Blog

Een ABC

De hoogmis van de democratie is weer gevierd, tijd voor een borrel. Wat blijft bij van deze gemeenteraadsverkiezingen? We ontkurkten samen met Anna Lyste, opiniërend hoofdredactrice bij De Schrijverij, en pittig flesje Peper Wodka en vroegen haar spontaan te associëren bij enkele min of meer klakkeloos geïmproviseerde woordjes.

Beeld van de dag:

“Van Quickenborne. Ongetwijfeld. Hij wou jong en swingend lijken en hopte en botste als een springbal. “Dit is Kortrijk, dit is Kortrijk!” schreeuwde hij. Ik mag hopen voor Kortrijk van niet. Dat was geen gezicht”

Blauw

“Thé Lau draait zich om in zijn graf. Bart Tommelein had het niet begrepen. Het nummer gaat over een man die op een dronken nacht tot inzicht komt en bont en beurs op zijn sokken terugsloft naar zijn madame. Misschien toch profetische woorden.”

Clichés

“de winnaars: De kiezer heeft gesproken/altijd gelijk/een signaal gegeven. Ik dank onze kiezers voor het vertrouwen.
de verliezers: Het is niet verstandig om nu al uitspraken te doen. We gaan de uitslag analyseren/ons beraden/het signaal van de kiezer oppikken. De anderen zijn aan zet. Op andere plekken hebben we gewonnen.”

Drama Queen

“Accurater is: ‘Drama King’. De drama queen is meestal een man, getuige dit fragment uit een debat bij Ivan:

  • Bart: Ik heb heel wat slagen onder de gordel moeten incasseren.
  • John: Gij moet zwijgen over slagen onder de gordel, gij.
  • Wouter: In onze partij vinden wij slaan onder de gordel een slag onder de gordel.
  • Tom: Zeg Ivan, en ik? Ik mag nooit eens onder een gordel slaan.”

Emomoment

“Jinnih Beels had op meer gehoopt. Speechte zonder fiches en uit het hart en daar kwamen zelfs traantjes bij. Zo schoon!”

Grap (beste)

“Achter de rug van de journalist die zich voor je huis afvraagt of je er bent, zwaaien naar de camera. Hilarisch!”

Grap (foutste)

“Jullie zijn mijn schild én mijn vrienden.” Toevallige oneliners zijn fictie in de politiek, elk woord is gewikt en gewogen. Het kwade bagatelliseren met een grap is slim maar niet onschuldig. Doe maar jongens, de beuk erin, vooruit maar lui, zet hem op!”

Gebaar

“Eendrachtig de rechterarm strekken en wijs- en middenvinger spreiden in een V-teken. De Kracht van de Verpakking. En het werkt.”

Megafoon

“Kerstcadeau voor Matthias De Clerq. Jezelf op verkiezingsavond tot burgemeester benoemen is het ideale recept om iedereen tegen je te krijgen. Dat leek heel erg op solliciteren voor een baan die je absoluut niet wilt.”

Muppets

“Twee reuzen uit de journalistiek elke avond bij Ivan aan tafel, spijtig genoeg niet op een balkonnetje. Dat had een hoog Waldorf en Statler-gehalte en het mag gezegd: Ivan vertolkte een uitstekende Kermit.”

Onze Mensen

“Annelies Beck vroeg aan Filip Dewinter: U migreerde van Brugge naar Antwerpen. Wanneer mag iemand zich ‘Antwerpenaar’ noemen?
“Mevrouw, ik spreek met een Antwerps accent en ken na 38 jaar alle straatnamen, ik geloof wel dat ik flink ingeburgerd ben.”

Praktijktoets: Anna Lyste, politiek hoofdredactrice De Schrijverij

PLUS MIN
Heeft duidelijk hoorbaar Antwerps accent.

Woont in een randgemeente

 

 

Geboren in Limburg.

Kan noch van haar gemeente, noch van de stad alle straatnamen noemen.

Geen fan van Antwerp.

Geen interesse in de Giants

Lievelingslied: “Waar in ’t bronsgroen eikenhout ’t nachtegaaltje zingt”

Citaat: “Antwerpen is niet de mooiste stad van het land, wél de grootste parking. Alles staat er altijd stil, behalve de bouw.” (sic)

 

Slogan

Leven van liefde en Jinnih”, nu al de winnaar van mei 2019.”

Verhuis

“De ene verhuis is de andere niet.

  • Kris Peeters, van Puurs naar Antwerpen: een absolute no go.
  • Zuhal Demir, van Antwerpen naar Genk: close but no cigar.
  • Tom Van Grieken, van Mortsel naar Schoten: een must do, dé move van het jaar: 3267 voorkeurstemmen, alstublieft! Gastvrij Schoten! Migranten, op naar het Peerdsbos, zou ik zeggen.“

Viswinkel

“Straatjargon voor drugskot op de Turnhoutsebaan. Inwijkelingen denken daar achteloos ingrediënten voor fruits de mer te gaan kopen, maar de schepenen weten héél goed wat men er bedoelt met ‘verse kaviaar’.”

Winnaar

Everyone ’s a winner, baby, that’s the truth. Hot Chocolate heeft altijd gelijk. En het klopt nog ook, behalve voor de sossen natuurlijk.”

Wolf

“De warmste schapenvacht gaat deze keer naar de Verzoener. Na de jaren van Vernedering steekt de verzoener de hand uit. De Kracht van de Verleiding.”

Zorg

“Geen zorg. De toekomst wordt sowieso beter”.

Mevrouw Lyste, bedankt voor deze toelichting. En ook voor de fles.

 

 

Leeg

“Heb jij dat soms ook,” vroeg ze, “dat je vanbinnen helemaal leeg bent? Dat het lijkt of je niks meer kan voelen?”
Ach kind, op mijn leeftijd, dacht ik. Maar ik zweeg. Ik probeer het aantal overbodige antwoorden op één dag tot een minimum te beperken. We zaten aan een kleine ronde tafel in café Robinson, een bruine kroeg aan de Oudevaartplaats met zicht op de Stadsschouwburg. Een oude man en een oude vrouw bedienen er traag de klanten. Aan de muren ingekaderde cartoons uit Gazet van Antwerpen en posters over de Red Star Line. Ze dronk een slokje van haar roséwijn.

