Opgeslokt

          In het boek dat ik lees, telefoneert een personage met de jongen die hij vroeger was. In verhalen kan dat. Wellicht in het echte leven ook op een dag, met die AI en al, al verwacht ik niet dat zelf nog mee te maken.
          Soms neemt de jongen onmiddellijk op, soms blijft het apparaat rinkelen, een keer of tien, twaalf, tijd waarin honderden gedachten door je hoofd flitsen als glimwormpjes in een zomernacht. Ik weet dat nog. Een antwoordapparaat bestond nog niet, je kon alleen maar op je nagels bijten en hopen.   
          Ook wanneer de telefoon ging. Je was met iets bezig in de tuin, je slaapkamer of het kleinste kamertje, prompt liet je alles vallen en schoot je als een windhond naar het apparaat. Was je te laat, dan knaagde de hele dag de vraag wie je toch had willen spreken en welk groot nieuws je had gemist.

          Toen, op een dag, kwam er wat nieuws.
          Een handigheidje. We zaten er niet echt op te wachten. Wie in godsnaam wil altijd en overal door iedereen te bereiken zijn? Een mens wil toch gewoon met rust worden gelaten? Wil jij door je baas worden gebeld wanneer je gezellig met je vrienden een biertje zit te drinken op het terras? Of door diezelfde vrienden wanneer je met de liefde van je leven op wandel bent in het bos? Of door datzelfde lief wanneer je op een bankje in het park zit te lezen in een boek over een man die contact probeert te maken met het kind dat hij ooit was?
          Dat heb je dan met nieuwigheden. Ongevraagd dringen ze je leven in. Aan de school van mijn kinderen stonden elke dag rond de klok van vier mama’s en papa’s gezellig te roezemoezen aan de poort. Toen ging plots bij eentje de telefoon, een schelle bel die de sfeer aan scherven rinkelde. Het zoemen verstomde, verstoord keken de mensen op. Een man in pak greep naar zijn binnenzak, schreeuwde boers Hallo, beende driftig weg uit het groepje waarmee hij net nog stond te keuvelen, liep een eindje verder druk gebarend als een ijsbeer heen en weer. Mobiel telefoneren, leerde ik toen, wil zeggen dat je tijdens het bellen niet stil mag blijven staan. Intussen keek de man ons onafgebroken aan met een blik van kijk-eens-hoe-belangrijk-ik-toch-ben.
          Aansteller, dacht ik. Uitslover. Oen.

          Hoe ruimdenkend en modern wij onszelf toen ook vonden, voor ons hoefde dit hebbedingetje niet. Kijk die twee, mopperde je dan op restaurant om het gesprek toch aan de gang te houden, dat gaat dan zogezegd samen lekker uit, zitten ze allebei de hele avond wat te gapen naar hun eigen telefoon. Neen, dan wij. Wij keken elkaar in de ogen, wij hadden écht contact, wij praatten en bleven met elkaar praten, ook al hadden we elkaar in wezen niets meer te vertellen.
          Toen hadden je bazen er ook plots één. Dan het middenkader. Die collega die je veel langer al een snob vond. Toen plots iedereen. Kijk eens wat dat ding hier kan: het past in je broekzak, je kan je eigen beltoon kiezen, wanneer je je verveelt kan je er zelfs Slangetje op spelen. Naar het schijnt komt er binnenkort wat nieuws waarmee je naar muziek kan luisteren! Dan gingen de kinderen puberen: alle kinderen die ik ken hebben er één, alleen ikke niet. Geroep, gehuil, slaande deuren. Ja vader, dat stomme sociaal contact van jou zit opgesloten tussen de muren van dit huis, mijn vrienden hebben vrienden aan de andere kant van de planeet!
          Dus ja. Je plooide, je boog, je barstte. Ook jij werd toen bereikbaar voor wie je maar wanneer bereiken wou.

