Schoolreis (C-kronieken 8)

Ik ben vandaag weer dat jongetje van zeven, acht.
Veel te vroeg wakker, kriebels in de buik. Plassen of liggen blijven, slapen lukt niet meer. Een kinderlijk spannende verwachting verdrijft de slaap uit mijn lichaam.
Wat ik wel zeker weet:

  • De zon zal schijnen als op de mooiste dagen.
  • Vanmiddag zal ik mijn honger stillen met platte boterhammen en omelet. Uit een thermos zal ik koffie drinken, vermengd met een weinig melk en twee klontjes suiker.
  • Twee Capri-Sonne Orange koelen nog, maar als ik ze zal drinken, zullen ze lauw en kleverig zijn. Voorzichtig peuteren zal ik met het rietje, want prik ik naast het gaatje, dan bemors ik mijn kleren.

Wat ik meeneem:

  • Een rugzak.
  • Twee paar schoenen. Een paar om te rijden, een paar om te stappen.
  • Zakgeld. Voor ijs of snoep.
  • Een trui en misschien een lichte regenjas, je weet maar nooit.
  • Een selfiestick.
  • Goed humeur.

Waar ik bang voor ben:

  • Dat we de weg niet zullen vinden.
  • Dat de auto niet meer aan de praat geraakt.
  • Dat het niet mag.

De oude roestbak staat al weken stil. Hij kucht en pruttelt en blaast een zwarte roetwolk in de lucht. We pardonneren onszelf. Een keer in acht weken, dat mag, zeggen we.
De weg is leeg. En toch, elk ander is er een te veel. Is jouw verplaatsing wel noodzakelijk? Waar ga je heen? Hopelijk naar een ander doel dan wij.
Nieuwe bruggen, wegdeksels gefacelift, façades glad als glas. Aan de zijkant kranen, graafmachines, vrachtwagens, bergen en bergen zand. De wereld stond niet stil toen wij er in ons kot niet aan deelnamen.
Vaandels met rode en witte strepen verbieden de toegang tot eethuizen en hotels. Café De Raaf is nog steeds gesloten. Over het vliegveld klapwiekt eenzaam een buizerd. De strook naar Départs is verlaten en niemand arriveert.

Waar we zijn?
Weten we niet. De wereld is van iedereen vandaag. Grasgroene weiden en heuvels, uitheemse bomen, ruime vijvers. Onze stapschoenen slenteren nergens heen, niemand wacht, niets moet. Een raadspel: daar een populier, gele boterbloemen, ginds een vlierbessenstruik. Bij oma stonden er ook, we maakten er confituur. Waar we gaan, gaan we alleen. Verderop picknickt een viertal, jongelui, op een eiland van gezelligheid.
Een peddelende eendenfamilie maakt me jaloers. Zwemmen is ons niet toegestaan, hier niet, nergens niet. Een kleine jongen gooit iets kruimeligs in het water, roept kreetjes in een onbekende taal. Twee zwarte eenden, vreemden in de vijver, klauwen er naartoe. Papa Eend spreidt zijn vleugels, scheert als een airbus over het watervlak, snatert de indringers naar de andere kant van de plas.
We krabbelen een heuveltje op, blijven veilig weg van zwetende joggers die zich hijgend en puffend naar boven wroeten. Daar wacht de hoofdprijs. Een bestelwagentje met kleurige bollen ijs erop geschilderd. De wafels komen uit Luik. “Attention,” zegt de meneer, “c’est warrem.” “Dank u wel,” antwoord ik, “bonne journée.” Het is fijn woorden wisselen met iemand die je niet kent.

Later, in het grote bos. Het is er donker en de bomen, hoog en dicht bij elkaar, breken het licht. Een zuchtje wind, een blad wipt op, er ritselt en roert en loert entwat in het gebladerte. “Nog een echt bos-bos, niet van dat kunstmatig aangelegde” zeg ik. “Twee keer bos, dat is herbos.” Dat vind ik grappig.  Sommige bomen kregen meer wind dan ze konden vangen. Ze liggen als een bokser languit op de aarde, uitgeteld en ontworteld, bekleed met een deken van mos.
We klauteren en slenteren, lachen, fantaseren, lijken te verdwalen. Nergens ronken motoren, geen auto, bladblazer of boomzaag. Dichtbij klappert een zanglijster, bevangen door paardrift, een wijfje achterna. Een minuscuul eekhoorntje, nog in dons verpakt, kruist ons pad en trippelt fluks de boom in.

“Wat een avontuur,” verzuchten we ’s avonds. “Wat keken we onze ogen uit. De schepping een wonder, wat je al niet opmerkt, ondergaat, absorbeert, na acht weken isolement. De wereld weer een onbekende, helemaal nieuw. We leerden weer kijken, ruiken, proeven. Hij is mooi en groot en een onophoudelijk bruisende bron van verwondering.
“Kijk naar mij, dit ben ik. Laat mij, neem mij zoals ik ben,” smeekt hij.
Terwijl de zon langzaam weer onder de einder duikt, slurpen we nog een kop warme chocolademelk.
Onze oogjes worden moe. We kijken naar elkaar en doen er maar het zwijgen toe.
Geluk is de som van kleine dingen.

2 gedachten over “Schoolreis (C-kronieken 8)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s