Blog

Een dag in september

Het was de eerste dag van september, een dag die me wellicht bijblijft tot ik zelf herinnering word. Het is avond. Ik zit naast het bed van mijn vader. De kamer op de palliatieve eenheid moet nog koelen, de zon is al onder maar gloeit nog na.
“Het is ok,” zeg ik, “ik ben er, je mag gaan.” Soms ben ik in het diepst van mijn gedachten echt een god.
Er komt geen wederwoord meer. Enkel het tergende tikken van de secondewijzer op de ronde klok herinnert monotoon aan het verglijden van de tijd.

In normale omstandigheden begroet ik op deze dag mijn gezellen voor het nieuwe schooljaar, ook altijd een moment waaraan enige spanning voorafgaat. Hoeveel groter werden de kleintjes tijdens de voorbije vakantie? Wie is er weg, wie gebleven? Hoe reageert het nieuwe vlees in de kuip? De eerste dagen besnuffelen ze elkaar, als puppy’s. Wie bijt, wie is speels, wie aanhankelijk? Ze wegen hun leerkrachten, wat kan bij wie? Het korps intussen worstelt en discussieert zich voorbij dikke dossiers, verzamelt attesten, stort zich in bruuske hectiek na een luie zonnige zomer.
Ik koester een zelfbedachte theorie.
“Het echte leren gebeurt tijdens die twee maanden vakantie. Er is dan tijd om alles wat er het voorbije jaar werd ingeramd, een plek te geven in de ladenkast van het brein. Wat nog nodig is, komt in de eerste schuif. Het overbodige wordt ergens achter in een kast gepropt die nooit meer opengaat.”
Het gebeurt in die dagen wel vaker dat collega’s wat meewarig op mijn denkbeelden neerkijken.

Mijn vader beweerde steevast dat hij elk schooljaar eindigde als eerste van de klas, maar niet de kansen kreeg om langer school te lopen. Mijn moeder trouwens ook. In het donker van onze grote slaapkamer fluisterden wij wel eens dat de klasjes in die tijd wel heel klein geweest moeten zijn. Hoe ging dat toen, school, in een wereld die er nog veel slechter aan toe was dan vandaag? Het waren jaren van overleven, een meedogenloze harde hand en een diepgeworteld geloof in autoritaire leiders. Een vader was niet een gids maar een generaal die dweepte met woorden als gezag, respect en verantwoordelijkheid, begrippen die vandaag meer belegen smaken dan een vier jaar oude brokkelkaas van Gouda.

Excuus, dat laatste neem ik terug.
Men slaat ze nog om de oren van wie jonger is dan achttien. Wij, die bevrijde, bandeloze generatie klaplopers uit de jaren zestig en zeventig, pruttelen en zeuren ons de tanden uit de bek, rollen kibbelend over de sociale media en besmeuren elkaar met gezegden waarvoor de gemiddelde scholier een woensdagmiddag mag nablijven. Wat op de speelplaats pesten of schelden heet, wordt later vrije meningsuiting. Dan mag het. Voor de jongere klinkt alsmaar luider de roep naar de harde aanpak van vroeger.
Ik vroeg het die avond aan mijn vader: “Werd je daar nu een beter mens door?”
We lieten die vraag onbeantwoord, elk verwikkeld in ons eigen gevecht.

Woorden wekken, voorbeelden strekken.
Compassie voel ik voor de adolescenten die volgende week onze goed geventileerde klaslokalen zullen vullen. Afgelopen maanden mochten ze niets. Geen festivals, geen feesten, geen bijeenkomsten, niet uitgaan. Ondertussen pruilden de zogenaamd volwassenen als kleuters. Ouders en familie protesteerden opstandig, verwierpen elke autoriteit, contesteerden de opgelegde maatregelen, legden ze soms klakkeloos naast zich neer. Wie anders dacht, werd zonder de kleinste morzel respect publiekelijk geschoffeerd. Verantwoordelijken tot op de allerhoogste niveaus schuwden elke rekenschap, wij volgen ook maar adviezen, of godbetert, haben es nicht gewusst.  
En zij, ze zagen vanuit hun kamers een zomer van dromen langs het raam voorbijvliegen.

Nu wachten hen batterijen extra orders, verordeningen, richtlijnen en regels. Mondmaskerade, kleurencodes, ontsmetten en ventileren. Van het ene kot naar het ander.
Alle scholen moéten open, zegt Ben, er is geen alternatief. Nog meer leerstof missen kost ons onze plek op de OESO-ranking, daar mag wat volksgezondheid voor in de weegschaal. Soms denk ik, kunnen we niet een keer een sinus of een tangens skippen? Het oude Egypte laten voor wat het was? De onvoltooid toekomende voorwaardelijke wijs in het Frans stiekem negeren? De begrippen eb en vloed leggen ze ons wel uit tijdens het journaal.

De speelse pups zullen aandacht eisen.
Iemand zal prutsen aan de pijltjes op deuren en muren. Een ander zal tijdens een saaie les het elastiek van het masker van wie voor hem zit, vrolijk tegen de oren laten kletsen. Een derde vanachter de monddoek een vulgariteit roepen. Een fles ontsmettingsgel leegspuiten op een jas.  Sommigen zullen hun masker vergeten, of kwijtspelen. Soms opzettelijk, uit schaamte, omdat terwijl klasgenoten hun gelaat tooien met de meest blitse prints, zij daar zitten met een door oma zelfgemaakt bloemetjesmotief voor een mond vol tanden.