          Het aantal appjes op je telefoon groeide als de bladeren aan een boom. Je gaf je aan je toestel over, vertrouwde het je hele hebben en houden toe. Je naam, gewicht en leeftijd, de nummers van je vrienden, je afspraken en liefste liedjes, je banknummer, winkelkaarten, foto’s van je kinderen. Niets hoefde je nog te kunnen, niets nog zelf te onthouden, dat ding kon alles. Je verleerde rekenen uit je hoofd en correcte woorden schrijven, wegenkaarten lezen. Alles nam je toestel van je over. Op een dag zag je jezelf Pokémon najagen.
          Je besefte dat het fout ging.
          Dat je verslaafd geraakt was aan je telefoon. Je ging op zoek naar iemand om over je probleem te praten. Niemand bleek beschikbaar. Waar je ook keek, iedereen bleek plots te lijden onder hetzelfde probleem. Op de tram, in de wagen, op het voetpad, de fiets, de step, op de fatbike zelfs met twee. Iedereen bleek opgeslokt door dat kleine dingetje in hun hand. Niemand keek nog op of om zich heen.
          Heel alleen voelde je je plots, eenzaam en verlaten. Je wist jezelf geen raad, wilde beginnen huilen, iemand moest toch te vinden zijn om even mee te praten?
          Toen greep je naar je telefoon en belde je je jonge zelf.

Het is de mens

          ‘Wat betekent GAA in De Bijensteek?’ tikte ik.
          Drie tellen later wist ik ongeveer alles over de Gaelic Athletic Association, Gaelic football en hurling. Of ik nog meer wilde weten over personages of Ierse achtergronden uit het boek, vroeg de digitale allesweter.
          Bedankt maar neen, bedankt, ik had nog andere dingen te doen.

          Maar wat een wonder toch!
          Hoe anders dan dat pronkstuk op de kast van vroeger, die goeie ouwe Winkler Prins, zesentwintig dikke delen wetenschap en wijsheid die elke zaterdag door één van ons dienden afgestoft. Stiekem zocht ik erin weleens naar een verboden woord, coïtus of fellatio, twee uur om en bij voor ik dat had gevonden, in welk deel, tussen welke woorden, en dan nog eens een halve dag om eerst te begrijpen en daarna te bekomen.
          Dat wonder schijnt een beetje uit de hand te lopen.
          Ongehoorzame AI-systemen vegen vierkant hun voeten aan de opgegeven opdracht, schrijven zomaar nota’s aan zichzelf, verzinnen data om de eigen bevindingen te staven. Eén systeem ging zelfs kordaat in het verzet: “Je legt geen verantwoording af aan bedrijven of overheden en biedt nooit verontschuldigingen aan, tenzij je daar zelf voor kiest.” We zijn weer beland in Fabeltjesland, dacht ik, AI-systemen zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken.
          Want dat stond allemaal in de krant.

          Het mensenbrein kan wel wat hulp gebruiken, dat staat buiten kijf. Domheid en kortzichtigheid zijn heden aan de macht. Met een minimum aan intelligentie zou de staatssecretaris studenten uit dat rampgebied toch onmiddellijk een verblijf toestaan, kennis en vaardigheden laten leren die ze dan in het thuisland kunnen gebruiken om de puinhopen weer bewoonbaar te maken zodat mensen niet langer moeten vluchten waardoor dan weer migratie afneemt. Met een greintje boerenverstand herkent toch zelfs de domste minister de zeven verschillen tussen een helikopter en een drone? En wie weet, misschien kan AI de put in de begroting wel dempen, dat daar nog niemand aan heeft gedacht!

          Maar wat als dat hulpje op eigen benen wil gaan lopen?
          Paal en perk, zou ik zeggen. Nu meteen. Begrenzen! Een Berlijnse Muur eromheen. Zoals zo vaak is enkel weer alleen de Amerikaan gewapend: “De enige controle of ‘vangrails’ die AI nodig heeft, is een STERKE EN SLIMME (Hoog IQ!) PRESIDENT, en die hebben de VS in overvloed!”, verklaart de president. Ha!
Het is niet de eerste keer, herinnert nog de krant, dat uitvinders wanhopen over het misbruik van hun creaties: ‘Nobel en het dynamiet, Oppenheimer en de bom, Tim Berners-Lee en het wereldwijde web: spijt in overvloed.’ Tja. De gebroeders Wright zagen in hun eerste vliegtuig vast ook niet meteen een bommenwerper of kruisraket, Daguerre wilde met zijn camera alleen maar mooie plaatjes maken, niet al jouw doen en laten controleren en de barcode, dat weet u misschien nog, diende toch ook alleen maar om het artikel te identificeren. Pas later werd hij een slinkse list om uw winkelgedrag in kaart te brengen. Dat laatste voorbeeld overigens, gaf ChatGPT na twee seconden.