“Ik wou bijna mijn telefoon kapot smijten!” zei ze. Die had nochtans niet gezoemd of gerinkeld. Ik begreep haar. De voorstelling zat nog als lijm gekleefd onder onze huid. Niet elke opvoering verdraagt champagne achteraf.
We waren gaan kijken naar ‘Malcolm X’ in het Toneelhuis. Malcolm X was in de jaren zestig een omstreden activist in de burgerrechtenbeweging voor zwarten en niet vies van een portie geweld. Uiteindelijk zou hij op zijn veertigste worden vermoord door medestanders. Een revolutie eet haar kinderen op.

Op het podium wees een vijftiental Afrikaanse mensen met gestrekte vingers naar het publiek. De grootste, kaal, twee meter hoog, twee meter breed en twee meter diep, snauwde ons toe: “Jullie zijn uitschot! Lafaards! Profiteurs! De vorige eeuw plunderde de hoer Europa ons continent en vandaag doet ze dat nog altijd! Jullie koning Leopold II verminkte en vermoordde onze mannen en verkrachtte onze vrouwen. Vandaag zwoegen onze kinderen voor een hongerloon in kobaltmijnen en creperen ze in ellende voor jullie sjieke smartphones! Hun bloed druppelt uit jullie tekstende duimen! Doe maar niet of jullie dat niet weten, Bourla! Jullie weten dat allemaal heel goed!
Dachten jullie nu echt dat vanavond deze zwartjes voor jullie een paar kunstjes zouden komen opvoeren? Vergeet het! Die dagen zijn voorbij! WIJ hebben de micro! Nu zijn WIJ hier de baas! Jullie gaan luisteren naar ONS! SHUT UP! I – SAID  – SHUT – UP!!!
Als een giftig gas vulde een oorverdovende stilte de zaal. De vrouw centraal op het podium gaf ons haar middenvinger.

ZAP! POW! BAM! In our face! Acteurs en actrices schopten ons een geweten en ze hielden zich niet in. Ze raakten daar waar het pijn deed. Een slag in de onderbuik met een moker. Vlijmscherpe messen in je lijf: “Wat is jouw probleem met dit stukje textiel op mijn hoofd? Waar bemoei jij je mee? Wie denk jij wel dat je bent? Waarom vráág je niet aan mij waarom ik mij kleed zoals ik mij kleed?”
Hier huilde de pijn van de besneden vrouw. De schreeuw van de gegeselde, tot in het diepst van zijn ziel vernederde en verhandelde slaaf. Een oerkreet van wanhoop en gebalde woede steeg op uit een vertrapt werelddeel en overspoelde een savanne van fluwelen zetels.
Ook was er muziek. Dat was nodig, want zoals een bokser tussen twee rondes moest je af en toe recupereren: “9/11, New York. 11 maart 2004, Madrid. Londen in 2005. Charlie Hebdo. Stade de France en Bataclan, Parijs. Brussel, 22 maart. Waar komt dat vandaan? ” The chickens come home to roost.
Het ging verbazend goed vooruit. Als bij een kerkdienst in Alabama stond aan het einde iedereen recht, een vuist gebald. Wij, helaas, dansten klunzig als blanken. Voorbij de woede geraakten acteurs en publiek, zwart en wit, Afrika en de hoer, alsnog verenigd. Al geloof ik niet dat onze zonden werden vergeten en vergeven.

“Op jouw leeftijd” antwoordde ik, “hoor je geen leegte te voelen, integendeel. Maar af en toe overkomt het iedereen wel eens, denk ik.” Zij moet nog eenentwintig worden, een jonge vrouw vol dromen over later. Ze durft het beest dat Leven heet nog recht in de ogen te kijken. “Het moeilijkste is de puberteit en die heb ik al gehad”, zei ze sterk. “Helemaal”, knikte ik. Op welk moment in mijn leven veranderde mijn spreken in zwijgen, vroeg ik me af.

Ik probeerde de boel wat te verluchten: “Zondag verkiezingen.”
“Juist,” knikte ze. “Waar gaat het eigenlijk over?”
Toen ik wilde vertellen over circulatieplannen, huurprijzen en een windmolen die eventueel vijftien meter te dicht bij een woonwijk zou worden geplaatst, voelde ik hoe de lijm van Malcolm X mijn lippen aan elkaar klitte.

Ik wenkte de oude vrouw achter de bar. “Voor mij nog een Duvel,” zei ik, “jij nog wat?” “Neen, dank je,” antwoordde het meisje, “ik heb genoeg gehad vanavond, ik zit eigenlijk al vol.”

Eenhoorns

Eenhoorn gedicht

Je ziet het vaak in detectives. Twee rechercheurs aan een tafel. Aan de andere kant de verdachte en een zwijgende advocaat. “Waar was u op dag zus en zo tussen zo laat en zo laat?” Antwoord: “Dat weet ik niet meer, dat is zo lang geleden.” Logisch, vinden wij hier in Huize Happy. Er is zoveel om te vergeten.
Maar ik weet wél nog precies waar ik was op 7 oktober 1977 in de namiddag. Dat was een vrijdag. U bestond misschien nog niet. Ik dus wel. Ik herinner me nog het koude buislamplicht, de tafels geschikt als een u, de donderstem en barse blik van mijnheer De Graef. Die les veranderde mijn leven. Enfin, nuance, heeft iets gedáán. Het ging over ‘Eenhoorn’, een gedicht van Jotie T’ Hooft.

De jonge dichter uit Oudenaarde had zich de vorige dag de aders vol heroïne gespoten. Dat had hij niet overleefd. De leerkracht was een emotioneel man. Hij liet ons delen in zijn verdriet. Hij treurde zowel om het heengaan van een jonge mens, als om het veel te vroeg verscheiden van een talentrijk en beloftevol dichter.

