Een kleine jongen was ik nog toen we vanuit het dorp verhuisden naar de grote stad. Dat was wennen. Meer auto’s, meer winkels, meer mensen, meer gedoe, bovendien lachten de kinderen op de speelplaats om ons accent. Om ons zo gauw als kon de lokale spraak eigen te leren maken, haalde mijn vader langspeelplaten van De Strangers in huis.
Strangers, valt mij nu zomaar in, is het Engelse woord voor Vreemdelingen.
De Strangers waren vijf oude witte mannen die in het Antwerpse dialect van spot en hoon hun verdienmodel hadden gemaakt. Niemand was veilig voor hun schalkse schimp, niet de Schele Vanderlinden, niet de Rijkswacht of Den Dopper, al helemaal niet de bleke Algerijn die graag hier Gastarbeider wilde zijn maar op het eind van het liedje toch liever naar de heimat terugkeerde, want ’… ‘t is er warm … en ‘k zen er thuis.’
Andere tijden. Veel wat toen vrank en vrij werd uitgespuwd, is vandaag beladen. Woke, noemt men dat meesmuilend. Ikzelf zeg liever: wakker, zoals in waakzaam, alert. Een kleine moeite, een wereld van verschil en een kleine stap op het hobbelige pad naar een betere wereld.
Aan dat alles moest ik denken toen ik voorbije zondag, u weet nog wel, verkiezingsdag, tijdens het ontbijt luisterde naar De Pré Historie op Radio 2. Natuurlijk dwaalden mijn gedachten tegelijk ook naar die volgzame jongen die ik was, naar de normen, waarden en zeden van die tijd zoals die ons door moeder en vader, dorpspastoor en schoolmeester werden ingelepeld: Bemin uw naaste gelijk uzelf. Spijs de hongerige, laaf wie dorst heeft. Kleed wie naakt is. Herberg de vreemde, bezoek de gevangene en zieke en begraaf de doden.
Soms denk ik, alleen dat laatste doen we nog.
Ik had in die verkiezing geen goed oog. Mijn hoofd, mijn hart, mijn ziel, mijn geweten, de vier vuurtorens die mijn schip veilig doorheen het woelige water van het leven moeten gidsen, knipperden rood. De waarden van weleer lijken net als De Strangers door de geschiedenis te zijn vermalen. Met een bang hart zette ik me voor de televisie.
‘Welkom op het feest van platgetreden paden,’ dacht ik al gauw. Wij kiezen geen poëten of woordkunstenaars, wij kiezen na-apers en platitudepredikers. De Kiezer had gesproken, de Kiezer had gelijk, het signaal van de Kiezer. Iedereen had overal gewonnen, behalve waar verloren werd. Eentonig, slaapverwekkend, langdradig als de eerste honderdvijftig kilometer van een wielerwedstrijd. Waren wij gisteren nog individuele mensen met een eigen stem, vandaag waren we één pot nat, een Hasselaar, een Bruggeling, een Gentenaar. Ninovieter, valt me nu net zomaar in, rijmt verbazend vlot op flieter.
Jan en alleman vroeg men naar zijn gedacht, de afficheplakker, de bijzitter in het stemlokaal, de hond van de buurvrouw van de partijvoorzitter. Alleen de bleke Algerijn bleef buiten beeld.
Toen het avond werd, steeg de spanning. In het licht van helle spots naderde vanuit het donker met veel bombarie en poeha een kleurrijke stoet. Mensen drumden, schreeuwden, duwden elkaar opzij. Toch herkende ik onmiddellijk de locatie. Dit feest speelde zich af dicht bij mijn huis, in mijn eigen stad, de stad waar ik gedronken en gefeest heb, de beiaard hoorde klingelen, geliefd heb en ruzie heb gemaakt.
De Kiezer in het land had zijn zegje wel gehad, het woord was aan de Keizer nu. Beschermd door bonkige bodyguards en omstuwd door zijn discipelen schreed de Keizer onder het wakende oog van een adelaarskop op een spies met geheven hoofd en vaste tred naar het spreekgestoelte vooraan in de arena. Op een teken van zijn hand bedaarde het gejoel. Begeesterd als een konijn voor een lichtbak hield het volk de tongen stil en de lippen op elkaar.
‘Vrienden,’ sprak de Keizer met die zeldzame waardigheid die enkel ware keizers is gegeven.
‘Vrienden,’ herhaalde hij, nu tot de camera, tot mij. Een warme gloed vulde mijn hart, mijn ziel, mijn geweten, mijn hoofd. Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. Volgden enige Latijnse frasen waar ik weinig van begreep en de obligate overwinningswoorden. De keizerlijke vuist ging de hoogte in, honderden vuisten gingen mee. Een tikje akelig beeld vond ik dat toch, die uitgestrekte armen in de lucht.
Volgde nog wat prietpraat zoals ik die dag zo vaak al had gehoord, wij si, wij la, wij hopsasa. Aan het eind zette de Keizer naar aloude regionale traditie een samenzang in.
‘Ons eigen volkslied,’ kondigde hij aan.
Tot mijn opperste verbazing herkende ik, jawel, een melodietje van De Strangers:
Antwaarpe, Ga ze ga veur ma
Toch de stad woar as ek zen gebore
Zwanst na ni é, dacht ik meteen, ik zen ier ielemoal ni gebore.
Deze vaststelling voelde als een trap in de onderbuik. Ik ben geboren in Vucht, een allerliefst gehucht, honderdtwintig kilometer slechts van hier gelegen. Waar ik vandaan kom bezingt men ‘t bronsgroen eikenhout waar ‘t nachtegaaltje zingt, waar over ’t malse korenveld het lied der leeuwerik klinkt.
Dat ik hier niet geboren ben, wil dat dan zeggen dat deze stad mijn stad niet is, dit lied niet mijn volkslied? Ik voelde mij ontheemd plots, ontworteld, een vreemde in eigen stad, migrant in eigen land.
Hoe moet het dan wel zijn, viel me toen zomaar in, voor die bleke Algerijn?

Wat een mooie vertaling van woke, late wij vooral wakker blijven. Een mooi column?
Om andere redenen voelde ik mij afgelopen week niet thuis in mijn eigen stad: https://www.derijnpost.nl/lokaal/opinie/1083722/column-jurgen-hillaert-unheimisch-in-mijn-eigen-stad
LikeGeliked door 1 persoon
Ik heb je column gelezen. Erg mooi stukje. En heel erg waar ook!
LikeGeliked door 1 persoon