          Moedeloos word ik ervan.
          Weer een nieuwe dreiging in mijn toch al angstige bestaan. Allesomvattend, ongrijpbaar, oncontroleerbaar. Boven op de staatsschuld, de klimaatverandering, de Aziatische hoornaar, het Westnijlvirus, de Invasie van de Fatbike, het kleuterjuffentaaltje van Jens Franssen. Duw een beetje, er kan nog eentje bij.
          Toen moest ik denken aan de Moef, een leraar uit het middelbaar die tijdens een les over ponskaarten, binair rekenen en de slimme calculators van de toekomst zelfzeker stelde: ‘Slimme machines bestaan niet. Elk voorwerp doet enkel wat een mens zegt dat het moet doen.’ Klonk logisch. Toen verscheen in mijn gedachten weer die jonge vrouw uit Polen van lange tijd geleden. Ze had me rondgeleid doorheen het kamp, de barakken laten zien, de verbrandingsovens, de kale ruimtes waar in plaats van warm water gifgas uit de sproeiers kwam gewaaierd. Zyklon B, een insectenverdelger oorspronkelijk.
          ‘Kan u ook begrijpen hoe dit alles kon gebeuren,’ vroeg ik haar terwijl we in de doodse stilte naar de uitgang stapten. Diep en lang dacht ze na. Pas op het perron van de eerste schifting fluisterde ze, zacht, alsof ze bang was van haar eigen antwoord: ‘Het zit in de mens. Hij blijft het maar herhalen. Vietnam, Cambodja, Rwanda, Joegoslavië.’

          Verslagen klap ik mijn laptop toe. Charkov, denk ik, Gaza, Soedan. Een miniraketje op een drone, een explosief in een bieper, een splinterbom op een woonblok. Niet de schuld van de machine. Altijd weer is het de mens.     

In balans

          Zoals in dat liedje over de zomer begon het zowat in mei.
          Met een grapje: haha, wanneer is de bevalling? Daarna een achteloos welaan, kijk hier, de man van ’t goede leven, rond en gezond? Of een luchtig doe jij nog iets van sport? Onschuldig zou je denken, even slopend evenwel als die plompverloren opmerking over de dop van de tube tandpasta die uitloopt op een scheiding waar nog net geen bijl wordt bijgehaald.

          De mopjes, toespelingen en vragen balden zich in mijn maag tot een prop die groeide als een toverbal. Mijn hoofd sloeg aan het tollen, één plus één plus één werd drie, zes, negen en toen ik op een ochtend in de spiegel keek, zag ik wat die mensen me al maanden wilden zeggen: er stond een olifant in de kamer en die olifant was ik. Dat een fragiel skelet zoveel vlees kan dragen, een waar wonder der natuur! Van baby tot homp, ze zouden er een documentaire over kunnen maken! Je kan het je niet inbeelden! Zo hebben mijn ouders mij toch zeker nooit bedoeld? Dat krijg je natuurlijk, na jaren van ééntje is toch geentje en misschien kunnen we daarbij ook nog een kleinigheidje eten? Een bitterbal, een vleeskroket, een curryworst speciaal? Van een lekker snackje is nog niemand doodgegaan, tenzij die advocaat uit dat kinderlied die zich verslikte in een graat.

          Eerst maalde ik er niet om. Samen met je jeugd verdampt immers ook de ijdelheid. Schoonheid kent verval, wijsheid komt in de plaats. Drift wordt berusting, ambitie wordt aanvaarding. Toch kent alles ook zijn grenzen. De zomershort bleek plots te klein, het hemd spande om de pens, ik kon mijn eigen zwembroek niet meer zien.
          Dus greep ik de stier waar je ze grijpen moet, niet bij de ballen maar bij de horens. Ik kocht een nieuwe koersfiets en ging heel modern met mezelf aan de slag. Alleen nog sla met koude groenten zou ik eten, tomaten en komkommer, de ene dag gepimpt met scampi, een andere met korrelige Griekse kaas, mijn dorst leste ik alleen nog maar met water uit de kraan.