De wereld van de dichtkunst was tot op die dag voor mij even mysterieus en ontoegankelijk als het slipje van Debbie Harry. Mijn poëtische ervaringen beperkten zich tot de verzen van ‘Zeven anjers, zeven rozen, ‘Zo mooi, zo blond en zo alleen’ en ‘Pappie loop toch niet zo snel’. In mijn eindwerk van het middelbaar het jaar voordien recenseerde ik nog ‘Malle Babbe’. Een gedicht was een enigma, geheimtaal voor intellectuelen die moest worden gedecodeerd.

De heer De Graef leerde ons lezen. Dat de dichter als een eenhoorn, sierlijk maar doelloos, door de wouden van het leven dwaalde. Dat die wouden een schepping waren van een heer die wij niet kenden. Hij heeft geen naam, geen gezicht, geen handen of stem. Dat ‘bladeren’ hier twee bladeren was: voedsel voor wie het lust, een nietigheidje in de wind.
En dat de dichter dood wou. Hij smeekte zijn heer: lok mij naar u toe, ik wil mijn kruisweg gaan, struikelend over naald en vlam. Neem mij, nu, voor ik word als al die andere domme stumperds die bij leven al uitdoven. Dat stond daar allemaal, in wat een prachtige verzen! Die dag openbaarde zich een nieuwe wereld.

Wat ik die avond deed, weet ik niet meer precies. Wellicht bedelde ik thuis mijn zakgeld bij elkaar om dat in café Spike weer onmiddellijk te verbrassen. Daar draaide men nog platen van vinyl, op drieëndertig toeren. Bad Company, Supertramp, Bob Dylan, The Rolling Stones. Lyrics kende ik nauwelijks maar als ik genoeg gedronken had, zong ik schijnbaar in mezelf verzonken volledige teksten mee, verfrommeld achter mijn pint. Die kostte 16 BEF, vandaag veertig eurocent. Aanstellerij hoeft niet duur te zijn. Achter een dichte mist van Zwarte Afghaan of Rode Libanon vond je de wc. Ik raakte wel eens secondhand stoned.

Waarschijnlijk leegden mijn maatje Filip en ik net als altijd onze beurzen en glazen, onderwijl eindeloos filosoferend over de leegheid van het zijn, het onnut van het bestaan, de zeepbel waarin we moesten leven. No Future klopte aan de deur.
Wij zwoeren: wij spelen dit spel niet mee, ons krijgen ze niet. Niet wij. Tot het einde van onze dagen zouden wij, gehuld in groene parka’s onze haren lang blijven dragen. Voor ons geen legerdienst, geen maatpak, geen klotejob van negen tot vijf. Eenhoorns zouden wij zijn, onaantastbaar en tijdloos. Mythisch. Sierlijk zouden wij dwalen door het woud der schepping, onderweg meegraaiend wat ons beliefde. In de slotzin van mijn ‘Malle Babbe’ stond nog zwart op wit: “Ik wil niet doodgaan, hoogstens sterven.” I hope I die before I get old, die dagen.

Filip hield zijn woord gestand, ik niet. Ik vond een vrouw, een kind, een doel om voor te leven. Maar gisteren dacht ik even, waar is mijn beste vriend?
Net als Jotie T’Hooft stierf mijn drinkebroer, mijn gabber, mijn maatje, op zes oktober, vandaag acht jaar geleden. Ook hij vond in de bladeren van dit woud geen voedsel. Chronisch dorstig als een eend, leidden zijn stapstenen hem van kroeg naar kroeg. De lichtlans op zijn voorhoofd verdronk in veelvuldige glazen verschalend bier. De heldendood van de dichter werd het niet.

Een blad in de wind.

Vlieg!
Zweef!
En dans.

Casa di Mauro

Met ongeveer twintig waren we. Spaken glinsterden, truitjes en magen zaten tjokvol energierepen, honingkoek en banaan. Een parfum van spierolie streelde de neuzen. Lichte nevel versluierde de velden, wolken kwamen aan en dreven af, de zon leek nog te lui om de kilte van de ochtend te verdrijven.

De weg zou moeilijk worden, de gids was ervaren. “Het is geen wedstrijd,” lichtte hij toe, “we respecteren de verkeersregels, blijven samen als één groep en op de top van de helling wachten we op elkaar.” Mijn BMI knikte instemmend. Mijn lichaam, ooit een trotse kathedraal, krijgt al jaren niet meer wat het toekomt. Vandaag is het verworden tot een krakende vergaarbak van sloten Duvel, spiraaltorens van slagroom en overdosissen boter, frieten en mayonaise.

Applaus van twee jonge meisjes begeleidde ons vertrek. Een van hen was Mauro. Start- en aankomstplaats waren haar huis: het huis van Mauro. Het is geen gewoon huis. Mauro is ook geen gewoon meisje. Ze werd geboren met het syndroom van Costello. Het komt uiterst zelden voor, dat maakt de dragers ervan uniek. Het gaat ook nooit meer weg, je hebt het en je houdt het. Wij, volmaakten, noemen mensen zoals Mauro mensen met een beperking. Toon mij één mens zonder beperking en ik leid u rechtstreeks naar het paradijs, inclusief een meet and greet met de schepper in persoon. Of in geest, ik weet het ook niet.

‘Casa di Mauro’ was in een vorig leven een hoeve, veel te groot voor zomaar een meisje. Mauro woont daar dan ook niet alleen. Zij woont er samen met andere buitengewone mensen. Iemand heeft het syndroom van Down. Iemand anders weer iets anders.
De oude hofstede is professioneel omgebouwd tot leefboerderij. Het enige wat er moet, is gelukkig zijn. Er mag worden geleefd op eigen tempo.
Soms moeten handen uit de mouwen. De tafel moet gedekt, de vaat gedaan, de kamers netjes gemaakt. Ook de velden rond het erf zijn bewoond. De veestapel bestaat uit een os, een koppel ezels, vijf geiten, een stel varkens, een konijn, een hamster, een cavia, kippen en een poes. De bewoners van het huis voederen hun dieren en geven ze water, ruimen op wat de natuur achteloos neerlegt.
Hun fietsen plaatsen zij in ‘Velo di Mauro’.

