Robin Hood

Zeven of acht was ik.
In de boeken die ik las, beleefden helden de avonturen waar ik van droomde. Zo schermde ik als de vierde musketier, D’ Artagnan. Of werd ik Richard Leeuwenhart, verbannen koning van  Engeland. Winnetou, de heldhaftige Apache, was ik ook. Maar liefst kroop ik in het groene pak van Robin Hood, van emplooi struikrover uit Nottingham.
Hoe heerlijk, vrij te zwerven in onmetelijke wouden, met spitsbroeders, door bloed verbonden tot aan de dood. Wars van gezag, soeverein, onversaagd en gezegend met een hart van goud. Stelen van de rijken om te geven aan de armen, in onvermoeibaar verzet tegen valse koning of snode generaal, ziedaar de missie in mijn leven!

Helaas, deze piepjonge held diende zich eerst nog te ontdoen van het ouderlijk juk. Mijn moeder en vader maakten korte metten met mijn roep naar vrijheid en rechtvaardigheid. In hedendaagse tijden valt met Struikroverij geen droge homp te verdienen, beweerden ze. Het redden van de smachtende jonkvrouw kan altijd later nog, nu eerst in korte broek, billen bloot, hop naar school. Rijken bestelen kan wachten, verover eerst maar een diploma van bankbediende of boekhouder, ga in de politiek desnoods. Legale criminaliteit, onschendbaar en beter betaald, stelde mijn vader.
Ik borg mijn idealen op maar vergat ze niet.
Wonderjaren beleefde ik. Lag Robin Hood of musketier nog in een onbekende toekomst, Pietje Bell en Witte van Zichem vulden de vrijgekomen ruimte bereidwillig in met wat toen nog onschuldig kattenkwaad werd genoemd.

Ik dacht, zo vergaat het elk kind.
Maar passeerde me daar deze week een figuur! Patser, bol opgespannen buik bij elkaar gehouden door een strak geknoopt hemd. Biertje erbij. IJsberend van deze naar gene zijde, drukke gestes. Een tirade, het moest eraf. Onderwerp: de vrouw. Niet eentje, niet enkele, nee, de vrouw als algemeen verschijnsel. Als een kenner oogde hij niet. Hij debiteerde filosofieën die al in het Pleistoceen als achterhaald mochten beschouwd.
Idioten zullen er altijd zijn en overal. Hang een camera in het dorpscafé, je krijgt dit soort ongein op je scherm. De vraag van de dag echter: hoe groeit een jongetje van zeven, ooit toch ook zuivere onschuld in zomershorts, uit tot zulk gal opgevend organisme? Wat is er fout gegaan?

Dan dit.
Een Amerikaanse producent van films, befaamd pussygrabber voor, na en tijdens de werkuren, schikt in der minne.  25 miljoen dollar, dan zijn we ervan af. Mijn toast, besmeerd met een veegje caloriearme boter en een dikke laag vier vruchtenjam, hapert in mijn keel. Hoezo, schikking? Wat dan met de eerbaarheid? Moeten ook niet rijke, dikke, witte mannen manieren leren? #metoo toch? Alle vunzigheid de wereld uit! Je zonden kopen met een aflaat, hoe donker middeleeuws is dat? Valt dat ook onder rechtvaardigheid?

Je dacht het wel gezien te hebben. Tot dit.
Een kind, elf, sukkelt onder een vrachtwagen. Kind dood, chauffeur in shock, buurt bang: wordt mijn kind het volgende slachtoffer? Zegt de burgervader: “Het wordt zoeken naar het delicate evenwicht tussen verkeersveiligheid en economische belangen.” Mijn toast weer op weg naar de ingang. Huh? Hoeveel kinderen zijn we bereid te offeren op het altaar van de economische winst? Is dit écht een overweging, zelfs? Serieus?

En dan.
Europa heeft een Green Deal. Eindelijk, een lichtpunt, denk je. Vergeefs. Wij, geboren op deze heilige korrel, weten beter. In de Vlaamse navel ontspringt de Bron van Alle Wijsheid, dat is geweten, zo dicteert het de canon. Als dat geld kost, zegt de minister, dan niet met mij. Misschien, het is maar een ideetje, brengt een mondmaskerfabriek in het midden van een woonwijk nog wel wat op?
Wanneer stootte de K van Kapitaal de S van Samenleven van de eerste plaats in de Hitparade der Normen en Waarden? Wanneer verdwenen woorden als Respect en Fatsoen in de vergeetput? Waar zaten wij toen? Naarstig aan de arbeid wellicht, kop in de grond, laat de boeren maar doen. De karavaan trok voorbij, we zagen hem niet.

Vandaag doe ik niets.
Ik kijk naar National Geographic, een documentaire over de mammoetjacht. Er bestaan sprekers die  daar nog hebben aan deelgenomen. Speren prikken venijnig in dikke vachten, schril geschreeuw jaagt de kudde op. De kolossen roffelen hun zware poten, de grond davert. De giganten draaien doelloze rondjes. Slagtanden zwaaien heen en weer. Onrust. Paniek. De leider schudt dwaas de kop, vlucht. De kudde volgt, stormt als bezeten recht vooruit, alsmaar recht vooruit, kop in de grond, verstand op nul, blik op oneindig. Aan het einde wacht de afgrond of de kloof.
En er is niets tegen te doen.

Een gedachte over “Robin Hood”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s