Ik duim voor ze.
Dat ze leerkrachten mogen ontmoeten die naar hun verzuchtingen luisteren. Hun onbegrip begrijpen. Hun kritiek respecteren. Tijd maken voor ze, sterk genoeg in de schoenen staan om ze door dit moeilijke en ingewikkelde jaar te loodsen.
Gidsen.

De avond is ongemak

Enkele jaren geleden. Het letsel moest nog litteken worden. Maar ook je wonden likken gaat na een tijdje zurig smaken. Het heelt nauwelijks en intussen tikt de klok gestaag verder, tik, tik, tik, tot hij stilvalt. Wanneer dat gebeurt, weet je niet, je kan de tijd die je rest maar beter vullen met dingen waar je hoopt plezier aan te beleven. Wie ophoudt met dromen houdt op te leven, en een mens is nooit te oud om te leren, zegt men. Dus schreef ik in voor een cursus, Creatief Schrijven heette die veelbelovend. Een van de eerste opdrachten luidde: ‘Stel, je oefeningen uit dit cursusjaar worden gepubliceerd en de uitgever vraagt jou de flaptekst te schrijven van deze bundel.’
Dit leverde ik in:

Dit doosje Pralines bevat taalsnoepjes in een rijke verscheidenheid van vorm, kleur en smaak. De vulling is een melange van joligheid en weemoed, op smaak gebracht met een shot cynische humor of een snuif tederheid, geglaceerd in een laagje optimistisch geloof. Een hemelse chocola die je gehemelte masseert.
Deze Pralines verteren licht. Proef de liefde en ambacht waarmee ze zijn bereid. Laat ze smelten op de tong, snoepje na snoepje. Bij voorkeur te degusteren tussen avondmaal en slapengaan. Een voorsmaakje voor een gelukzalige nacht.

Ver over de top, ik weet het. Deze vlag dekt helemaal de lading niet. Maar uitgevers moeten liegen, niemand koopt een boek waarvan de kaft de waar misprijst:

Pralines maken is een kunst die vakmanschap vereist, talent en passie, gaven die niet elke amateur zijn toebedeeld. Hoe fraai ook de wikkel eromheen, deze Pralines smaken als een smakeloze, kleverige mengelmoes van plat cynisme en melig optimisme, bereid door een souschef die dringend op zoek moet naar een meester. Wie ze wil consumeren, houd best de Rennie in aanslag. Deze Pralines liggen immers zwaar op de maag, verteren slecht en gunnen u geen seconde slaap.

Met een frons tussen de wenkbrauwen overliep ik dan ook de lofspraak op de omslag van ‘De avond is ongemak’, een boek van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Doet pijn’, ‘zeldzaam debuut’, ‘verstikkend’, ‘komt met een mokerslag binnen en dreunt nog tijden na’, ‘doet denken aan Jan Wolkers’, ’heeft me verpletterd’, ‘excelleert in de fantasie’, ‘dichterlijke taal’, ‘hallucinerend debuut’, ‘wervelend’, ‘adembenemend’. De uitsmijter: ‘Rijneveld wordt geen hele grote. Ze is het al’.

Zoveel jubel schept argwaan. Al te vaak liet ik verkooptrucs van de publiciteitsafdeling het saldo op mijn bankkaart kelderen. Maar tegelijk wilde ik wat er stond heel graag geloven. Ik was razend nieuwsgierig, het boek haalde zelfs de shortlist van de prestigieuze International Booker Prize. Margaret Atwood staat op de erelijst, William Golding ook, Kingsley Amis, Nadine Gordimer, Salman Rushdie. Dus ik ruilde vijftien euro van mijn pensioen in voor 270 pagina’s van belofte. En de koe bij de horens: ik adviseer u om hetzelfde te doen.
Niets op de flap is onwaar. Nog tijdens het lezen dacht ik: als het uit is, begin ik opnieuw. Nagenoeg elke pagina schenkt je een beeld, een bedenking, een detail waarbij je even stil wil blijven staan. Meteen al op pagina één, je voelt en ruikt de vettige uierzalf, “… het rook naar gaargestoofd uierboord, dat in dikke sneden besprenkeld met zout en peper weleens in een pan met bouillon op het fornuis stond en waar ik van gruwelde, net als van de stinkende zalf op mijn huid.” Daar zit je dan, in die afgelegen boerderij ergens in Holland, met dat smeersel en die dikke moedervingers op je gezicht. Welkom in dit nieuwe universum.

Lang verhaal kort: Jas, de vertelster, verzoekt god of die niet eerder haar broer Matthies bij zich wil roepen dan Dieuwertje, haar konijn. God, zoals we hem kennen, aanhoort haar bede. Het boek verhaalt hoe vader, moeder, broer en zussen elk op hun manier verdwalen in verdriet. Het gezin rafelt uit elkaar als een oude stofdoek, draadje na draadje. Van dit wonden likken raak je niet een twee drie af. Lijden krijgt klank, geur, beeld en een wrange smaak. Pijnlijk, zeker. Verstikkend, absoluut. Een mokerslag, helemaal. Dreunt na, yep. Niet alleen de avond is ongemak. Dat is het lezen van dit boek ook. Kunst raakt waar het pijn doet.

Marieke Rijneveld is negenentwintig. Ze voegde Lucas toe aan haar naam, omdat ze niet helemaal zeker is of ze wel in het juiste lichaam woont. Ze twijfelt, over gender en veel andere dingen, denkende mensen kennen weinig zekerheden. Wat zeker is: een koe heeft vier magen. En wat even zeker is: ‘De avond is ongemak’ is een schitterend boek.