Ze zijn het niet maar leven wel als broers en zussen. Ze ruziën om de afstandsbediening, ze eisen een plek in de zetel. Ze lezen in een boek of twisten om de iPad.
Mauro en haar lotgenoten zullen nooit op eigen benen in het leven staan. In dit huis, deze plek onder de zon, is altijd iemand in de buurt die van ze houden kon. Iemand moet zorgen voor wat organisatie, afspraken maken, rekeningen betalen. Iemand moet meeleven. Zorgen voor begint niet om acht uur in de ochtend en stopt ook niet acht uren later. Elke medewerker is een vrijwilliger, ook de bezoldigde.

Ik vond me heel wat toen ik dit logge lijf over pittige Brabantse heuvels sleepte. Een fikse tegenwind blies deze vlaag van zelfgenoegzame ijdelheid gelukkig weer snel de fletse lucht in. Dit was niets, stelde niets voor.
Massa’s mensen doen massa’s dingen. Gewicht van hespen wordt geschat. Er worden pannenkoeken gebakken, liters cava verzet en kilo’s croques gefret. Men quizt en exposeert, speelt gezelschapspelletjes tot diep in de nacht, warmathont en dansathont. Vanuit geïmproviseerde garages worden voor veel te veel geld prullaria verkocht. Men veilt en zingt, snoept, verwent en wandelt. Noem een werkwoord en het wordt gedaan. Buiten beeld, zonder camera. Om een zieke te verzorgen. Een hongerige te spijzen. Een naakte te kleden. Een dakloze te herbergen. Misschien zelfs een gevangene te bezoeken.
In dit land, weet ik uit ervaring, laven de dorstigen zichzelf en begraven we de doden.

Toen we honderd kilometers later weer het erf opdraaiden, stonden dezelfde twee meisjes aan de poort weer in de handen te klappen. We mochten aan tafel de benen ontspannen, de meisjes presenteerden pasta’s van eigen maak. Ooit werd ik in duurdere restaurants met veel minder oprechte vriendelijkheid bediend.

Ik geef toe: enige meligheid is mij niet vreemd. Een liedje van Amy maakt mij weker dan een kwal in een weckpot. De emotie op die plek op dat ogenblik echter was géén slap afkooksel van gratuit sentiment. Het was ontroering. ‘Casa di Mauro’ staat als een huis. Mijn arrogante ‘ik-heb-een-goede-daad-gedaan-vandaag’-gevoel droop beschaamd van me af en verdampte aan mijn voeten. In de opstijgende mist las ik het woord ‘Respect’.

Mijn nieuwjaarswijn koop ik in ‘Cantina di Mauro’.

http://www.casadimauro.be/

Boemerang

Ik was geloof ik acht. De schooldag begon met de catechismusles. We kregen een vragenboekje over het katholieke geloof. De vragen varieerden van niveau gemakkelijk tot niveau onbegrijpelijk, zoals in schoolboeken en geloof gebruikelijk is.
Gemakkelijk: is er méér dan 1 god? Antwoord: neen, er is maar 1 god. Iedereen was nog in koers voor de hoofdprijs. Onbegrijpelijk: hoeveel goddelijke personen zijn er? Antwoord: er zijn drie goddelijke personen te weten god de vader, god de zoon en god de heilige geest.
Wie dát wist en nog begreep ook, maakte flink kans op de jackpot. Mijn vader, zelfverklaard christenmens, citeerde steevast een lezersbrief uit de krant: “Begrijpe wie begrijpe kan.” Men zegt dat vandaag de jeugd het moeilijk heeft.

Eenzelfde verwondering vorig weekend toen plots, als uit het hemelrijk, burgemeester, Kamerlid en partijvoorzitter uit één mond opriepen om komaf te maken met het neersabelen van andersdenkenden. De Drievuldigheid bestaat en huist op het Schoon Verdiep. Op een groot feest wilde het opperwezen graag verschijnen en prediken voor een aanzienlijke schare volgelingen. Geen beter oord daarvoor dan een kabouterpark aan de kustlijn.

“Wij pleiten vandaag voor verbondenheid. Laat het bashen nu eindelijk maar eens ophouden.” De aanhang in het pretpark verstilde, vaandels staakten hun fiere gewapper, een bassend plopperdeplopperdeplop plopte ver voorbij een achtbaan en doofde zuchtend uit.
Men hoorde toch goed? Hier spreekt toch de keizer van het vileine fileren? De koning van de genadeloze pointe? De Lucky Luke die sneller dan zijn schaduw met één dodelijke oneliner de voltallige oppositie neerlegt?

Men begreep het niet. Sprakeloos keek de een naar de ander. De Kracht van Vernedering werkt toch? Is vanaf nu dan niet langer de sos de schuld van alle onheil? Rijdt dan plots niet meer elke Berber in een Mercedes langs de armenwijken om onze kinderen vol drugs te pompen? Schuilt niet in de rugzak van elke moslim een explosief? Is niet langer de werkloze een van ons zweet profiterende luiaard, de ontheemde een crimineel, de bakfietsouder een communist, de redder een mensensmokkelaar?

Verbijstering omarmde het pretpark. Onzekerheid sloop als een slang in de rangen. Veranderen wij plots radicaal het geweer van schouder? Verliezen wij hier niet onze identiteit? Gaan wij verbroederen met de ander? Wat wacht ons nog? Komt morgen Theo naar het werk op pumps, in jarretels en flamingoroze lingerie met bijpassende tutu? Opent de burgemeester volgend jaar zijn bal, soepel swingend in de armen van Kris Peeters op de goedkope disco van ‘Ich bin wie Du’?

Ook ik geloofde in een eerste zwak moment mijn oren niet. Hoe hypocriet, dacht ik. Hoe demagogisch. Een populistisch mirakeltje. Eerst verwijt men de fietser onder de vrachtwagen te sukkelen, de arme zijn armoede, de leerling de les niet te begrijpen, de zieke niet te gaan werken en nu… laat ons lief zijn voor elkaar.
Echter, ik dwaalde. Tijdig zag ik mijn kemel in. Hoe dom had ik gedacht, hoe slecht geluisterd? Ik was een gevangene in de tunnel van mijn vooroordelen. Blinde muren aan weerskanten. Alleen een idioot verandert nooit van mening. Wat als deze wens oprecht was? Wat als het trio het wél goed bedoelde? Wie ben ik, anonieme sterveling op de dool, om die verbindende woorden klakkeloos te onthalen op hoongelach? De allerhoogste wenst toch alleen de ideale wereld voor elks zijner onderdanen in dit Monaco aan de Noordzee?

