De zomer van 1976

          In de zomer van 1976 klom de dagtemperatuur zeventien keer boven de dertig graden. Dat lees ik in de nieuwsberichten en ik geloof die mensen nog.
          Ik herinner me van die zomer niet zoveel. Tegen de hitte knoopten we een natte zakdoek op ons hoofd en zwommen vaak in open water. Misschien mocht dat toen ook al niet, we deden het toch. Lucien Van Impe won de Ronde van Frankrijk. Met een magistrale strafschop kroonde Antonin Panenka Tsjecho-Slowakije ten nadele van West-Duitsland tot Europees voetbalkampioen. Twee landen die inmiddels van de kaart verdwenen zijn. Een magenta VW-camionette bracht elke avond op de tonen van Eine Kleine Nachtmusik verkoeling in de vorm van ijs in drie smaken: vanille, mokka en chocola. En drie sauzen: aardbei, citroen en wederom chocola.
          Ik dacht dat in die zomer ook Elvis overleed. Dat dacht ik fout. The King zong zijn laatste liedje live op 26 juni 1977, I can’t help falling in love. Twee maanden later steeg hij ten hemel.   

          Achttien was ik in de zomer van 1976.
          Te jong nog om te mogen stemmen, een eigen rekening te beheren of condooms te kunnen kopen bij de apotheker. Oud genoeg om het leger in te moeten. Gelukkig liep ik toen nog school. Ergens onderweg had ik een jaar verbroddeld. Weerspannig en opstandig was ik geweest wellicht, waarschijnlijk ook een weinig eigenwijs. Scherp van tong en moeilijk het zwijgen op te leggen, menig leerkracht werd niet blij van mijn eerbiedloze puberhumor. Vast heeft mijn moeder me luiheid verweten, vast heeft mijn vader me een parasiet genoemd. Helder was de regel in ons huis: één schooljaar kon je overdoen, een tweede keer kon je met je boterhammen in een kabas de hort op. Je kwam er niet meer in voor je een job gevonden had.

          Werken deed ik overigens wel, die lange hete zomer lang.
          In juli was ik hulpje bij een brouwer die elke ochtend wilde weten hoe het met mijn moeder ging. Wellicht zag hij in mij een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de liefde, een aarzelende openingszet met weinig slaagkans op de knieval van de koningin. Dat bleek ook dra. Zelden beroep ik me op mijn kwaliteiten maar de klunzigheid van mijn beide linkerhanden is nagenoeg ongeëvenaard. Een rechte scheiding kammen in mijn haar lukt me maar zelden, wanneer ik een nieuwe lamp indraai valt de ganse wijk zonder stroom. Kratten bier, melk en limonade versjouwen bleek al snel een taak die mijn vaardigheden ruimschoots oversteeg, een vat van vijftig liter Stella zonder ongelukken het keldergat in rollen, gewoon onmogelijk. Na twee van de beloofde vier werkweken moest de aanbidder van mijn moeder mij noodgedwongen laten gaan. Daarmee bezegelde hij meteen zijn eigen lot. Een moeder kiest toch altijd in de eerste plaats partij voor haar eigen kind.

          Ook in augustus bleef het warm.
          Ik vond een tweede baantje bij een groothandelaar in ijzerwaren. Bij alle magazijniers gutste het zweet van de rug. Niet bij mij. Ik zag mijzelf toch meer als een koning van de nacht. De dag diende om energie te sparen. Rust en verkoeling vond ik in het duister achter de achterste rayons, tussen de klinknagels en het staaldraad. Na tien dagen kreeg het magazijnhoofd me in de gaten: ‘Hé, jij daar, ik hoor dat jij hier ook komt werken? Wanneer begin je hier precies?’

          In de koelte van de avond – er was meer groen, minder verkeer en beton in die dagen – knutselde ik voor ik op café ging eerst een gedicht in elkaar. Mijn eeuwig lijden aan het leven, bodemloze zielenpijn en aanhoudend gestuntel met vriendinnetjes vormden onuitputtelijke inspiratie. Het ene na het andere lief stuurde me terug naar de woestijn van Anonieme Zelfbevlekkers. Stuk voor stuk meisjes die geloofden in hard studeren, fruit en groenten eten en wachten op het groen voor je de straat oversteekt. Zong Paul Simon dat er vijftig wegen waren om je geliefde te verlaten, alle leidden ze naar café Spike.
          In mijn zolderkamer doopte ik mijn ganzenveer in zelfbeklag. Twee bundels rijmelde ik bij elkaar. Over Grenzeloze Eenzaamheid en Ongekend Liefdesverdriet. De eerste kan ik best O Lieve Heer Heb Medelij hebben genoemd en de tweede dan misschien Nog Meer Meelij. Verzen met beelden van bloemen en bloesems en woorden als spleen en Sehnsucht. En natuurlijk ook jou, blauw en trouw. Terugkijkend besef ik, ik had heel wat kunnen worden in de wereld van het Vlaamse levenslied.

