‘Ik word vader,’ zegt mijn zoon.
Hij legt een hand op de platte buik van het meisje naast hem. Een meisje is zij natuurlijk alleen maar in mijn ogen, in de wereld is zij een vrouw, de vrouw van zijn leven, al jaar en dag. Samen stralen ze zo fel dat je vanuit de ruimte de hele wijk verlicht kan zien.
‘Dat wil zeggen: jij wordt opa,’ voegt hij eraan toe. Vanaf nu ben ik voor hen en het kind dat gaat geboren worden die oude man met stoppelbaard en haargroei in zijn oren, waartegen je luider moet gaan praten, met twee woorden spreken en alles geduldig drie keer moet herhalen.
Mijn bloed gaat sneller stromen. Ik word warm en koud vanbinnen en ergens in mij wordt een vuurwerk afgeschoten, caleidoscopische boeketten in duizend kleuren. Wanneer de mist vervaagt, staan mijn ogen glazig. Deze reactie had niet verwacht. Ik heb dat nooit gehad, grootvadersverlangen. En ook zij allebei hoefden niet zo nodig kinderen. Ze waren zonder ook al heel gelukkig met elkaar. Misschien is dat, flitst door mijn hoofd, nog wel het mooiste. Dat het niet van moeten is. Niet een kind om hun geluk compleet te maken maar gewoon een kind dat komt, een vrucht aan hun boom van liefde. Excuus hiervoor, het is waarheid wat ze zeggen, een man wordt melig op zijn oude dag.
We omhelzen, knuffelen, zeggen proficiat mama, papa, opa, omhelzen en knuffelen een tweede keer. Kleine dingen zijn vaak te groot voor woorden.
We fantaseren hoe het kind hun levens gaat veranderen.
‘Jij weet toch wel dat jij ermee op stap zal moeten?’ legt mijn zoon me nu al taken op. ‘De Zoo, Planckendael, het Speelgoedmuseum en Bokrijk?’ Meligheid kent zelfs op mijn leeftijd grenzen, dus ik zeg:
‘Wie gaat hem leren roken, denk je?’ (Vanuit mijn oude mannenblik lijk ik er zomaar vanuit te gaan dat dit kind een jongen wordt al maakt dat mij geen jota uit, tien vingertjes, tien teentjes en deze opa is content.)
‘Wie leert dat kind een Duvel uit te schenken? Wie neemt hem mee op kroegentocht? Wie zal achter de rug van zijn ouders om zijn strafwerk ondertekenen? Vieze woorden leren? Vriendinnetjes versieren?’ Veel notie van het grootouderschap heb ik niet, wel hoor ik al jaren dat een opa zijn kleinkind dingen kan laten doen die hij als ouder zijn eigen kinderen moest verbieden.
We lachen en zijn gelukkig en drinken koffie en eten taart.
Ik onderdruk de donkere zuchten in de spelonken van mijn geest. Even niet de opwarming van de aarde. Geen oorlog, ook niet een heel klein beetje, zelfs al zou dat beter kunnen zijn. Geen geweld. Even niets moeten, niet presteren, niet werken tot je doodvalt. Geen staatsschuld, ongelijkheid of hebzuchtige potentaten. Eventjes geen grote boze wereld nu.
Twee, drie seconden klein geluk.
Opgewekt en trots doen ze hun toekomstplannen uit de doeken. Het bureau wordt kinderkamer, blauw of roze, voor mij een vraag, voor hen een weet. Dit en dat moet nog gekocht, dadelijk even voorproeven in Ikea. Blij en vrolijk ratelen ze door. In mijn hoofd helaas is alles niet eenvoudig. In mijn hoofd buitelen gedachten als pasgeboren puppy’s over elkaar heen.
Toen deze aanstaande vader en moeder werden geboren, stonden in Koeweit de olievelden in lichterlaaie. Was in Berlijn net de muur gesloopt en wist niemand wat er verder zou gebeuren. Viel Joegoslavië als een porseleinen vaas in scherven uit elkaar. Hier en daar verdween toen zomaar een kind.
Ikzelf groeide op in jaren van dreiging en terreur: de oorlog in Vietnam, hongersnood in Bangladesh, München ’72, PLO, RAF, Rode Brigades. Weerloos en verdoofd dansten we op Doe Maar en de bom die zou gaan vallen. En ook de jaren ver daarvoor, mijn eigen ouders puberden onder Duitse bezetting. Ga maar door, ga maar door. Mijn oma overleefde twee wereldbranden.
De wereld, zo bedenk ik terwijl ik glimlachend voorwend dat ik luister, was altijd al een brandhaard en een tranendal. Toch draait hij onverdroten door. En ook de mens, hij ploegt en ploetert en hij kweekt. Hoeveel kindjes zouden er gemaakt zijn in New York, toen die elfde september? En zelfs nog vandaag, in Gaza, Libanon, Sudan?
‘Hoe moet ons kind je noemen?’ onderbreekt mijn zoon mijn wandeling in Somberland. Samen overlopen we wat opties: bompa, bompi, opa, opaps, opoe, opi, pépé, vake, vava. Het ene klinkt me nog meliger dan het andere.
‘Er is nog tijd,’ besluiten we.
Op weg naar huis een beeld:
‘Kom vriend,’ zeg ik, ‘trek je jasje aan. We gaan op stap, jij en ik, samen de wijde wereld in,’ waarop die Kleine Prins, te mondig al voor zijn leeftijd:
‘Ik kom eraan vriend. Vergeet jij niet je sjaaltje om te doen?’
En dan dat kleine handje in de mijne.