Dan brengt deze oproep aan ons allen niet alleen een boodschap van vrede, tevens vormt hij ook een mea culpa! Een vergeef mij, ik heb gezondigd maar ben tot inkeer gekomen. Welaan dan! Laat ons onze harten openen. Omhelzen wij dan gracieus en vergevingsgezind het verloren schaap dat de stal heeft weergevonden. Laat ons leren uit deze les en zelf ook wat meer begrip betrachten. Er is weer hoop! Morgen wordt beter dan vandaag!

Laat ons hopen.

Dat de Arcospaarder terugkrijgt wat de bank hem ontstolen heeft.
Dat de minister een begroting in evenwicht presenteert.
Dat de centen van het belastingparadijs mogen stromen naar de staatskas.
Dat we er in de strijd tegen armoede veertig miljoen extra tegenaan knallen en niet afpitsen.
Dat het fort een antwoord biedt aan de ongelukkigen die buiten wanhopig aan haar poorten kloppen.
Dat er vanaf heden geen vijanden meer bestaan, onze vrienden geen schilden dragen.

Misschien draaf ik door. Wellicht hoop ik te veel.
Misschien is het realistischer te vragen aan Sinterklaas dat hij zijn baard afscheert.
Aan imam en rabbijn dat hij samen met ons tijdens de hoogmis de hostie consumeert.
Aan de politicus dat hij doet wat hij beweert.
Aan de boemerang dat hij niet wederkeert.

Kinderspel

Lui en lamlendig lag de gorilla in de hoek van zijn hok, zijn blik een compleet misprijzen. Na vijftien jaren in de Zoo kijk je niet meer op van een of andere soortgenoot die je door het venster staat aan te gapen.
Matadi was zijn naam. De klimtuigen en natuurrotsen in zijn Mensapenvallei lieten hem ijskoud. Zijn territorium was groen en welig, een riviertje kabbelde er gemoedelijk dwars doorheen, het deed hem niets. Hoe fraai zijn domicilie ook werd voorgesteld, hoe liefdevol men hem ook verzorgde, hij wist: mijn thuis is het regenwoud.

Somber filosoferend over dieren in kooien, zette ik me op een bankje. Een luide meisjesstem stremde mijn gemijmer: “Ik vind het gewoon een lelijk woord, transmigrant. Waar komt dat ook vandaan, zelfs?”
Ik schatte haar niet ouder dan zestien. Ze zat met een oudere man op het bankje wat verderop. Toon en volume van hun gesprek dwongen me tot meeluisteren.

“Het is eigenlijk …,” antwoordde de opa geduldig, “denk aan transport, of transfer, of…”, “…transgender zeker?” onderbrak ze. Ze tokkelde driftig op haar telefoon. “Trans: aan gene zijde,” riep ze. “het betekent: aan de andere kant.”
“Dus…”, zei de opa weer, “… wat denk je nu zelf?“
Een schoolmeester, dacht ik opeens. Of hij is een schoolmeester, of hij is het geweest.

“Iemand gaat ergens naartoe? Maar het ís toch een lelijk woord? Het gaat precies over een ding!”
“Ach, het kind moet natuurlijk een naam hebben”, zuchtte de opa. Nu komt een les, dacht ik. Eerst de probleemstelling, dan de uitleg en als er nog tijd is mag ze een oefening maken.

De opa ging door: “Het is een beetje zoals ‘Schipper mag ik overvaren’. Dat speelden wij toen we klein waren. Ken je dat? Aan de ene kant staan allemaal kinderen en die moeten aan de andere kant geraken. In het midden staat iemand om ze tegen te houden. De kinderen zingen: “Schipper mag ik overvaren, ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee?” Dan zegt de persoon in het midden: “Ja, maar je moet huppelen. Of bruine schoenen dragen. Of hinkelen op één been. En wie dat niet kan, wordt aangetikt, zo simpel is het eigenlijk.”

Ze lachte: “Zo simpel zal het wel niet zijn hé opa. Als je hoort hoeveel daarover te doen is. En als je getikt wordt?”
“In het spelletje”, vertelde de opa, tevreden over zijn heldere metafoor, “worden dat zelf ook tikkers. Maar in onze wereld, tja…”, hij aarzelde even, “…wie men pakt, wordt opgesloten. En dan teruggestuurd naar waar hij vandaan komt.”
“Waarom?” vroeg ze. De verontwaardiging van de jeugd danst er niet omheen.
“Dat hebben we met zijn allen zo afgesproken. Anders komt iedereen naar hier. En dat willen we niet.” Opa kreeg het moeilijk, zag ik. Hij probeerde een grapje: “Ik heb veel meegemaakt in mijn leven,” zei hij, “en veel stomme dingen gedaan. Maar hier was ik niet bij.” Verontschuldigend hief hij zijn handen in de lucht.

Ze rolde met haar ogen. “Ik snap het niet”, zei ze. “Waarom sluiten ze die mensen dan op? Die hebben toch niets misdaan?” Haar naïviteit vertederde me.
“Tja…”, zei hij, traag en bedachtzaam nu, “ze kunnen vragen om in het land te mogen blijven. Maar dat willen die mensen niet want ze willen naar Engeland. Trans migrant, begrijp je? Maar als je dat niet doet, dan ben je eigenlijk onwettig in het land. En dan word je opgesloten.”
“Oh my god, serieus? Maar dat is toch niet logisch? Hoe stom is dat? Dat is toch niet normaal!” De pitbull in de puber liet niet los.

“Kijk, het is natuurlijk ook niet gemakkelijk”, suste de opa. “Hoe zou jij dat oplossen?”
“Ja zeg, opa! Hoe moet ik dat nu weten? Ik snap nog zelfs het hele probleem niet! Wat zou jíj doen?”
“Geen idee”, mompelde de oude man. “Geen flauw idee.”