          Wat ik me van die zomer nog goed herinner is de angst voor de opengesperde muil van de grote, boze wereld.      
          Samen met mijn leraren en ouders vroeg ook ik mij af wat er van deze jongen wel moest worden. Veel kon ik niet, ambitie had ik nog minder. Wars was ik van verantwoordelijkheid, nooit wilde ik volwassen worden, nimmer streefde ik naar vrouwtje, huisje, tuintje en een baan tot aan je sterfdag. Met Bob Dylan wilde ik wat tijd in Mozambique, met Fats Domino vrijheid vinden in Blueberry Hill, met Kris De Bruyne naar Amsterdam desnoods.
          In Amsterdam ben ik intussen wel al een keer of wat geweest.

          Soms vraag ik me af hoe die jongen uit die zomer kijkt naar de man die hij vijftig jaar later is geworden. Soms ben ik bang van wat hij daarover te zeggen heeft.

Het mooiste beroep

          Als Reizende Reporter voor Reisgoesting doorkruiste ik de voorbije dagen met een oldtimer het Groningse achterland. Aan het stuur een Nederlander, twee meter om en bij, vranke blik en niet om een mondje verlegen.
          ‘Wat deed je dan in je vorige leven,’ vroeg hij me nadat ik hem had opgebiecht al jaren met pensioen te zijn. Die vraag doet me altijd lichtjes krimpen, alsof ik me ergens om moet schamen.
          ‘Ik gaf les,’ mompelde ik. ‘In een beroepsschool,’ gooide ik er als een soort verontschuldiging meteen achteraan.
          ‘Leuk,’ vond de man, ‘een mooi beroep. ‘Moeilijk zat, lijkt me wel.’
          ‘Ach, die jongens hadden het vaak moeilijk met rekenen of taal maar ze beschikten meestal wel over een stel gouden handen. Ok, korte lontjes, vaak nogal recht voor de raap. Je wist gauw met wie je te maken had. Maar met een kleine knipoog, een glimlach en een hoop vertrouwen kon je er een eind mee weg. Ik heb dat erg graag gedaan, me al bij al geweldig geamuseerd.’
          ‘Heerlijk toch?’ zei de man. ‘Jij bent vast een geduldig man, met veel inlevingsvermogen.’ Daar had ik niet meteen wat tegenin te brengen.

          In de stilte van het Gronings hinterland dwaalden mijn gedachten terug naar die jaren, mijn leerlingen, mijn collega’s. Natuurlijk is niet elke herinnering even fraai. Tussen alle koren zit ook kaf. Dat is bij de politie zo, in de politiek, de snorrenclub. Overal. Maar, het mag melig klinken, van al wie voor de klas gaat staan, doet het leeuwendeel dat met idealen en ambities, uit liefde, vaak met een totale overgave en een haast grenzeloos engagement.

          De leerkracht vandaag heeft het niet makkelijk, bedacht ik. Iedereen die ooit een dag naar school ging, denkt te weten hoe dat moet, lesgeven. Zoals iedereen ook bondscoach is, eerste minister of beste stuurman op de wal.
          Elke dag moet de leerkracht horen hoe de kwaliteit van zijn werk daalt. Men slaat met OESO-rapporten om de oren. Geen woord daarbij over de loodgieter die vlekkeloos een nieuwe leiding legt, de tuinier die van je woestenij een plaatje maakt, de metser die je huis optrekt. Integendeel, alles gaat alsmaar achteruit en dat alles is jouw schuld. Jij pampert te veel, toont veel te veel begrip, eist te weinig. Hoe kan het ook anders? Je werkt nauwelijks twintig uurtjes in de week, vier maanden op een jaar doe je zelfs helemaal niets.
          Nee, zegt men. Gedaan daarmee! Daar mag weleens het zweepje overheen, die stal dient uitgemest.

