Die Deutsche Bahn

          Zo werd het ons met de kinderpap ingelepeld: Hollanders waren gierig, Fransen nonchalant, Engelsen dronken te veel en Duitsers waren in alles altijd ordelijk en stipt. Wij, Vlamingen, waren een gezellig volkje, Uilenspiegels, ietwat tegendraads, maar open en gastvrij.  

          Vanzelfsprekend stuurt het leven die stereotypen een beetje bij. Wij zijn minder fraai dan we onszelf graag in de etalage zetten en de anderen zijn ook maar gewone mensen met hun hebbelijkheden en gebreken.
          Maar toch.
          De Franse slag, er is iets van aan. En de Nederlander geeft nog altijd blijk van een diep doordrongen koopmansgeest. Dat merkte ik onlangs nog.
          Ik maakte een reisje in select gezelschap: twee Brusselaars waarvan een perfect vijftalig, twee Antwerpenaars waarvan een redelijk bescheiden, iemand uit Brabant en een man uit Nederland. In de shop van het Museum voor Design in Ülm kon je allerhande gadgets kopen, waaronder ook een brillendoos. Klapte je die open, dan zag je een motief in rood en zwart. Klapte je nog een keer door, dan kreeg je blauw en geel. Een waar wonder, ik snapte niet hoe het kon. Iedereen dook meteen in de portefeuille. Ik niet. Mijn nachtkast puilt uit van brillendozen die ik nooit gebruik en dingen kopen die ik niet begrijp kan mijn arme hoofd niet aan. Die elf euro vijftig hield ik in mijn binnenzak. Grote consternatie die avond bij het diner. Tussen de schnitzels en de pullen bier ging het van paste jouw bril in het doosje over neen bij mij ook niet tot zelfs mijn leesbril kreeg ik er niet in.
          ‘Lukte het bij jou?’ vroeg mij de Nederlander, die Edwin bleek te heten. Nederlanders heten heus niet allemaal Joop of Kees of Klaas zoals wij in onze korte broekenjaren graag beweerden.
          ‘Ik heb er geen gekocht,’ stamelde ik, ietwat verlegen omdat ik zoals die zuinige vader uit het lied van Driekoningen mijn geld op een rooster had geteld.
          ‘Nou,’ zei toen die Edwin, ‘je kan altijd nog het mijne overkopen. Achttien euro en dit wonderdoosje is van jou.’ Wellicht was hem als kind de fabel van de domme Belg ingelepeld.

          Wat helemaal niet klopt, is het verhaal over de Deutsche Gründlichkeit. Die Deutsche Bahn, jongens, jongens, wat een zootje is me dat! Geloof het of geloof het niet, onze eigen NMBS is een toonbeeld van stiptheid en organisatie vergeleken bij de puinhoop die men er ginds van heeft gemaakt.
          Daar stonden we dan, vorige zondag, ruim op tijd in Ülm in de zon op het perron. Ticket naar Brussel vooraf geregeld en betaald, voor die ene overstap in Frankfurt hadden we vijfentwintig minuten. Zelfs voor een man op jaren tijd genoeg om van spoor 6 tot bij spoor 7 te geraken. Ik verheugde me op enkele uren van lekker lezen, soezen en dommelen op het ritme van de wielekes en het akke akke tuut tuut weg zijn wij.

          Tot het digitale bord op het perron liet weten dat onze Zug een half uurtje later zou arriveren. Dat wilde dus zeggen, vijf minuten te laat voor onze overstap. Eerst hield ik er de moed nog in. Die tweede trein had vast en zeker ook vertraging, zo gaat dat bij ons toch ook? Toch speelden we liever zeker. De stationschef schreef een nieuwe route voor ons uit: met onze trein tot Mainheim, daar een overstapje en we zaten weer op het juiste spoor.
          Edoch, die verdammte Deutsche Bahn alweer. Ook onze alternatieve trein was niet op tijd. Werken aan het treinstel zei een holle stem. Dat klonk net zo geloofwaardig als die jongen die altijd te laat op school komt omdat de ketting van zijn fiets er voortdurend afloopt.
          Ik toverde mijn beste aus bei gegenüber mit nach seit von zu tevoorschijn en ook op deze trein bood een vriendelijke begeleidster hulp. Met een klein handtoestel drukte ze plan C af op een papiertje ter grootte van een kasticket. Van Mannheim naar Keulen, van Keulen naar Brussel, van Brussel naar huis. Is niet reizen ook altijd een beetje avontuur?

          Lang avontuur kort.
          Mannheim – Keulen: check. Keulen – Brussel: check!
          Zo leek het even. Tot een nogal pünktliche treindienaar naar ons Eurostarticket informeerde. Dat hadden we dus niet. Van het kleine kasticket wilde hij niet weten. Integendeel, hij werd warempel een beetje boos. Misschien werkt hij niet graag op zondag. Bars stelde hij ons voor de keuze: per kop 80 euro bijbetalen of de eerstvolgende stop eruit.
          Toen dacht ik aan wat mijn dochter mij heeft geleerd. Discussiëren helpt niet, beweert zij altijd, je moet medelijden wekken. Ik ben beginnen huilen als een baby. De tranen biggelden me over de wangen. De hals van mijn T-shirt raakte in een mum doorweekt. Mensen keken op, bestookten de treinbeambte met boze blikken, helemaal toen ik door de knieën ging en liggend op de grond om mijn overleden moeder begon te roepen.
          De conducteur werd prompt een ander man. Een oude man zien huilen kon hij duidelijk niet. Goedmoedig hielp hij me recht.
          ‘Het is goed, jongen,’ klopte hij me op de schouder. Zonder verder poespas mochten we tot Brussel mee. Daar kwam ik net op tijd om de trein naar Antwerpen voor mijn neus te zien vertrekken.

Plaats een reactie