Gisteren op tv vroeg een presentator precies hetzelfde. “Humaan,” antwoordde de welzijnswerker. “Ik vrees dat er geen oplossing voor dit probleem bestaat,” antwoordde slim een journalist. “Het is moeilijk,” aarzelde de politicus.

Misschien weet Matadi wel wat, dacht ik, maar naar zijn mening vraagt niemand. “En het blijft een lelijk woord!” zei het meisje koppig. “Kunnen ze voor die mensen zelfs niet eens een fatsoenlijke naam bedenken?” Ik zag hoe de aap zich oprichtte, in drie stappen het riviertje overstak, een blad van een boom scheurde en ging zitten op een stronk. Hij lachte.

Feest in de stad

2018-09-01 - Stad Antwerpen - Onze Toren 500 - 089

(afbeelding: copyright stad Antwerpen – Thomas Geuens.)

Het was feest in de stad. Het was koppen lopen op de Grote Markt. Gelukszoekers uit verre streken stonden samengepakt op Oude Koornmarkt en Suikerrui. De Vlayckensgang puilde uit. Bieren stroomden in hectoliters over Blauwmoezelstraat en Maalderijstraat. De beiaard klepperde onstuimig frivole volksliederen. Versteende beelden glunderden, straatstenen dansten. Hier werd geschiedenis gemaakt.

Half in het donker stond fier de feesteling te pronken, wachtend op de glorierijke nieuwe verlichting ter ere van haar vijfhonderdste verjaardag. Elke Sinjoor weet: de enige weg tussen aardkloot en firmament leidt langs de ranke, pronte, ongenaakbare toren van de bisschoppelijke stadskathedraal, de volle 123 meters aan Maria gewijd. De stad had zich genereus getoond: tussen 18 u en 20 u was het eenieder toegestaan het heiligdom gratis te betreden. Deze zaterdagse vooravond hoefde Jezus geen handelaars uit het huis van zijn vader te ranselen.

Het duister viel als fijn stof, licht en onafwendbaar. Kijklustigen kropen dichter bij elkaar. Je kon adems ruiken, lichaamswarmtes voelen. Geliefden verstrengelden handen, onbekenden groetten elkaar, twee ordehandhavers hielden achteloos een oogje in het zeil. Brabo wierp zijn schaduw krijgshaftig tegen de in steigers gehulde gevel van het stadhuis. Klokslag 21 uur schalde over het stadscentrum de snijdende stem van de populaire burgemeester.

U zijt allen welgekomen, zei hij. Vandaag is de stad van iedereen, zei hij. Van heinde en verre komen de mensen in Antwerpen thuis, zei hij. Van kilometers afstand voelt de sterveling, zei hij, dat deze stad een veilige haven biedt, ongeacht je huidskleur of afkomst, je geslacht of seksuele voorkeur. Zelfs, voegde hij er kwansuis en schijnbaar per abuis aan toe, je religie. De avond was mooi genoeg om de burgervader te willen geloven.

Voorwaar, warme woorden. De burgemeester is een wijs man die wikt en weegt alvoor hij spreekt. Mocht er toch een minpuntje worden vernoemd, het zou de onzindelijke Antwerpse ‘ij’ betreffen die ook bij deze erudiete en doorgaans fijnbesnaarde leidsman tot vuile ‘a’ vervelt: Vandoog is de stad zonder twaafel van maa en van aa en van ongs allemool.

Onvergetelijk was het luchtspektakel door theater Tol. Het beeld was van een zeldzame schoonheid, de klank fabuleus, de vondst nooit gezien. Een kraan tilde fietsende en dansende artiesten tot hoog boven de Koekenstad, waar zij hangend aan een reuzenrad elegant rondjes zwierden. Frêle jonkvrouwen zweefden als engelen in de zomerlucht en strooiden glinsterende sprankeltjes hoop als manna uit de hemel. Ave Maria galmde van stadhuis tot kathedraal, de menigte hapte naar adem, sprakeloos, de verlichte toren bloosde feeëriek van trots. Het was een één keer in je leven. De stad was mooi en warm. Zij sloot ons, en wij haar, in de armen. We waren één, Liefde heerste, we bouwden aan de toekomst en we hielden van elkaar.

Nog zwevend en tintelend van dat samenzijn begon ook die zondag zoals elke zondag weer de vogeltjesmarkt. Een bepaalde politieke partij had het een goed idee gevonden een platform te verschaffen aan Geert Wilders, Hoofd Haatpredikerij der Lage Landen. Die gaf gaarne acte de présence. Een massale delegatie van de Antwerpse politie stond de meer-of-minder-Marokkanenman hierin bij. Het dreigingsniveau werd verhoogd, er waren statische ploegen, mobiele ploegen, zichtbare en onzichtbare agenten en een heuse helikopter. Dat volstond om die ene rebel met zijn bordje ‘Antwerpen is van iedereen’, geruisloos te neutraliseren.

De doctorandus in Provocatie en Schoffeerderij met op zijn hoofd een coupe als een softijsje in tegenwind, verklaarde stemadvies te komen geven aan de talrijke in Antwerpen residerende  Nederlanders. De Muzelman vormt een bedreiging, zei hij. We moeten hem weren, hij hoort hier niet thuis, zei hij. Het gaat om het voortbestaan van Antwerpen en Vlaanderen, zei hij, de hordes komen onze vrijheid roven. Zijn kompaan Filip, zelfverklaard volksbevrijder, trad hem gretig bij. Het is hier Antwerpistan, zei hij. Wij zijn in gevaar, zei hij. Wij worden bedreigd, ook u, waarschuwde hij nog de Joodse enclave. Hij riep op om samen te strijden en den vreemde te verjagen. Anke, die Vlaamsche Lorelei opjaren, vervulde haar rol en keek vertederd mee over de schouder van haar koene ridder.

De engelen op de kruin van de majestueuze gotische kerk staakten hun gezangen. Zij sloten beschaamd de ogen, bogen het hoofd en daalden neder ter aarde, hun vleugels zwaar als klei. Gisteren nog Himmelhoch jauchzend, vandaag zum Tode betrübt.