Hoogmoed (C-kronieken 10)

Avondklok. Samenscholingsverbod. Sociale lockdown.
De stad versmacht onder de geladen stilte van een kerkhof. Ratten kruipen uit riolen, lichtekooi, dronkaard, hoerenloper moeten weer in hun kot. Granaten ontploffen achter de neergelaten blinden. Het lijkt een oorlog waarin jij de vijand bent.
De omgang is bits en grimmig. Iedereen ontevreden. Je ziet geen glimlach meer in straat of zaak, geen kuiltjes in de wangen, geen sensuele lippen. Slechts half dichtgeknepen ogen die argwanend controleren of ook jij je aan de regels houdt. Je laatste hand gaf je, tja, wanneer? Je herinnert je geen knuffel meer, laat staan een zoen. Je volgt kruiperig wetten die je gisteren nog voor ondenkbaar hield, en waarvan je je vandaag angstig afvraagt of ze ooit weer weg zullen gaan. 

Je bent kwaad, maar je weet niet op wie.
Niet op het virus, hoe stom zou dat zijn? Trouwens, mocht je zelf virus zijn, je zou het niet anders hebben aangepakt. Missie geslaagd, helemaal zoals destijds besproken tijdens de internationale top met de Grote Vijf in Viranië.
“Het is de mens, dat verwaande dier”, had Griep gezegd.
“Zelfverklaard orgelpunt der schepping”, antwoordde Sars.
“Hij vermenigvuldigt zich onophoudelijk, neemt alsmaar meer ruimte in, sjoemelt met de wereld, houdt enkel rekening met zichzelf”, mopperde HIV verslagen.
“Maar hij vindt wel overal een antwoord op”, reageerde Ebola somber.
“Denkt hij,” onderbrak Covid kordaat. “Laat hem. Zijn ego is zijn zwakke plek. Niet enkel de soort zwelgt in ijdelheid, dat doet ook ieder van hen. Laat hem maar geloven in zijn onkwetsbaarheid. Hoe meer eigenwaan, hoe minder waakzaam. Ze zullen ons minachten, ons bestaan ontkennen, denken dat we vanzelf wel weer weg zullen waaien. Zij dwalen.”
De strategie was even helder als eenvoudig. Startsein voor de aanval op een doordeweekse markt, ergens in het Oosten.
“Dat wint tijd. In het Westen maalt men niet om ellende op een ander continent. Zolang er brood en spelen zijn en de beurzen juichen, mag de rest van de wereld in de koudste oceanen ten onder gaan. De reiziger vliegt elke microbe onachtzaam en gewillig de wereld rond. Minuscuul zullen we zijn, onzichtbaar voor het blote oog, maar talrijk en altijd en overal, achteloos tussen de volkeren zweven en immer alert. Infiltreren gaat eenvoudig doch efficiënt. Niet langer dat vermoeiende gedoe met seks zoals met HIV destijds, niet moeilijk doen.”
Nee, was jij een virus, je had het niet beter bedacht.

Je zou je kunnen opwinden over de kapiteins op het zwalpende schip.
Onze roergangers slagen er slechts moeizaam in een overtuigend plan te bedenken, een remedie waarin je kan geloven. Maar wat zou het? Zij behoren net als jij tot hetzelfde mensdom. Beperkt in talent, in snelheid afgetroefd, gebonden aan wetten van economie en ethiek, wanhopig op zoek naar, godbetert, draagvlak, en eeuwig bezorgd om persoonlijke carrière. Hoe zou je zelf zijn? Zou jij het beter doen? Op een dag raakt ook hun toorts opgebrand en komen weer andere verlichte geesten in de plaats. Als motten cirkelen wij dan weer rond die nieuwe, felle gloed. Ook dat zal, zoals alle dingen, tijdelijk zijn. Alras worden zij op hun beurt voorwerp van spot, rottend ongenoegen, venijnig verwijt en boertig gebagger op Twitter.

Natuurlijk kan je je ergeren aan je lotgenoten.
Er zijn er genoeg die je gramschap verdienen. De politicus die met vrienden roekeloos barbecuet in de tuin, feest in den vreemde of danst op een dakterras. De jogger of wielertoerist die zich in je ademzone wringt, vergezeld van  penetrante zweetgeur en bijhorende druppels. De suffende shopper die de dikke markeringen op grond en uitstalraam weigert te begrijpen, het onderscheid niet kent tussen links en rechts. De vrouw met de monddoek onder kin of neus. Het heethoofd dat de beschermlap weigert om te binden. De wijsneus die pretendeert beter te weten, alsof hij het is die zich tureluurs blokte op de cursussen Virusleer en Studie der Pandemische Remedies. De kneus met de altijd weerkerende vragen: “Als ik een masker moet bij fietsen en touwspringen, mag ik dan steppen en hinkelen zonder? Daarover zeggen ze niets.” Doodmoe word je daarvan. Op televisie geeft de professor toelichting, als een juf voor de kleuterklas. Je wil ook niet voor de zoveelste keer je energie verspelen aan de burgemeester wiens stad in lichterlaaie staat. “Dat ze ginds maar uitkijken, daar gaat het morgen helemaal fout”, wijst hij. De slaafse journalist wijst mee.

Het heeft geen zin.
We zitten allemaal in dezelfde schuit.
Het is niemands schuld, of die van iedereen. Het is niet kwaadheid die je kribbig maakt. Het is onmacht, radeloosheid.
Het besef dat niet langer jij, superieure mens, meester bent over de schepping. Dat er dingen gebeuren waarover geen van ons ook maar de geringste controle heeft, al zijn we met bijna acht miljard. Het ego van de homo sapiens is midscheeps geraakt. We zijn niet langer onaantastbaar.
Wat ons pijn doet, is de les in nederigheid.

