenover me in het plantsoen voor het Centraal Station. Onmogelijk niet te kijken en het gesprek te horen. De vrouw met de zonnebril legde een bont jasje op haar schoot en haalde haar ontblote schouders op.
‘Tja, waarom? Dat is gewoon zijn naam.’
‘Ik vind het een stomme naam,’ pareerde het meisje kordaat, ‘en helemaal voor een vis.’ In een flits vroeg ik me af wat de Timmy’s die ik ken daarover dachten.
‘Hier,’ zei de vrouw. Uit haar handtas toverde ze twee spekken tevoorschijn, wit met roze, precies de kleuren van het jurkje en de schoenen van het meisje. Minstens een halve eeuw geleden dat ik dit snoepje nog had gezien. Het meisje propte de lekkernij zonder veel omhaal helemaal in haar mond. Verwoed kauwend vroeg ze:
‘Hebben zijn mama en zijn papa hem dan zo genoemd?’
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde de vrouw. De klok op het stationsgebouw wees nog niet eens naar de tien, toch klonk ze al enigszins vermoeid. Ze stak haar neus in de lucht en leunde achterover, zoals alle vrouwen overal ter wereld wilde ze geen straaltje van de eerste voorjaarszon verloren laten gaan.
‘Ik denk van niet, oma,’ ging het meisje onvermoeibaar door zoals meisjes dat nu eenmaal kunnen. De oma haalde diep adem. Het was de eerste dag van een lang weekend. Ideaal voor de mama en de papa om even weg te vluchten uit de maatschappij. Quality time doorbrengen met elkaar, detoxen noemde haar dochter dat. Meteen ook kans voor oma om haar kleinkind mee te tronen naar de grote wilde dieren in de Zoo, zoals zij het zelf een halve eeuw geleden met haar eigen oma ook nog had gedaan.
‘Mocht ik een walvis zijn, ik zou hem Zwemmer hebben genoemd, of Vinnetje. Of Fonteintje.’ Ach, hoe rijk toch de verbeelding van een kind. Ik legde de schoolmeester in me meteen het zwijgen op. Die rol was uitgespeeld. Met de hedendaagse technologie kostte het de oma, of nog eerder misschien het meisje, niet meer dan vijf minuten om te achterhalen dat die walvis die nu al dagenlang voorrang kreeg op alle wereldbranden, zijn naam ontleende aan de plek waar hij voor het eerst was gezien: het Timmendorfer Strand aan de Duitse Oostzeekust.
‘Ik zou het echt niet weten, kind’, zuchtte de oma. ‘Zullen we het seffens in de Zoo een keer vragen?’
Ik beeldde me in hoe achter de donkere glazen van haar bril de ogen van de oma langzaam dichtvielen. Een seconde soezen, een powernapje zou haar dochter zeggen. Op haar leeftijd altijd een welgekomen luxe. Ik wist, er stond haar nog een lange dag te wachten, een dag van duizend vragen en nog meer geduld. Vandaag en morgen en de dagen die daarop volgen. Ontgiften, had haar dochter uitgelegd, doe je het best in een spa in de Ardennen en duurt bij voorkeur een lang weekend lang. Losgekoppeld van de wereld, vrij van internet en telefoon.
‘Toen ik zo oud was als jij nu,’ begon de oma een verhaal, ‘kende ik ook een heel beroemde vis. Enfin, een dolfijn, strikt genomen niet echt een vis. Dat doet er nu even niet zo toe. Die was heel bijzonder. Elke week opnieuw redde hij iemand het leven.’
‘En jij hebt die echt gekend, oma?’ De bewondering in de stem van het kind was ontroerend.
‘Nu ja, van op de televisie,’ gaf oma lacherig toe. ‘Kom, we gaan.’ Beringde vingers sloten zich om de kleine kinderhand.
Ik keek ze nog een tijdje na, de oma en het kind.
Ook ik herinnerde me Flipper nog. En ook nog Ed, het sprekende paard. En Lassie, de hond die duizendmaal beter naar zijn baasje luisterde dan het mormel bij ons thuis dat mijn vader van de straat had opgepikt. De dieren bij ons thuis kregen toen ook allemaal een naam. De schildpadden Knolleke en Jeroom, de kanarievogels Pietje 1, Pietje 2 en Pietje 3. De hamsters Leo en Gaston. Zelfs de drie goudvissen. We hadden ze gewonnen op de kermis. Ze leken zo erg op elkaar dat we ze niet uit elkaar konden houden. Toch gaf ik ze een naam. Elke dag stond ik ernaar te kijken. De vis die het eerst naar me kwam toe gezwommen, noemde ik natuurlijk Flipper. Wie van de andere twee het snelst een andere richting uitschoot, noemde ik Mark Spitz, naar de beste zwemmer van de wereld.
De derde noemde ik gewoon Vis. Niet meer, niet minder. Zoals miljarden andere vissen overal ter wereld zwom hij braaf zijn rondjes, zonder precies te weten waarom en waar naartoe. In hem herkende ik nog het meest mezelf.