          Ook zelf zingt de leraar graag een klaaglied mee.
          Weten de mensen dan niet hoe zwaar en moeilijk alles is?
          Kinderen worden altijd maar mondiger en vrijmoediger. Al die paperassen ook de hele tijd. Lessen moeten voorbereid, een jaarplan opgemaakt, de agenda bijgehouden, leerlingendossiers aangevuld. De ouder komt alsmaar vaker om verhaal. Komt ook nog de directie bij, de inspectie bovenop. En het beleid werkt ook niet altijd mee. Hier wordt beknibbeld, daar nog meer bespaard. De kinderen van morgen hoeven niet te kreunen onder onze schulden, laat die van vandaag dan maar het duupje zijn. Plus, opwarming van de aarde, oorlog in de wereld, twijfels over gender, moeilijkheden thuis, ruzie met het lief, geen nood, de leerkracht weet het antwoord wel.
          Toch kan hij ook een ander deuntje fluiten.
          Over het compliment van de buschauffeur na de uitstap. De lach van de oud-leerling op de zaterdagse markt: hé, ik heb nog bij u in de klas gezeten, weet u nog? Het opgewekte goedemorgen mevrouw, mijnheer, elke dag. De blinkende ogen van de moeder bij een nieuwe laatste kans voor haar balorig kind. Het dank u bij een schouderklop of compliment.

          Eindeloze groene weiden. Paarden. Koeien. Schapen.
          ‘Ik wou je nog vertellen,’ brak de man ons zwijgen, ‘elf jaar geleden overleed mijn zus.’ Dat viel als een ijsblok op mijn hoofd. Pas vanochtend hadden we elkaar voor het eerst ontmoet! Ik kon wel horen dat het hem nog altijd pijn deed.
          ‘Een propje in de longen, niets aan te doen.’
          ‘Wat erg,’ zei ik maar. Want ja, wat moet je?
          ‘Zij stond ook voor de klas. Groep 8, de elf-, twaalfjarigen zijn dat bij ons.’
          ‘Ok.’
          ‘Elk jaar komen we samen bij haar graf. Familie, vrienden, kennissen uit de buurt, je kent dat. Een woordje, een minuutje stilte, een praatje achteraf.’
          ‘Mooi.’ Zelfs een schrijver valt weleens zonder woorden.
          ‘De laatste keer was daar ook een jonge man. Hij was er eerder ook al bij geweest. Ik stapte naar hem toe en vroeg: wie ben jij eigenlijk? Wat heb jij met mijn zus? Drieëntwintig was hij nu. Toen mijn zus overleed, zat hij bij haar in Groep 8. Voordien, vertelde hij, werd hij op school vreselijk gepest, zo erg dat hij geen zin meer had om nog te blijven leven. Mijn zus had dat gekeerd. Dankzij haar was het pesten opgehouden. Uw zus, zo zei hij dat, heeft mijn leven veranderd. Dat zal ik nooit vergeten.’

          Dat iedereen ook daaraan even denkt, komende week, wanneer de puntenboekjes worden uitgereikt.

U kijkt toch ook?

          Ik dacht deze keer maar niet te kijken.
          Ik had al veel te veel gezien.

          Ik zag twee heren broodjes smeren.
          De ene had voor de andere uit een kartonnen doos een oorkonde geknipt en deed alsof dat een Nobelprijs was. Een grapje, dacht ik toen, te onnozel en infantiel zelfs om mee te lachen en redelijk onschuldig bovendien. Soms gaan mensen dwaas doen op hun oude dag, de jaren nemen toe en het verstand neemt af.

          Toen zag ik het land waar alles gaat gebeuren, ooit toch onze baken in de duisternis, dingen doen waarvoor een derderangs bananenrepubliek zich schaamt.
          Men ging er mensen uit hun huizen jagen ook al woonden die daar al jaren en liepen hun kinderen er school. Wie daarbij in opstand kwam, werd ongenadig neergeslagen. Hier en daar verdwaalde ook een kogel.
          Ik dacht: wat is er aan de hand in dat eens zo machtig land?