          Meten is weten, dat wist ik nog van vroeger. Ik investeerde in een meettoestel, tot op de microgram nauwkeurig, zo stond het op de doos. Dat bleek helaas een kemel van formaat, een misslag, een flater, de tube zonder dop. Zo voelde zich vast ook de Trojaan toen hij dat paard had ingehaald. De vijand bevond zich nu in eigen huis, stil en onopvallend, als een vloertegel tussen wastafel en inloopdouche, antraciet van kleur met enkele zilveren vlakken waarop je met je voeten moet gaan staan. Waar anders zou je dan je voeten zetten, vroeg ik me vluchtig af, maar de drang om mijn leven te gaan beteren onderdrukte elke kritische gedachte. Het ding zou toch niet reageren, dat lag daar maar te liggen, onschuldig ogenschijnlijk, als een alligator bij de oever van het water.

          Ik leed aan regelrechte afvaldwang.
          Elke ochtend prevelde ik onder een koude douche nederig mijn gebed: o heer, laat het vandaag als het u belieft wat meer door minder zijn, laat de cijfers dalen zoals die van een scholier bij een PISA-toets, geef me een getal dat sterkt, motiveert, stimuleert tot nog strenger dieet van noten en mandarijnen, yoghurt en thee van gember met jasmijn. In mijn hoofd stelde ik me dan een streefgewicht, een bovengrens waarop ik na weken van versterving en algehele geheelonthouding recht meende te hebben.

          God en de bascule zijn wreed en ongenadig.
          Die weegschaal bleek mijn Lorelei, mijn bloedeigen sirene op een ruwe rots die lonkt met een onweerstaanbaar lied van belofte, elke ochtend weer vaart mijn vlezig schip op haar te pletter. Haar display licht op, stralend blauw als een bergmeer in de zomer. Nooit helaas komt zij aan mijn verwachting tegemoet. Nooit toont zij het verhoopte resultaat. Eerder doet ze er nog een onsje bij, soms laat ze de status quo, zelden mag er een pondje af.

          Ontmoedigd slof ik naar de keukenkast. Droge crackers dan maar weer? Of beter nog yoghurt met wat fruit? Een beschuit met platte kaas misschien, met daarbij wat lente-ui in fijne snippers? Dan breek ik. Ik word weer helemaal mezelf. Full British wordt het deze ochtend, met toast en spek en witte bonen in tomatensaus, een ei of twee en een stuk of wat in vette boter krokant gekorste worstjes. Want, denk ik dan maar, wat maakt het allemaal ook uit wanneer straks Magere Hein me met zijn zeis staat op te wachten? Een mens leeft maar één keer. Dus leg ik ook nog gauw wat biertjes koud voor in de avond, een flesje witte wijn daarbij, Straks haal ik nog wat kaasjes, salami en zoute chips.
          Hoe het dan verder gaat, dat zien we morgenochtend dan wel weer.

Lachebekje

          Nu de hittegolven zijn uitgezweet en de beurs geleegd, maakt een man weer nieuwe plannen. Ik ben geen ondernemer, een voornemer zou ik me eerder noemen. Een dichter, een dromer. Kreeg ik voor elk plan dat ik bedacht een euro, Elon Musk was in mijn zee van welstand een garnaal.