De burgemeester draaide zijn hoofd de andere kant op en zag een bepaalde bevolkingsgroep.

 

Gelukkig nieuwjaar

Liefste iedereen

Aan het begin van ’t nieuwe jaar sta ik hier met mijn briefje klaar.
U zegt: “Pardon, je hebt het mis!” daar het nog maar september is!

Maar toe, herinnert u zich even, dat ik een groot stuk van mijn leven
(al viel me dat wel eens wat  zwaar, ik deed het bijna veertig jaar)

van dag op dag vandaag, met kriebels in de maag
samen met zovele anderen ingrijpend levens ging veranderen.

Ik trok dan fris en enthousiast en vol van goesting naar een klas,
om menig jongeling te verblijden, gekscherend, doch ook kennis te verspreiden.

Ik pompte in een nevenzin nog graag een vleugje wijsheid in,
opdat mijn leerling in het leven de juiste keuzes na zou streven.

Dat wekte afgunst soms en nijd, waardoor er na verloop van tijd
– en tot mijn verregaande spijt – een kloof ontstond, een broederstrijd,

waarin de keuze moest gemaakt: doen we het mild of eerder kwaad?
Is het met hart, of eerder hard? Is er ook grijs of alleen wit/zwart?

Men koos dan liever voor het laatste waarop ik voor die optie paste.
Mijn toekomst lag toen even plat, er dreigde een groot gapend gat.

Dat was een klapper voor de kop, daar zag ik stevig tegenop.
Ik had nog heel wat willen doen tot op de dag van mijn pensioen!

Maar zie, het is nu weer september, en misschien langzaam, maar ik ben er
toch ook stilaan weer doorgeraakt, al proef ik nog een wrange smaak.

De scholen starten weer een jaar, ook ik sta hier met nieuwe plannen klaar.
Om niet nog langer uit te stellen wil ik daarover u vertellen.

De tijd bracht mij opnieuw ambitie om oude dromen die ik weer zie,
alsnog in daden om te zetten: ik wil de taal en haar facetten

in alle vormen exploreren, veelvuldig genres uitproberen,
poëmen schrijven of een brief, artikels, columns, een cursief.

Neem dat ik een verhaal verzin waarin de slaaf het van de meester wint,
een Jood een Arabier bemint, een vluchteling een toekomst vindt.

Of stel ik schrijf ooit nog een boek, met een prinses die naar haar kikker zoekt,
een vis die vasteland ontmoet, een god die blind geloof opdoekt.

Dus: ik wil gulzig zijn naar boeken, voor zinnen juiste woorden zoeken
en rijmpjes maken, flinterdun, volgens de regelen van de kunst,

verwonderd blijven, zonder zorgen kijken naar de dag van morgen,
vrank en vrij de wereld in, nooit nog iets doen tegen mijn zin!

Tot slot wil ik ook u nog wensen (enfin, toch aan de meeste mensen)
Dat u in alles wat u doet, voldoening vindt, plezier ontmoet.

Voilà, c’est çà, hier eindigt mijn tirade. Tot slot gun ik u altegader
helder, oprecht en zonneklaar, een heel gelukkig gloednieuw jaar!

Uw kapoen Erik, 1 september 2018.

Op reis

Toen ik beschut onder een parasol mijmerend nipte van een glaasje gekoelde prosecco, werd ik aangesproken door een langharige Italiaan uit Padua. Zijn naam was Matteo Strukul. We trokken samen op. Voor een luttel bedrag gidste hij me graag door het Florence van de late veertiende en vroege vijftiende eeuw. Hij introduceerde me bij de geslepen Cosimo De Medici en zijn impulsieve broer Lorenzo. Hij maakte me deelachtig in de kuiperijen en intriges in de cenakels van de macht. Samen met architect Filippo Brunelleschi plaatste ik vanop de steigers in de Santa Maria del Fiore op ronduit revolutionaire wijze een reusachtige koepel op de trotse kathedraal. Na volbrachte arbeid savoureerden we wellustig stromen van de Chianti die de proef met de voorproever had doorstaan.

Nog meer Chianti deelde ik wat later met Mark Haddon, een Engelsman uit Northampton. Tijdens een nacht, te warm om de slaap te vatten, vertelde hij urenlang onder een twinkelende sterrenhemel over een Wonderbaarlijk Voorval met een Hond in de Nacht. Een jongen met het syndroom van Asperger, Christopher, vindt op een nacht de hond van de buurvrouw op straat met een riek in zijn buik. Christopher is dol op Sherlock Holmes en gaat vastberaden, gewapend met de ijzeren logica van de autist, op onderzoek. Is het hoofd een gevangenis waarin je levenslang zit opgesloten, de ene cel is toch de andere niet.

’s Ochtends in mijn hotel lag op me te wachten een bundel Brieven uit Genua, de stad die later in deze broeikaszomer op bijzonder naargeestige wijze het nieuws domineerde. Ilja Leonard Pfeiffer nodigde me aan zijn tafeltje op het terrasje op het Piazza delle Erbe! Nederig kuste ik zijn vingertoppen, waarna we samen verdwaalden in het superbe labyrint van duistere en gevaarlijke steegjes die kriskras kroelen doorheen de stad. In een heerlijke barokke taal met een uiterst nauwgezet woordgebruik, loodste hij me langs hoeren en travestieten, pareerde messentrekkers en paria’s, wees me hoe bootvluchtelingen proberen te overleven en toonde me waar hij zijn brieven schrijft. We aten een lichte pasta met groene asperges, dronken hele avonden acque gassate en zwoeren elkaar tot weerziens. Si!