          Bij de buren plukte men de leider van zijn troon, een bevriende marionet mocht in zijn plaats. Sindsdien werd van de man niets meer vernomen. Ik dacht dat we die dingen niet meer deden. Dat we die tijd waren gepasseerd. Nu lees ik dat men plant in Cuba idem dito te gaan doen. Men fluistert ook dat Canada op de planning staat, Groenland nog dient ingelijfd en Albanië geëxploiteerd. Alsof het Oostblok Westblok is geworden.
          Intussen worden zomaar bootjes opgeblazen, de matrozen zonder vorm van proces aan de vissen geserveerd. Voor de gezondheid van de eigen jeugd, moeten wij geloven. Alles voor het goede doel. Ik dacht: wat we zelf dealen, dealen we beter.
          Ik zag hoe alsmaar driester ook de pers werd opgejaagd, de journalist verguisd, de mond gesnoerd, uit zijn ambt ontslagen. Ik dacht: is dit de vrije wereld nog?
          Toen trok het land, toch van de dapperen en de vrijen, ook nog een keer ten strijde, zomaar uit het niets.
          Ik dacht, hier is de grens bereikt. Iets moet ik doen.

          Toen schoot ook door mijn hoofd: dienen niet sport en politiek apart te blijven, net als bij dat liedjesfeest in mei? Tenslotte, sport, dat is maar spel en Spelen die gaan altijd door. Dat deden ze ook in München, Rusland en Qatar, in Argentinië en Berlijn destijds. Sport haalt uit de mens het beste, verenigt en verzoent, verzustert en verbroedert, brengt volkeren der aarde dichter bij elkaar.
          Dus ik dacht: geef ons ons brood en onze spelen en laat ons verder gewoon maar doen.

          Maar de dichter zei het al: te zien of niet te zien, dat is toch de vraag. Ik zag hoe ook het spel vervelde. De prijzen van de tickets gingen stijgen ver boven de beurs van de gewone man. Daar valt naar verluidt bitter weinig aan te doen. Alles van waarde schiet de hoogte in, met het verstrijken van de jaren zakken enkel nog borsten en buiken. Voor wie het niet betalen kan, heeft god de televisie uitgevonden.
          Ik zag hoe nu ook de helft van de wedstrijd nog in tweeën wordt gebroken. Pauze om te drinken, zogezegd. Drie minuten extra voor de promotie van Pizza Margheritachips en bier. De sporter is een sandwichman, de voetballer te koop. Maar zoals de slager zei: soms wordt trop toch echt te veel.
          Een scheids uit een ander land, alom gelauwerd en geprezen, mocht plots het land niet in. Op de verkeerde plek geboren. Ik dacht: het is voor een kameel nog makkelijker door het oog van een naald het rijk der hemelen te bereiken dan voor een Somaliër de Staten binnen te geraken.
          Fans worden geweigerd omdat ze zijn geboren waar ze geboren zijn, sommige  deelnemers moeten meteen na afloop van de show het land weer uit.
          En ik dacht: nu heb ik genoeg gezien. Misschien doe ik beter niet meer mee. Mijn druppel in een wereldwijde emmer van protest.

          Die avond ging ik voor de spiegel staan.
          Ik dacht: wij hier in dit Avondland, wij hebben fouten gemaakt en daaruit geleerd. Uit ons lijden ontstonden normen, waarden, ethiek en rechten voor elk mens. Ik ben een mens met een geweten.
          Toen wist ik zeker: Nee! Nee. Nee. Nee. Ik doe niet mee.

          Maar morgen speelt Brazilië en ook Duitsland komt aan bod. Dan is het ook nog Nederland tegen Japan.
          U kijkt toch ook?

De Kleine Prins

          ‘Ik word vader,’ zegt mijn zoon.
          Hij legt een hand op de platte buik van het meisje naast hem. Een meisje is zij natuurlijk alleen maar in mijn ogen, in de wereld is zij een vrouw, de vrouw van zijn leven, al jaar en dag. Samen stralen ze zo fel dat je vanuit de ruimte de hele wijk verlicht kan zien.
          ‘Dat wil zeggen: jij wordt opa,’ voegt hij eraan toe. Vanaf nu ben ik voor hen en het kind dat gaat geboren worden die oude man met stoppelbaard en haargroei in zijn oren, waartegen je luider moet gaan praten, met twee woorden spreken en alles geduldig drie keer moet herhalen.

          Mijn bloed gaat sneller stromen. Ik word warm en koud vanbinnen en ergens in mij wordt een vuurwerk afgeschoten, caleidoscopische boeketten in duizend kleuren. Wanneer de mist vervaagt, staan mijn ogen glazig. Deze reactie had ik niet verwacht. Ik heb dat nooit gehad, grootvadersverlangen. En ook zij allebei hoefden niet zo nodig kinderen. Ze waren zonder ook al heel gelukkig met elkaar. Misschien is dat, flitst door mijn hoofd, nog wel het mooiste. Dat het niet van moeten is. Niet een kind om hun geluk compleet te maken maar gewoon een kind dat komt, een vrucht aan hun boom van liefde. Excuus hiervoor, het is waarheid wat ze zeggen, een man wordt melig op zijn oude dag.
          We omhelzen, knuffelen, zeggen proficiat mama, papa, opa, omhelzen en knuffelen een tweede keer. Kleine dingen zijn vaak te groot voor woorden.

