Als Reizende Reporter voor Reisgoesting doorkruiste ik de voorbije dagen met een oldtimer het Groningse achterland. Aan het stuur een Nederlander, twee meter om en bij, vranke blik en niet om een mondje verlegen.
‘Wat deed je dan in je vorige leven,’ vroeg hij me nadat ik hem had opgebiecht al jaren met pensioen te zijn. Die vraag doet me altijd lichtjes krimpen, alsof ik me ergens om moet schamen.
‘Ik gaf les,’ mompelde ik. ‘In een beroepsschool,’ gooide ik er als een soort verontschuldiging meteen achteraan.
‘Leuk,’ vond de man, ‘een mooi beroep. ‘Moeilijk zat, lijkt me wel.’
‘Ach, die jongens hadden het vaak moeilijk met rekenen of taal maar ze beschikten meestal wel over een stel gouden handen. Ok, korte lontjes, vaak nogal recht voor de raap. Je wist gauw met wie je te maken had. Maar met een kleine knipoog, een glimlach en een hoop vertrouwen kon je er een eind mee weg. Ik heb dat erg graag gedaan, me al bij al geweldig geamuseerd.’
‘Heerlijk toch?’ zei de man. ‘Jij bent vast een geduldig man, met veel inlevingsvermogen.’ Daar had ik niet meteen wat tegenin te brengen.
In de stilte van het Gronings hinterland dwaalden mijn gedachten terug naar die jaren, mijn leerlingen, mijn collega’s. Natuurlijk is niet elke herinnering even fraai. Tussen alle koren zit ook kaf. Dat is bij de politie zo, in de politiek, de snorrenclub. Overal. Maar, het mag melig klinken, van al wie voor de klas gaat staan, doet het leeuwendeel dat met idealen en ambities, uit liefde, vaak met een totale overgave en een haast grenzeloos engagement.
De leerkracht vandaag heeft het niet makkelijk, bedacht ik. Iedereen die ooit een dag naar school ging, denkt te weten hoe dat moet, lesgeven. Zoals iedereen ook bondscoach is, eerste minister of beste stuurman op de wal.
Elke dag moet de leerkracht horen hoe de kwaliteit van zijn werk daalt. Men slaat met OESO-rapporten om de oren. Geen woord daarbij over de loodgieter die vlekkeloos een nieuwe leiding legt, de tuinier die van je woestenij een plaatje maakt, de metser die je huis optrekt. Integendeel, alles gaat alsmaar achteruit en dat alles is jouw schuld. Jij pampert te veel, toont veel te veel begrip, eist te weinig. Hoe kan het ook anders? Je werkt nauwelijks twintig uurtjes in de week, vier maanden op een jaar doe je zelfs helemaal niets.
Nee, zegt men. Gedaan daarmee! Daar mag weleens het zweepje overheen, die stal dient uitgemest.
Ook zelf zingt de leraar graag een klaaglied mee.
Weten de mensen dan niet hoe zwaar en moeilijk alles is?
Kinderen worden altijd maar mondiger en vrijmoediger. Al die paperassen ook de hele tijd. Lessen moeten voorbereid, een jaarplan opgemaakt, de agenda bijgehouden, leerlingendossiers aangevuld. De ouder komt alsmaar vaker om verhaal. Komt ook nog de directie bij, de inspectie bovenop. En het beleid werkt ook niet altijd mee. Hier wordt beknibbeld, daar nog meer bespaard. De kinderen van morgen hoeven niet te kreunen onder onze schulden, laat die van vandaag dan maar het duupje zijn. Plus, opwarming van de aarde, oorlog in de wereld, twijfels over gender, moeilijkheden thuis, ruzie met het lief, geen nood, de leerkracht weet het antwoord wel.
Toch kan hij ook een ander deuntje fluiten.
Over het compliment van de buschauffeur na de uitstap. De lach van de oud-leerling op de zaterdagse markt: hé, ik heb nog bij u in de klas gezeten, weet u nog? Het opgewekte goedemorgen mevrouw, mijnheer, elke dag. De blinkende ogen van de moeder bij een nieuwe laatste kans voor haar balorig kind. Het dank u bij een schouderklop of compliment.
Eindeloze groene weiden. Paarden. Koeien. Schapen.
‘Ik wou je nog vertellen,’ brak de man ons zwijgen, ‘elf jaar geleden overleed mijn zus.’ Dat viel als een ijsblok op mijn hoofd. Pas vanochtend hadden we elkaar voor het eerst ontmoet! Ik kon wel horen dat het hem nog altijd pijn deed.
‘Een propje in de longen, niets aan te doen.’
‘Wat erg,’ zei ik maar. Want ja, wat moet je?
‘Zij stond ook voor de klas. Groep 8, de elf-, twaalfjarigen zijn dat bij ons.’
‘Ok.’
‘Elk jaar komen we samen bij haar graf. Familie, vrienden, kennissen uit de buurt, je kent dat. Een woordje, een minuutje stilte, een praatje achteraf.’
‘Mooi.’ Zelfs een schrijver valt weleens zonder woorden.
‘De laatste keer was daar ook een jonge man. Hij was er eerder ook al bij geweest. Ik stapte naar hem toe en vroeg: wie ben jij eigenlijk? Wat heb jij met mijn zus? Drieëntwintig was hij nu. Toen mijn zus overleed, zat hij bij haar in Groep 8. Voordien, vertelde hij, werd hij op school vreselijk gepest, zo erg dat hij geen zin meer had om nog te blijven leven. Mijn zus had dat gekeerd. Dankzij haar was het pesten opgehouden. Uw zus, zo zei hij dat, heeft mijn leven veranderd. Dat zal ik nooit vergeten.’
Dat iedereen ook daaraan even denkt, komende week, wanneer de puntenboekjes worden uitgereikt.