Enkele tafeltjes verderop hoorde ik een koppel in het Nederlands met elkaar praten. Zij was een mooie, jonge, blonde vrouw en heette Eva Rovers, hij leek heel erg op Mick Jagger. Zijn naam was Boudewijn Büch. Zij praatte honderduit, zijn woorden waren op. Ze inviteerde me aan hun tafeltje maar praatte vooral tegen hem. “Boud, we praten over jouw Verzameld Leven!” hield ze hem voor. Ze schetste hoe hij de weg was kwijt geraakt in zijn eigen autobiografictie. Ze hield hem voor dat hij het kleine blonde zoontje dat hij in zijn tastbare leven verzonnen had, op een bepaald ogenblik wel moést de dood injagen. Een schrijver liegt de werkelijkheid bij elkaar, je eigen verzinsels geloven is funest. De leugen loopt dan wel snel, een uitweg vindt ze niet.

Eva en ik lieten Boudewijn zijn wanen en doken voor een weekje het Amsterdamse nachtleven in, sjouwend van kroegie naar kroegie, al deden de voeten soms zeer. Aan een bruin tafeltje in een donkere kroeg zat, somber en mysterieus, alleen, Alicja Gescinska. Rondom haar de geur van vallende bladeren. Ze verhaalde over, hoe kan het anders, Een Soort van Liefde. Een studente en haar dertig jaar oudere prof worden hopeloos verliefd en raken verstrikt in het eeuwige web van dromen en daden. Tragisch, hoewel de liefde aanhoudt tot op het sterfbed. Alicja vertelt haar verhaal met een ondertoon van Slavische weemoed. Je hoort in de verte de piano en weet hoe het afloopt, maar je laat haar geduldig uitpraten. Haar verdriet is teer en breekbaar als haar glas witte wijn.

Ik lag, moe van het verre reizen in vreemde hoofden, te dommelen in de trein op weg naar huis, toen een oude man met hese stem me vroeg of hij me mocht vergezellen. Hij stelde zich voor als James Salter en kwam uit New York. Als oude mannen praten, hebben ze het over leven en liefde en dood. Over hoe twee ooit gelukkige mensen uiteindelijk bijna onmerkbaar en tegen hun wil Lichtjaren van elkaar verwijderd raken. Over hoe alles wat ooit begint te leven er ooit ook weer mee ophoudt.

In de vertrouwdheid van mijn huiselijke kring probeerde ik al deze verhalen hun juiste plaats te geven. Toen stootte ik op een filmpje waarin Ilja Leonard Pfeiffer aankondigde dat hij ophield met schrijven. Hij zou voortaan gaan koken voor zijn Italiaanse bella donna, Stella. Later bleek het om een grap te gaan, een 1 aprilgrap.

Het leven zoals het is.

I.M. voor M.

De week begon met Karel Van Miert. Die maandag was matig bewolkt met weinig wind. De coryfee van vandaag vergane socialistische glorie vulde de avond met kersen plukken. Toen hij halfweg de ladder opkeek van zijn gevulde mandje, zag hij onder zich staan en geduldig wachtend, de dood. Die strekte de vinger kalm doch gedecideerd naar het hart van de gewaardeerde politicus. Dat gehoorzaamde en stopte met pompen. Een boerenzoon had zich een weg geploegd van akker naar salons en stierf staande tijdens de arbeid, de roden treurden. Aan het graf dekten twee weduwen samen met hun man ook De Internationale met aarde toe.

Enkele dagen later verkoos de kwetsbare zangeres en omroepster Yasmine om niet nog langer deel te nemen aan dit ondermaanse gewriemel. Ze leed aan de Liefde, háár hart broos en breekbaar als porselein. Het leven rolt niet voor iedereen een rode loper uit. Liefdesverdriet met hoofdletter, te groot voor eeuwige meisjes.

Dezelfde dag demonstreerde Michael Jackson dat ook de groten der aarde maar gewone stervelingen zijn. Koning, keizer, admiraal, doodgaan doen we allemaal. Michael was nog zwart en afro gekapt toen hij zoetgevooisd onze levens in zoemde met in zijn kinderhandje de staart van Ben, een rat, zijn beste vriendje. Albinoneger noemden wij hem later baldadig, neger zeggen mocht toen nog. Op weg naar het koningschap van de pop verbleekte de ster tot hij bijna doorzichtig wit ging moonwalken in de eeuwige brandende spots van het firmament.

Niet de groten maar de kleinen zijn de ankers in onze levens. De wereld dacht alles gezien te hebben maar wij wisten beter. Ook in die week kwam de zaterdagavond aan het einde. Voor de mensheid onzichtbaar vocht in een anoniem ziekenhuis een anoniem lichaam een niet te winnen strijd. Het lag in schijnbare rust, machteloos wachtend tussen piepende en zuchtende machines. “Het is nu aan hem,” zei de dokter. “Wij voorzien zijn soldaten van wapens, het is afwachten of ze die opnemen en de strijd aangaan.” Dat hij oorlogstaal gebruikte, drong niet echt door. We waren toeschouwers bij een bewegingloos slagveld en alleszins ik vatte niet dat de strijd ging over zijn of niet te zijn. De dood bezocht bij ons enkel de hoogbejaarden.

Misschien was niet het doodgaan op het einde het pijnlijkst, maar het gebrek aan leven in de weken voordien. We keken naar iemand die er niet echt meer was en waarvan wij tegen beter weten in geloofden dat hij nog weer zou keren. Er lag een lichaam maar niet meer de mens die het ooit geborgen had. Een schrijnende afwezigheid van leven, de ogen gesloten, het deinen van de borstkas kunstmatig, koude warmte als bij het kunstlicht van een buislamp.

Maar wij geloofden. Plots vonden wij onszelf verenigd rond wat een sterfbed zou worden. Samen in een kamer stonden een moeder en een vader, kinderen, zonen en dochters, als een familie. De soldaten echter lieten de wapens liggen, zij deserteerden, de dood kwam, zag en nam mee, als een dief in de vooravond. “Jullie hebben een hechte band,” zei de dokter. Daar keken we van op.

Wij vormden nooit een familie van de samenhangende soort. In de twee weken die mijn broer gebruikte om de grote oversteek te maken, verenigde hij wat ooit uit elkaar was gespat. L’union fait la force, ook in verdriet. Hij en wij betaalden daarvoor een zware prijs. Sindsdien proberen we elkaar geregeld te ontmoeten. Het is allemaal niet voor niets geweest.

Mijn broer, hij leeft.