Over mijn lijk

          De enige manier om alsnog een universitaire loopbaan uit te bouwen, is mijn lichaam schenken aan de wetenschap. Na mijn overlijden weliswaar, zolang ik leef mag ik er gewoon mijn zin mee blijven doen.

          ‘Iets bereiken aan een prestigieuze hogeschool was altijd al een droom,’ legde ik mijn kinderen uit. ‘Maar jullie weten hoe het gaat. Tussen droom en daad staan vaders in de weg en geldelijke ongemakken.’ Daar wisten zij allebei alles van.
          ‘Maar heeft het ook enig nut?’ vroegen ze door. Je kinderen opvoeden tot weerbare en kritische burgers, op een dag keert dat als een boemerang terug in je gezicht.
          ‘Ik heb het opgezocht,’ antwoordde ik, ‘studenten Geneeskunde kunnen dan op je oefenen.’
          ‘Bweikes,’ zei mijn dochter. Meteen haar officiële standpunt waarvan ze geen duimbreed meer zou wijken.
          ‘Cool,’ vond mijn zoon, net als zijn vader een man van weinig woorden.
    Toen bleek dat het afstaan van mijn stoffelijke resten kosten noch overlast met zich mee zou brengen, verloren ze hun interesse. Jouw lichaam, jouw keuze, vonden ze allebei. En ze gingen vrolijk verder met dingen doen waar een vader niks mee te maken heeft en overigens toch niet begrijpt.

          Terstond stuurde ik de nodige documenten door. Denken aan het einde van mijn leven bleek toch ingrijpender dan verwacht. Die avond lag ik nog lang wakker.
          Wat zouden die studenten uit mijn overschot nog kunnen leren?
          Kunnen ze tegenwoordig in longen lezen dat je op je zevende je eerste nicotine inhaleerde? Verklapt je lever dat je op de dag van je eerste communie ook je eerste witte wijntje dronk? Brood en wijn gingen toen nog hand in hand. Kaas kwam daar pas bij na het tweede Vaticaans Concilie toen de kerk de teugels ietwat losser liet. Ziet men aan de littekens op je hart hoe vaak het werd gebroken? Ze kunnen toch niet aan je levenloos orgaantje zien hoe vaak …?
          Ik moet zijn ingedommeld.
          Plots zit ik in een soort circus, met een ronde scène in het midden en tientallen rode zeteltjes eromheen. Schemerlicht. Witte lelies links en rechts. De geur van wierook en mirre. Enigszins sinister maar toch ook gezellig. En in het midden van de cirkel onder een gele sport een sectietafel met daarop onder een wit laken het lichaam dat een leven lang het mijne was geweest.
          Het publiek bestaat uit jonge mensen. Studenten zijn het, eerstejaars. Ze weten nog niet goed wat te verwachten. Aarzelend, afwachtend, ieder in zichzelf gekeerd. Ik ben hun eerste dode, het lijk dat ze hun leven lang zullen herinneren. De spanning is te snijden. Een zenuwpees probeert een flauwe grap maar die valt dood op koude steen.

          Komt een prof het circus in.
          Het zou een mopje kunnen zijn maar dat is het niet. Met forse tred stapt hij op het laken toe. Alle ogen zijn op hem gericht, daar geniet hij van, elk academiejaar opnieuw. Dit is zijn moment, hij is de kern van de dingen, jou is hij nog voor het aperitief vanavond alweer vergeten.
          Hij fantaseert over wat er dadelijk te gebeuren staat. Wellicht valt zoals elk jaar ergens op de tweede rij wel weer iemand flauw. De verkeerde studiekeuze, je ziet het altijd weer gebeuren. Iemand wil per se leren koken maar heeft een peperallergie. Iemand gaat voor tandarts maar kan niet tegen slechte adem. Iemand wil snookerspeler worden maar is kleurenblind. En in zijn eerste les vivisectie valt er dus altijd minstens eentje om.

          Met één forse ruk aan het witte laken legt hij mijn lichaam bloot. Hier en daar wat sporen van vergankelijkheid maar al bij al nog goed geconserveerd. Monden vallen open. Hier een gilletje, daar een kreet. Kreunen, zuchten en onrustig geschuifel.
          De professor, stokstijf van ervaring, geeft geen krimp. Hij heeft alles eerder al weleens gezien.
          ‘Heren. Dames,’ galmt zijn stem door de ademloze ruimte, ‘uw eerste indruk? Wat gaat er door u heen bij het zien van deze mens in al zijn naakte glorie?’ Niets dan stilte is het antwoord. De jongens geloven hun ogen niet. De meisjes, doorgaans nochtans niet gauw verlegen om een woord, buigen bedeesd het hoofd. Neergeslagen ogen, een beetje verlegen gegniffel links, zacht geroezemoes rechts.
          ‘Kom op,’ moedigt de professor aan, ‘we hebben niet de hele dag.’
          ‘Hij wel, probeert opnieuw de flauwe grappenmaker. Ook deze grap sterft meteen een stille dood.
          ‘Professor, durft ten langen leste een stroblond meisje al doet haar haarkleur er niet toe. Een uitstekende studente is zij, gemotiveerd en slim. De professor weet al van de eerste les dat zij een Grote Onderscheiding wordt. Uitdagend kijkt hij haar in de ogen. Zij aarzelt, stelt dan de vraag waar iedereen in het circus graag het antwoord op wil weten:
          ‘Professor, waarom lijkt deze mijnheer zo blij?’

Plaats een reactie