Plaatjes

When I find myself in times of trouble
Mother Mary comes to me
speaking words of wisdom
Let it be

Bij deze strofe hoort een anekdote.
Net als driekwart van de wereld, geloofde ik tientallen jaren verkeerdelijk dat Beatle Paul Mc Cartney in dit vers verwees naar een verschijning van de Heilige Maagd aan zijn bedstee. “Klopt niet,” zegt Macca. “Op een nacht droomde ik van mijn moeder die op dat moment al ongeveer tien jaar dood was, Mary Mohin Mc Cartney.”
Times of Trouble zijn het niet. Het is gewoon de ochtend na een lange zomernacht in fijn gezelschap en gedrenkt in een aanzienlijke hoeveelheid rode wijn. Geen Mother Mary aan mijn bed, hooguit een geest uit een fles. In plaats van met wijze woorden besprenkelt hij mij met weemoed. Doordeweeks bewaar ik die aangeboren zwaarmoedigheid angstvallig achter slot en grendel. Maar soms, op een moment als dit, gaan de sluizen als vanzelf open. Een dansende vlinder, een vergeten stem op de radio, de hand van een vrouw op je arm, alles van waarde maakt, zoals de dichter al zei, kwetsbaar en weerloos.

Vandaag stokt mijn blik bij mijn langspeelplaten. Als oude relieken staan ze zwijgend in een al even ouderwetse stereotoren, een ongebruikt decoratiestuk dat pronkerig en glimmend een salonhoek vult. Met achtennegentig zijn ze, veel is dat niet. Ik ken mensen die er meer dan duizend hebben. Of hebben gehad. De oudste albums reisden met me mee doorheen dit kleine leven. Ze woonden op vele plekken, lieten zich bevoelen door vele handen, strelen door menige naald. Waar ik mijn plaatjes draai, voel ik mij thuis.
Nooit nog kraken hun groeven gezapig op drieëndertig toeren. Maar ze van de hand doen, kan ik niet. Ik probeerde dat een keer en daarna nooit meer. Als jonge puber bezat ik alle elpees van Slade, een teenybopperband uit Wolverhampton en voorwerp van mijn aan blindheid grenzende adoratie. Het talent om te kunnen bewonderen wist ik, ik prijs me gelukkig, tot op de dag van vandaag te behouden. Net als de band droeg ik mijn haren schouderslang, kleedde me met nauw aanspannende, bonte hemden en te korte lange broeken met breed uitwaaierende broekspijpen. Ik liep op plateauschoenen, voorzien van brede hakken, zes of zeven centimeter hoog. Op duim en vingers stiftte ik in dik zwart de letters S L A D E . Tjingel tjangelmuziek, oordeelden mijn ouders. Vanwege een uitgeteerde beurs verkocht ik die collectie op een dag aan een vriend, met in mijn hart een pijn die enkel door liefdessmart nog werd  overtroffen.

Geld hadden we nodig, toen.
Mijn broers en ik joegen aanhoudend op drank en sigaretten, dorstten naar seks, drugs en rock and roll. Later lopen jullie achter de vuilniskar, voorspelden onze leraren. Ha, wie niet, lachten wij de wereld weg. Het eerste singeltje dat ik ooit bij elkaar spaarde, was Maggie May, door Rod Stewart. De inspiratie voor dit nummer vond Sir Roderick op de elpee, jawel, Let it Be, van de Beatles. Mijn eerste langspeelplaat, van dezelfde zanger, heette Every Picture Tells a Story. Tweedehands gekocht, vijftig Belgische Franken. Ik was een Dylan maar geen Bob, zakgeld had ik niet. Ik bietste sigaretten, leende ook ongevraagd wel een keer een fiets, vond onderweg al eens een briefje van twintig frank. Wat men vandaag crimineel noemt, waren toen kwajongensstreken. Ratten waren wij, overlevers. Straatkunstenaars zonder krijt. De laatste elpee die ik kocht heet, toeval bestaat niet, Freedom, No Compromise, van Little Steven, met daarop het bijtende Bitter Fruit, een aanklacht tegen uitbuiting van de arme.

Video killed the radiostar, de cd de LP. Toen namen iTunes en Spotify het over.
Zo gaat het leven, niets blijft. Oud worden is niet erg. Vroeg doodgaan is het enige alternatief en ook daarvoor is het nu te laat. Mijn wonderjaren mogen door de tand des tijds vermalen zijn, ze vergeten doe ik niet. Ze wonen in mij, onlosmakelijk, gaan overal mee naartoe, tot in put of oven. Als restanten uit een prehistorisch tijdperk staan ze vandaag nog fier rechtop, stokstijf en pal, rug aan rug, stof vergarend in een ongebruikte stereoketen in een hoek van een salonkamer.
Elke plaat vertelt een verhaal.

Het meisje A

Ach, over zoveel kan ik vertellen. Bladzijden vol.
Maar dat ga ik niet doen.

Over de onbeschaamdheid van de verkozenen des volks, die dertien maanden geleden bedelden om ons vertrouwen. Wij talmden niet, wij gaven het, prompt nog diezelfde dag. Vooruit met de geit, dit land in nood smeekt om ferm beleid. Hoever zijn we, vierhonderd dagen later? Men voert verkennende gesprekken met lieden waarmee men meer uren sleet dan met de eigen bubbel.
Ik maak er liever geen woorden aan vuil.

