De moordenaar in mij

               Brengt de avond ongemak, nachten zijn ellende.  
               Eerst slaap ik nog als een baby. Dan schiet ik ergens in de donkerste stilte wakker. Zomaar. Er is geen reden. Ik schrikte niet op uit een kwade of opwindende droom. Er klonk nergens een verdacht geluid, geen krakend deurslot, geen gebroken keukenraam. Ik lig op mijn rug en staar dwaas het donker in. En al is hij dan weer voorbij, die mooie zomer, boven mijn hoofd klinkt pesterig het scherpe hoge zoemen van een mug.
               Dat dit geluid geen zoemen is maar slechts het heftig fladderen van ragfijne vleugeltjes, is hier en nu niet van tel. Dat muggen nachtblind zijn, met hun gegons potentiële partners tot paren inviteren, het boeit me niet. Ze doen maar, ik ben coulant. Maar waarom hier? Waarom nu? Waarom bij mij? Er is zoveel lekkerder op de wereld dan ik. Ik wil gewoon slapen.

               Een hardnekkige steekmug denkt daar anders over. Muggen houden van het kooldioxide die wij uitademen. Dit specifieke exemplaar wordt blijkbaar stapelgek van mijn nachtelijke adem. De portie look die ik vanavond nog achter de kiezen sloeg, boezemt hem geen afkeer in. Hij wil mijn oren kussen, mijn handen strelen, mijn neus kietelen. Mocht ik op dit tijdstip van de nacht niet zo chagrijnig zijn, ik beschouwde zijn drang als een compliment.
               Ik wuif hem weg. Hij danst de nacht in, keert dan weer. Dit blinde aftasten herhaalt zich. En opnieuw. En opnieuw. De intensiteit neemt toe. Het wordt persoonlijk. Een strijd, mug tegen mens. Hij of ik, op leven en dood. Ik houd me stijf en onbeweeglijk, een en al focus. Uit het duister duikt hij op, naast mijn wenkbrauw links. Pets! Een gat in de nacht. Hij probeert een riskante landing op mijn rechteroor. Pats, Boem, Paukenslag. Ik spaar het insect en ook mezelf niet. Het doet pijn. Mijn kaak gloeit. Mijn frustratie groeit. Hoe driftiger mijn slag, hoe vrolijker het muggengesnor. Dat steekt.
               Vanbinnen woedt stilaan de blinde razernij van de frontsoldaat. Ik zweer bij al wat mij lief is: dit kreng zal mijn bloed niet drinken. Krijg ik het in mijn handen, ik ruk het de pootjes en vleugels uit en voeder het kadaver aan de spin in de hoek. Verscheuren wil ik het, vermorzelen, vernietigen. Ik ben niet gek, maar die kop moet eraf. Bloed wil ik zien. Minder mug, meer slaap, zo eenvoudig is het soms.

               Ik schrik van mijn hardvochtigheid en de gruwelijke taferelen in mijn hoofd. Plots denk ik aan die documentairereeks op Netflix, I am a Killer. Getuigenissen van tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde moordenaars. Wat dreef ze ertoe een ander het leven te benemen? Ze weten het niet. Ze begrijpen zichzelf niet. ‘Ik was iemand anders toen,’ zeggen ze. Ze blikken met ongeloof terug naar wie ze ooit waren, de gruwel die ze ooit pleegden. ‘Die schuld draag Ik voor altijd met me mee,’ zeggen ze. De een na de ander. Je kan zien dat het ze pijn doet. Wij, foutloos en rechtschapen, kunnen daarvan vinden wat wij willen. Wij hebben geen idee.
               Ben ik zelf ook tot doden in staat, vraag ik me af terwijl ik roerloos op een volgende aanval wacht. Er woont veel volk in mij, dat weet ik. Een speelvogel en charmeur. Een onnozelaar en een schoolmeester. Een dichter en een tobber. Een goede luisteraar naast een slechte verstaander. Een kok, een sportman, een dronkaard. Schuilt daartussen ook een moordenaar? Ik denk aan ‘Schuld en Boete’, een meesterwerk uit de negentiende eeuw van de Rus F.M. Dostojewski. De student Raskolnikov vraagt zich af hoe dat voelt, iemand doden. Louter uit nieuwsgierigheid klieft hij met een bijl de schedel van een oude vrouw in twee. Niet veel later reageert hij, verteerd door wroeging, opgelucht bij zijn arrestatie. Hij is blij dat de tijd van boetedoening is aangebroken.

               Deze boeiende gedachten verdrijven wel de tijd maar niet een mug. Als een gek zwaai en sla ik om me heen. De nacht is een gatenkaas. Mijn moordlust is groot, de mug echter mijn meester. Te vlug, te leep, te luchtig. Dansend in het donker is hij ongrijpbaar. Mijn woede verdampt in het ijle. Wanhopig, overwonnen, vernederd rol ik me uiteindelijk als een foetus onder de klamme lakens waar ik wanhopig tracht naar een laatste restje slaap.

               Geradbraakt rol ik In de vroege ochtend het bed uit. Een loser ben ik. Gekrenkt tot op het bot. Gehumilieerd door een ongrijpbaar zespotig monster van nauwelijks tien milligram. Ik zweer het, als ik dat ding te pakken krijg. Mijn handen jeuken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s