Zoals in dat liedje over de zomer begon het zowat in mei.
Met een grapje: haha, wanneer is de bevalling? Daarna een achteloos welaan, kijk hier, de man van ’t goede leven, rond en gezond? Of een luchtig doe jij nog iets van sport? Onschuldig zou je denken, even slopend evenwel als die plompverloren opmerking over de dop van de tube tandpasta die uitloopt op een scheiding waar nog net geen bijl wordt bijgehaald.
De mopjes, toespelingen en vragen balden zich in mijn maag tot een prop die groeide als een toverbal. Mijn hoofd sloeg aan het tollen, één plus één plus één werd drie, zes, negen en toen ik op een ochtend in de spiegel keek, zag ik wat die mensen me al maanden wilden zeggen: er stond een olifant in de kamer en die olifant was ik. Dat een fragiel skelet zoveel vlees kan dragen, een waar wonder der natuur! Van baby tot homp, ze zouden er een documentaire over kunnen maken! Je kan het je niet inbeelden! Zo hebben mijn ouders mij toch zeker nooit bedoeld? Dat krijg je natuurlijk, na jaren van ééntje is toch geentje en misschien kunnen we daarbij ook nog een kleinigheidje eten? Een bitterbal, een vleeskroket, een curryworst speciaal? Van een lekker snackje is nog niemand doodgegaan, tenzij die advocaat uit dat kinderlied die zich verslikte in een graat.
Eerst maalde ik er niet om. Samen met je jeugd verdampt immers ook de ijdelheid. Schoonheid kent verval, wijsheid komt in de plaats. Drift wordt berusting, ambitie wordt aanvaarding. Toch kent alles ook zijn grenzen. De zomershort bleek plots te klein, het hemd spande om de pens, ik kon mijn eigen zwembroek niet meer zien.
Dus greep ik de stier waar je ze grijpen moet, niet bij de ballen maar bij de horens. Ik kocht een nieuwe koersfiets en ging heel modern met mezelf aan de slag. Alleen nog sla met koude groenten zou ik eten, tomaten en komkommer, de ene dag gepimpt met scampi, een andere met korrelige Griekse kaas, mijn dorst leste ik alleen nog maar met water uit de kraan.
Meten is weten, dat wist ik nog van vroeger. Ik investeerde in een meettoestel, tot op de microgram nauwkeurig, zo stond het op de doos. Dat bleek helaas een kemel van formaat, een misslag, een flater, de tube zonder dop. Zo voelde zich vast ook de Trojaan toen hij dat paard had ingehaald. De vijand bevond zich nu in eigen huis, stil en onopvallend, als een vloertegel tussen wastafel en inloopdouche, antraciet van kleur met enkele zilveren vlakken waarop je met je voeten moet gaan staan. Waar anders zou je dan je voeten zetten, vroeg ik me vluchtig af, maar de drang om mijn leven te gaan beteren onderdrukte elke kritische gedachte. Het ding zou toch niet reageren, dat lag daar maar te liggen, onschuldig ogenschijnlijk, als een alligator bij de oever van het water.
Ik leed aan regelrechte afvaldwang.
Elke ochtend prevelde ik onder een koude douche nederig mijn gebed: o heer, laat het vandaag als het u belieft wat meer door minder zijn, laat de cijfers dalen zoals die van een scholier bij een PISA-toets, geef me een getal dat sterkt, motiveert, stimuleert tot nog strenger dieet van noten en mandarijnen, yoghurt en thee van gember met jasmijn. In mijn hoofd stelde ik me dan een streefgewicht, een bovengrens waarop ik na weken van versterving en algehele geheelonthouding recht meende te hebben.
God en de bascule zijn wreed en ongenadig.
Die weegschaal bleek mijn Lorelei, mijn bloedeigen sirene op een ruwe rots die lonkt met een onweerstaanbaar lied van belofte, elke ochtend weer vaart mijn vlezig schip op haar te pletter. Haar display licht op, stralend blauw als een bergmeer in de zomer. Nooit helaas komt zij aan mijn verwachting tegemoet. Nooit toont zij het verhoopte resultaat. Eerder doet ze er nog een onsje bij, soms laat ze de status quo, zelden mag er een pondje af.
Ontmoedigd slof ik naar de keukenkast. Droge crackers dan maar weer? Of beter nog yoghurt met wat fruit? Een beschuit met platte kaas misschien, met daarbij wat lente-ui in fijne snippers? Dan breek ik. Ik word weer helemaal mezelf. Full British wordt het deze ochtend, met toast en spek en witte bonen in tomatensaus, een ei of twee en een stuk of wat in vette boter krokant gekorste worstjes. Want, denk ik dan maar, wat maakt het allemaal ook uit wanneer straks Magere Hein me met zijn zeis staat op te wachten? Een mens leeft maar één keer. Dus leg ik ook nog gauw wat biertjes koud voor in de avond, een flesje witte wijn daarbij, Straks haal ik nog wat kaasjes, salami en zoute chips.
Hoe het dan verder gaat, dat zien we morgenochtend dan wel weer.