‘Gone with the wind’ waait van het scherm. Een epos in zwart en wit. Het boek, zoals dat gaat, nog beter dan de film. Zestien was ik, toen deze trilogie me naar de keel greep. Literatuur, zo snapte ik, leert je meer dan je leraar aardrijkskunde of geschiedenis. Laat staan wiskunde. Net als het hoofdpersonage zou ik kunnen zeggen: “Frankly my dear, I don’t give a damn”.
Maar ik ga zwijgen.
Zei iemand hier: ‘Don’t mention the war”? Hoezeer wij ook op Chiroplein of in de kroeg deze silly walk poogden na te bootsen, onze benen bleken keer op keer te kort. Basil Fawlty bleef overeind, zijn tijdloze humor evenzeer. Elke gelijkenis met die slappe mop van een matig komiek in een overroepen praatprogramma is misplaatst. Lacht er in dit taalgebied echt nog al was het maar een enkel iemand om een Hitlergroet van een Vlaams Belanger? Is het dan ook grappig dat de bakker brood bakt?
Ik wil daar echt niets over kwijt.
Black Lives Matter, nog zoiets.
De laatste dagen denk ik vaak aan de Mo, een jaar of vijfendertig geleden in de school waar ik werkte de eerste leerling van Noord-Afrikaanse origine. Gestart in september, tweede beroeps, geschorst in mei. Een hobbelparcours, van incident naar incident. Een goedlachs kind nochtans, gemotiveerd, strenge papa ook, bezorgde mama. Bij een zoveelste geknok tijdens de middagpauze wezen de vingers en masse weer in zijn richting.
“Waarom toch, Mo?” vroeg ik hem.
“Mijnheer,” verzuchtte hij, “elke ochtend en elke middag loop ik van de ingangspoort naar mijn klasgenoten aan de achterkant van de speelplaats. Letterlijk elke keer opnieuw langs een koor van ‘ga terug naar uw land’, ‘jij stinkt’, ‘makkak’, ‘vuile bruine’. Ik word gek, mijnheer.”
“Die jongen heeft een attitudeprobleem, hij moet zich leren beheersen,” oordeelde de school.
Men stuurde hem de straat op. In deze regio kent men geen racisme, hoor ik. Natuurlijk niet. Men werkt hier ook niet in het zwart en nooit kruipt iemand dronken achter het stuur.
Maar ook daar wil ik het vandaag niet over hebben.

Ik kan u verhalen over oudemannenkwalen. Over hoe het nieuwe normaal in vreselijk veel vormen op het oude lijkt. De files groeien weer, net als de lawaaierige reclameblokken voor de nieuwsbulletins op de radio. Over vliegreizen van katten naar Peru, het klimaat, het slopen van standbeelden, dragen van mondmaskers, het laten we doen alsof er niets gebeurd is, over duizend en een dingen.
Maar dat ga ik niet doen.

Vandaag bouw ik een podium. Voor het meisje A, dat ik leerde kennen op haar nulde, nauwelijks negenenveertig centimeter groot, tegen de drie-en-een-halve kilogram zwaar, droog aan de haak. Ze krijste als boreling het pleister van de muren.
Ze zou ervoor gaan, dat heeft ze gedaan. Vandaag heeft ze haar doel bereikt.
Er zal geen proclamatie zijn. Geen naamafroeping, hulde of applaus, geen bloemen of prijzen, geen woorden van lof, geen huisorkest. Niet voor haar, ook voor al die anderen niet. Geen tweehonderd genodigden, geen flitsende gsm’s, geen lauwe bubbelwijn, geen zalm op toast met kruidenkaas.
Dus laat ons ook daar maar over zwijgen.

Zij en ik zullen samen een spaghetti eten, in een bruin café dat daar gekend voor staat. We zullen er een glas bij drinken, wellicht zij eentje minder dan ik. Nog een keer overlopen we haar angsten, haar twijfels, haar zuchten en haar dippen, haar hard labeur, haar resultaat.
Samen zullen we naar morgen kijken. “Ik kan beginnen met mijn leven,” zal ze zeggen. Ze zal vertellen waar ze van droomt, wat ze aan deze wereld wil veranderen. Ik zal luisteren, knikken, haar woorden laten zinken. Bij elk glas dat ik zal drinken, zal ik weker worden. Ik zal hoop lezen in haar ogen, me laten overstromen door de vloedgolf van haar idealen.
Ik zal zwijgen over wat ik weet.
Laat op de avond zullen we afscheid nemen. Voor het eerst sinds lang knuffelen we weer. Nog een keer zal ik haar zeggen hoe trots ik op haar ben.
We zullen onze fiets bestijgen, zij gezwind en fluks, en ik, tja.
Ze vertrekt. Ik kijk haar na, mijn blik wellicht een beetje troebel.
En ik zal zeggen: ga mijn kind, ga.

Huidspraak

Beste meester, beste klasgenoten

Mijn spreekbeurt van vandaag gaat over de huid.
Mensen hebben een huid. De mens is een pakje en zijn huid is het papier errond, zegt papa. Een mens bestaat uit beenderen en organen en water en bloed en onze huid houdt ons bij elkaar zodat het geen smeerboel wordt. Het is dan ook belangrijk dat de huid goed strak zit. Ze kan ook uitrekken, als een elastiek. Alles wat we in ons lichaam te veel hebben, schuift naar plekken waar de huid minder aanspant, zegt papa, zoals bij mama naar de poep. Hij zegt ook dat we er onder onze huid allemaal hetzelfde uitzien maar ik weet niet of dat waar is want je kan van de buitenkant niet zien wat er onder het papier zit. 