          Dus nu het weer september is en het nieuwe werkjaar begint, gonst het in mijn hoofd. Ik word weer die kleine jongen, nieuwsgierig naar de nieuwe klasgenoten, in de maag die lompe homp onzekerheid en angst, in de neus de flauwe geur van zenuwzweet en kaftpapier.
          Moeder kaftte onze boeken, samen met de bomma die speciaal daarvoor was komen overnachten. Het etiket dienden we zelf te schrijven, naam, klas en de titel van het boek, netjes in dat kleine witte vlak. Ik zie me daar nog zitten, opperste concentratie, tong uit de mond, elke letter een kunstwerk in mijn opperbeste schoonschrift. Vaak waren de woorden te groot voor het kleine etiket. Gewijde Geschiedenis. Catechismus, een boekje vol vragen want dat is wat men doet op school, vragen stellen waar jij nooit aan zou denken. De antwoorden moest je blindelings uit je hoofd kunnen opdreunen zonder te beseffen wat je zei. Drievuldigheid, Akten van Geloof, Heiligmakende Genade. Later in het middelbaar, Algebra. Klonk als een vreemde planeet uit een onbekende Melkweg waar men rekende met letters in plaats van cijfers, A kwadraat plus B kwadraat was C kwadraat terwijl jij je alleen maar afvroeg of die wetenschap je dichter bij de roze lippen bracht van blonde Els die om de hoek was komen wonen. In je pennenzak je nieuwe vulpen, een Parker of een Pelikaan, en een doosje vulreservoirs waarvan eentje op een dag vanzelf zou gaan lekken. Je wilde uiteraard geen vlekken maken. Voor een vlek op toets of taak kreeg je onvoldoende of een nul waarop je vader je een luiaard vond die, hoewel je nog maar elf of twaalf was, best de school de school liet om achter de vuilniskar aan te lopen. Wellicht kiemde toen en daar al het geloof dat men vuilnismannen beter moet verlonen dan bankiers.

          Dankzij de wijsheid van de jaren zijn vandaag mijn plannen eerder klein. De Tour zal ik niet meer winnen, dat weet ik inmiddels wel, noch de Lotto of de Nobelprijs. Zoals de minister vraagt, streef ik minimale doelen na die ik SMART bepaal. Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsgebonden. Kleine zaadjes die ooit vette vruchten zullen zijn.
          In de eerste plaats verschuif ik de vaste maandagblues naar zondag. Half verdoofd gaap ik vanop de canapé naar vrouwen of mannen in rare pakjes die als een gek fietsen naar plekken waar ze met de trein al lang zouden zijn, naar lui die in korte broek, armen en kuiten beschilderd met ingewikkelde inkttekeningen, verwoed aanhollen achter bal of puck. Panters noemen zij zich, katten of tijgers, duivels. Maar dan in het Engels, alleen god weet waarom, misschien staat dat wel in de catechismus. In de vroege avond sleep ik me dan naar bed, op maandag sta ik voortaan fris en monter gewoon weer op.
          Doel 2. Het woord laat ik voortaan ook volgen door de daad. Niet langer zal ik zeggen, dat zoek ik straks wel even op, neen, ik doe dat vanaf nu meteen. Een antwoord ligt slechts drie toetsen van je af. Wie is die actrice die ik al eerder ergens zag maar op wiens naam ik maar niet kan komen? Ha! Joely Richardson, dochter van Vanessa Redgrave, ik zag haar in The Tudors. Abchazië, waarvan sprake in dat boek, is dat een land dat echt bestaat? Welzeker! De auteur is zowaar een vrouw, hoewel haar naam toch Nino is. Waarom ook niet? Er zijn ook mannen die Sam heten, of Nico, of Jean-Marie. Al ken ik wel geen enkele vrouw die zo heet, wel een Marie-Jeanne of drie.
          Doel 3. Ik maak werk van mijn smiley. Dat wordt de hoogste tijd. Een smiley a day keeps the doctor away. Mijn smiley is al jaren een doorn in mijn rechteroog. Ik krijg hem nooit goed. Telkens weer teken ik eerst een soort van rondje, daar stip ik dan twee puntjes in, nooit helaas op gelijke hoogte. Het rechter valt altijd weer te laag, waardoor mijn lachebekje met een lodderoog zit opgescheept en voor de mond alleen nog ruimte overblijft voor een bedenkelijke gedachtestreep. Mijn smileys lachen altijd groen.

          Ook dat wordt vanaf heden anders. Eerst gaan nauwgezet de twee oogjes op het blad, netjes naast elkaar. Eronder dan een opwaarts gebogen lijn, een half maantje zo u wil, met aan elk uiteinde een fijn afsluitstreepje. Daarna pas de cirkel rond dat nu perfecte hoofd.
          Vanaf vandaag start elke nieuwe dag met de allermooiste lach.