          We fantaseren hoe het kind hun levens gaat veranderen.
          ‘Jij weet toch wel dat jij ermee op stap zal moeten?’ legt mijn zoon me nu al taken op. ‘De Zoo, Planckendael, het Speelgoedmuseum en Bokrijk?’ Meligheid kent zelfs op mijn leeftijd grenzen, dus ik zeg:
          ‘Wie gaat hem leren roken, denk je?’ (Vanuit mijn oude mannenblik lijk ik er zomaar vanuit te gaan dat dit kind een jongen wordt al maakt dat mij geen jota uit, tien vingertjes, tien teentjes en deze opa is content.)
          ‘Wie leert dat kind een Duvel uit te schenken? Wie neemt hem mee op kroegentocht? Wie zal achter de rug van zijn ouders om zijn strafwerk ondertekenen? Vieze woorden leren? Vriendinnetjes versieren?’ Veel notie van het grootouderschap heb ik niet, wel hoor ik al jaren dat een opa zijn kleinkind dingen kan laten doen die hij als ouder zijn eigen kinderen moest verbieden.

          We lachen en zijn gelukkig en drinken koffie en eten taart.
          Ik onderdruk de donkere zuchten in de spelonken van mijn geest. Even niet de opwarming van de aarde. Geen oorlog, ook niet een heel klein beetje, zelfs al zou dat beter kunnen zijn. Geen geweld. Even niets moeten, niet presteren, niet werken tot je doodvalt. Geen staatsschuld, ongelijkheid of hebzuchtige potentaten. Eventjes geen grote boze wereld nu.
          Twee, drie seconden klein geluk.

          Opgewekt en trots doen ze hun toekomstplannen uit de doeken. Het bureau wordt kinderkamer, blauw of roze, voor mij een vraag, voor hen een weet. Dit en dat moet nog gekocht, dadelijk even voorproeven in Ikea. Blij en vrolijk ratelen ze door. In mijn hoofd helaas is alles niet eenvoudig. In mijn hoofd buitelen gedachten als pasgeboren puppy’s over elkaar heen.
          Toen deze aanstaande vader en moeder werden geboren, stonden in Koeweit de olievelden in lichterlaaie. Was in Berlijn net de muur gesloopt en wist niemand wat er verder zou gebeuren. Viel Joegoslavië als een porseleinen vaas in scherven uit elkaar. Hier en daar verdween toen zomaar een kind.
          Ikzelf groeide op in jaren van dreiging en terreur: de oorlog in Vietnam, hongersnood in Bangladesh, München ’72, PLO, RAF, Rode Brigades. Weerloos en verdoofd dansten we op Doe Maar en de bom die zou gaan vallen. En ook de jaren ver daarvoor, mijn eigen ouders puberden onder Duitse bezetting. Ga maar door, ga maar door. Mijn oma overleefde twee wereldbranden.
          De wereld, zo bedenk ik terwijl ik glimlachend voorwend dat ik luister, was altijd al een brandhaard en een tranendal. Toch draait hij onverdroten door. En ook de mens, hij ploegt en ploetert en hij kweekt. Hoeveel kindjes zouden er gemaakt zijn in New York, toen die elfde september? En zelfs nog vandaag, in Gaza, Libanon, Sudan?

          ‘Hoe moet ons kind je noemen?’ onderbreekt mijn zoon mijn wandeling in Somberland. Samen overlopen we wat opties: bompa, bompi, opa, opaps, opoe, opi, pépé, vake, vava. Het ene klinkt me nog meliger dan het andere.
          ‘Er is nog tijd,’ besluiten we.
          Op weg naar huis een beeld:
          ‘Kom vriend,’ zeg ik, ‘trek je jasje aan. We gaan op stap, jij en ik, samen de wijde wereld in,’ waarop die Kleine Prins, te mondig al voor zijn leeftijd:
          ‘Ik kom eraan vriend. Vergeet jij niet je sjaaltje om te doen?’
          En dan dat kleine handje in de mijne.