Dieren hebben ook een huid. Mensen zijn dieren, dat vergeten wij soms. Mensen hebben een velletje waarin je kan knijpen. Sommige dieren hebben een dikke vacht, zoals beren en wolven. Vogels hebben pluimen. Ik zal nu enkele foto’s laten zien. Dit is mijn mama. Haar huid is glad en heeft geen rimpels. Het is al een oude foto, zegt papa, maar mama zegt dat ze geen andere heeft. Dit is mijn papa. Hij heeft op zijn huid ook overal nog haar, ik vind dat wel een beetje vies. Dit is een wilde beer met een dikke bruine pels. Een wolf, ook met een pels, een baviaan met geen haar vanachter. Nu enkele vogels zoals een arend. Dit is een papegaai. De huid van kikkers en salamanders is heel dun. Slangen wisselen van huid, dat noemen ze vervellen. Ze laten hun vel onderweg achter. Dan zien ze er weer jong uit. Maar niet elk serpent vervelt, zegt papa, kijk maar naar oma. Oma is de mama van mama. Ik vroeg aan mama wat een serpent was en ze werd boos op papa. Toen werd papa weer boos op mij. Het is niet gemakkelijk in mijn vel te moeten zitten.

De huid is het grootste orgaan van de mens. Er zijn drie lagen, zoals bij lasagne: de opperhuid, de lederhuid en onderhuids weefsel. De opperhuid is normaal ongeveer 0,1 mm dik, dat is zo dun als een blad papier. Daarom zeggen ze soms ook een vel papier. Aan onze handen en voeten is de huid dikker, want op een vel kan je niet stappen. Als je onze huid zou openleggen, dan vult ze een vierkant van wel twee meter aan elke kant. Bij sommige grote mensen weegt de huid in totaal tien kilogram. Die mensen hebben dus een dik vel. Elke dag verliest een mens gemiddeld tien gram huidschilfers. Die kan je overal in huis terugvinden. Er komen nieuwe stukken voor in de plaats. Na vier weken zijn we helemaal nieuw. Mensen vervellen ook, zegt papa, maar ze worden er niet knapper door. Bij de meeste mensen is de huid zacht, zoals bijvoorbeeld bij baby’s. Maar oude mensen hebben een ruwe huid, daar kan je verf mee van planken schuren, zegt papa. Hoe voelt dat, vroeg ik en hij zei: voel zondag maar aan oma. Ik weet niet. Onze huid beschermt ons. Ze houdt gevaarlijke beestjes uit ons lichaam. Ze waarschuwt voor warmte en pijn. Ze houdt ons op de juiste temperatuur en door te zweten voert ze afvalstoffen uit ons lichaam. Een huid kan ook honger hebben, dan wil ze mama knuffelen, zegt papa.

Eigenlijk is onze huid het kostuum dat de natuur ons gegeven heeft. We kunnen niet wisselen, je kan moeilijk in de huid stappen van iemand anders. Spijtig, zegt papa, of ik zou mama eens in een nieuw jasje steken. Ik moet nog zeggen dat huiden ook worden gebruikt om kleren of dingen te maken, bontjassen of schoenen of handtassen van krokodil. Daar doen ze dieren voor dood, dus dat mag je nooit kopen. Als belangrijkste besluit kan ik dus zeggen dat de huid een heel belangrijk orgaan is voor de mens.
Heeft er nog iemand vragen? Dries?
Waarom mensen verschillende huidskleuren hebben? Dat weet ik niet. Het zijn de genen, zegt papa, maar ik weet niet wie degenen zijn. Ik wou het opzoeken maar papa zei: de kleur van het papier is niet belangrijk, wat telt is de inhoud van het pakje.
Dus dit was dan mijn spreekbeurt over de huid. Ik hoop dat jullie het leuk en leerzaam vonden. Papa denkt dat ik goede punten ga krijgen, maar ik wil het vel van de beer liever nog niet over de oren halen.

Dank u voor uw aandacht.

Baba Vanga (C-kronieken 9)

Een mopje.
Het is zondag, tegen de middag. Een man soest nog in zijn bed, hij heeft een zware nacht in de kroeg achter de rug. De bel gaat. Twee mannen, in de ene hand een bijbel, in de andere De Wachttoren.
“Mijnheer, wij brengen u het woord van god,” zegt de eerste.
“Laat ook maar, ik heb een kater” antwoordt de man. Zijn tong van rubber, zijn hersens paukenslagen.
“Mijnheer,” dringt de tweede aan, “weet dat het einde der tijden nabij is.”
“Oei,” zegt de man, “is dat waar? Echt? Een ogenblikje, ik schiet gauw mijn schoenen aan. Kunnen we in de rapte nog eentje gaan drinken voor het te laat is!”

Ik moet eraan denken na een korte babbel met de buurvrouw.
“We mogen weer uit ons kot!” zegt ze, en ze balt haar vuist, als een tennisster die een belangrijk punt heeft gescoord. “Maar voor hoelang?” voegt ze er timide aan toe. “We zullen er maar van profiteren, want in het najaar komt er een tweede golf aan.”
Hoe ze dat weet? Ze moet een ziener zijn, onmiskenbaar. Zoals de meeste bewoners van dit hompje grond aan de Noordzee is ook zij multigetalenteerd. Iedereen beroemd, bondscoach, viroloog en paragnost. De ene mening over hoe de wereld er morgen uit zal zien, rolt over de andere. De Glazen Bollenwinkel boomt. Dat we minder in de file zullen staan, vaker arbeiden vanuit eigen haard, handen schudden, knuffelen en kussen zullen laten. Pinten drinken achter plexiglas. Mondmaskers worden standaard. De natuur bewaart in haar voorraadkast nog blikken vol gemene virussen waartegen de mens weerstand noch vaccin bezit. Winkelen wordt lokaal, of wacht, hey ho, zegt een ander, meer online, makkelijk en goedkoop, wacht maar, er zal, en dit en dat.
Over wat in een ver verleden passeerde, discussiëren we nog. Wat er vandaag precies aan de hand is, zoeken we straks wel uit. Maar over wat in de toekomst te gebeuren staat, orakelen we met de stelligheid van een sprekende klok.

in 1996 overleed in Sofia een vrouw van vierentachtig. Netjes op de dag die de sterren haar hadden voorspeld. Een natuurlijk verscheiden, zonder menselijke tussenkomst. Haar dagen waren geteld, zo eenvoudig kan het zijn.
Ze heette Baba Vanga, helderziende in haar vrije tijd, zo wil de overlevering. Zien kon ze niet, maar dat duister verschafte haar voldoende licht om in de oneindige toekomst te kunnen kijken. Volgens het niet altijd even betrouwbare Wikipedia profeteerde ze griezelig nauwgezet de sterfdag van Stalin, de explosie in Tsjernobyl en de aftocht van de laatste Sovjet. Ze waarschuwde voor aanslagen in de VS op 11 september. Bulgaars is geen wereldtaal, ze werd niet gehoord.
Een aardigheidje: volgens haar zegging zou de vierenveertigste president van de Verenigde Staten een man zijn van Afro-Amerikaanse origine. Alzo sprak Baba.  
De Blinde Dame zat er ook wel eens een keertje lelijk naast. WO II begon niet in 2010, Bulgarije haalde nooit de finale van de wereldbeker voetbal.

Ik was nooit een adept van Madame Soleil.
Het is alsof we de ellende over ons afroepen, om ze op die manier te kunnen bezweren. Of, als het uitkomt, met van triomf blinkende oogjes te kunnen claimen: “Zie je wel, ik had het nog gezegd.”
Wat komt, komt. Ik wil het niet weten. Ga je anders leven als je weet dat je nog maar drie jaar te gaan hebt? Wellicht. Wie weet moet ernaar handelen. Maar dan gebeurt er toch weer wat anders. Een aanslag in een metro, een onbekend virus. Of je struikelt van de trap. Het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen.

Het is het nu dat telt.
Vandaag is weer een mooie dag. Roodborstjes, een ekster, dikke duiven, wild en gevogelte, het  fladdert en hupt altegaar kriskras door de tuin. Het miezert. Het rosse gras vergroent, de goudvisjes blazen bubbels aan het oppervlak van hun bassin. Na lang stilzitten klautert de mens, stram en moeizaam, traag weer uit het dal.
Niets weet hij, enkel dat het ooit eindigt. Waar niet aan te ontkomen valt, zal gebeuren. Jaren zullen maanden worden, weken dagen en minuten seconden. Op een dag zal ook daarvan de laatste vervlogen zijn. Tot dan is alles nu. Het nu dat nu geleefd moet worden.

Een uitsmijtertje: Baba Vanga pronostikeerde dat de vijfenveertigste Amerikaanse president, een man met messiaanse persoonlijkheid, met een crisis zou worden geconfronteerd die het land ten val zou brengen.
Spannend.

Schoolreis (C-kronieken 8)

Ik ben vandaag weer dat jongetje van zeven, acht.
Veel te vroeg wakker, kriebels in de buik. Plassen of liggen blijven, slapen lukt niet meer. Een kinderlijk spannende verwachting verdrijft de slaap uit mijn lichaam.
Wat ik wel zeker weet:

  • De zon zal schijnen als op de mooiste dagen.
  • Vanmiddag zal ik mijn honger stillen met platte boterhammen en omelet. Uit een thermos zal ik koffie drinken, vermengd met een weinig melk en twee klontjes suiker.
  • Twee Capri-Sonne Orange koelen nog, maar als ik ze zal drinken, zullen ze lauw en kleverig zijn. Voorzichtig peuteren zal ik met het rietje, want prik ik naast het gaatje, dan bemors ik mijn kleren.

Wat ik meeneem:

  • Een rugzak.
  • Twee paar schoenen. Een paar om te rijden, een paar om te stappen.
  • Zakgeld. Voor ijs of snoep.
  • Een trui en misschien een lichte regenjas, je weet maar nooit.
  • Een selfiestick.
  • Goed humeur.

Waar ik bang voor ben:

  • Dat we de weg niet zullen vinden.
  • Dat de auto niet meer aan de praat geraakt.
  • Dat het niet mag.

De oude roestbak staat al weken stil. Hij kucht en pruttelt en blaast een zwarte roetwolk in de lucht. We pardonneren onszelf. Een keer in acht weken, dat mag, zeggen we.
De weg is leeg. En toch, elk ander is er een te veel. Is jouw verplaatsing wel noodzakelijk? Waar ga je heen? Hopelijk naar een ander doel dan wij.
Nieuwe bruggen, wegdeksels gefacelift, façades glad als glas. Aan de zijkant kranen, graafmachines, vrachtwagens, bergen en bergen zand. De wereld stond niet stil toen wij er in ons kot niet aan deelnamen.
Vaandels met rode en witte strepen verbieden de toegang tot eethuizen en hotels. Café De Raaf is nog steeds gesloten. Over het vliegveld klapwiekt eenzaam een buizerd. De strook naar Départs is verlaten en niemand arriveert.

Waar we zijn?
Weten we niet. De wereld is van iedereen vandaag. Grasgroene weiden en heuvels, uitheemse bomen, ruime vijvers. Onze stapschoenen slenteren nergens heen, niemand wacht, niets moet. Een raadspel: daar een populier, gele boterbloemen, ginds een vlierbessenstruik. Bij oma stonden er ook, we maakten er confituur. Waar we gaan, gaan we alleen. Verderop picknickt een viertal, jongelui, op een eiland van gezelligheid.
Een peddelende eendenfamilie maakt me jaloers. Zwemmen is ons niet toegestaan, hier niet, nergens niet. Een kleine jongen gooit iets kruimeligs in het water, roept kreetjes in een onbekende taal. Twee zwarte eenden, vreemden in de vijver, klauwen er naartoe. Papa Eend spreidt zijn vleugels, scheert als een airbus over het watervlak, snatert de indringers naar de andere kant van de plas.
We krabbelen een heuveltje op, blijven veilig weg van zwetende joggers die zich hijgend en puffend naar boven wroeten. Daar wacht de hoofdprijs. Een bestelwagentje met kleurige bollen ijs erop geschilderd. De wafels komen uit Luik. “Attention,” zegt de meneer, “c’est warrem.” “Dank u wel,” antwoord ik, “bonne journée.” Het is fijn woorden wisselen met iemand die je niet kent.

Later, in het grote bos. Het is er donker en de bomen, hoog en dicht bij elkaar, breken het licht. Een zuchtje wind, een blad wipt op, er ritselt en roert en loert entwat in het gebladerte. “Nog een echt bos-bos, niet van dat kunstmatig aangelegde” zeg ik. “Twee keer bos, dat is herbos.” Dat vind ik grappig.  Sommige bomen kregen meer wind dan ze konden vangen. Ze liggen als een bokser languit op de aarde, uitgeteld en ontworteld, bekleed met een deken van mos.
We klauteren en slenteren, lachen, fantaseren, lijken te verdwalen. Nergens ronken motoren, geen auto, bladblazer of boomzaag. Dichtbij klappert een zanglijster, bevangen door paardrift, een wijfje achterna. Een minuscuul eekhoorntje, nog in dons verpakt, kruist ons pad en trippelt fluks de boom in.

“Wat een avontuur,” verzuchten we ’s avonds. “Wat keken we onze ogen uit. De schepping een wonder, wat je al niet opmerkt, ondergaat, absorbeert, na acht weken isolement. De wereld weer een onbekende, helemaal nieuw. We leerden weer kijken, ruiken, proeven. Hij is mooi en groot en een onophoudelijk bruisende bron van verwondering.
“Kijk naar mij, dit ben ik. Laat mij, neem mij zoals ik ben,” smeekt hij.
Terwijl de zon langzaam weer onder de einder duikt, slurpen we nog een kop warme chocolademelk.
Onze oogjes worden moe. We kijken naar elkaar en doen er maar het zwijgen toe.
Geluk is de som van kleine dingen.

Je suis Dylan (C-kronieken 7)

Voor me in de rij staat een vrouw zonder winkelwagentje. Ze draagt een gebloemd mondmasker over de zonnebril op haar voorhoofd. Haar geblondeerde haren zal het virus alvast niet besmetten.
“Jij hebt geen karretje nodig zeker?” roept een doorrookte vrouwenstem haar toe.
“O, ben jij het? Ik dacht al, de stem van die moeial herken ik. Straks, dan weet ik dat ik een proper heb.”
Ik sta ingesloten. De moeial draagt haar masker, aardbeien, onder de kin. Het beleid van gezond verstand, leidmotief  voor deze regio, staat nog niet helemaal op punt.
Een triest ogende vrouw, ik vermoed uit de Balkan, reinigt met ontsmettingsgel en poetsdoek de handgrepen en muntsloten van de onophoudelijke stroom winkelwagentjes. Met een haal en een veeg verslaat ze bacteriën, ziektekiemen en hardnekkige virussen, ter preventie en gezondheid van de klant. Het is warm, zweetstraaltjes lopen van onder haar hoofddoek in haar mondmasker. Anders dan de andere medewerkers van het warenhuis draagt zij geen labeltje met haar naam op, geen schort van de zaak.
Naamloos is ze, haast onzichtbaar.

“Die kleine gezien gisteren?” vraagt de rokersstem.
Die kleine heet Dylan. Kinderarmoede bestaat, het heeft een naam en een gezicht gekregen. Zeg niet langer achterstand, ontbering of kwetsbaar, zeg Dylan. Thuis mocht niet worden gefilmd, Dylan en de zijnen weten waarom. Hij woont er samen met ouders, twee broers en zus en een handvol huisdieren. Dertien is hij, te jong om te verdoezelen, oud genoeg om te beseffen. Er is te weinig van alles: geld, ruimte, eten.
“Ik wens,” droomde Dylan, “voor ons gezin een beetje meer geld om eten te kopen.” Vlaanderen wrikte verbijsterd het hoofd uit eigen navel.

“Meer geld zou ik ook wel willen,” gaat de vrouw verder. Haar ongezouten en ongevraagde opinie zoeft als een gifpijl langs mijn hoofd.
“Dat ze eerst al eens die katten en honden wegdoen, hoeveel kosten die beesten niet?” vraagt de geblondeerde zich af.
“De papa zat zonder werk, dus ja,” kaatst de ander terug, “sommige mensen denken dat ze alles zomaar cadeau krijgen.”
“Het is toch waar, hé mijnheer?” richt de valse blonde zich plots tot mij. Het is mijn gezicht, ik trek die dingen aan, mijn hele leven al.
Welk recht hebben wij om te oordelen, wil ik zeggen, maar ik doe het niet. Ik trek mijn trendy Hugo Bosspetje tot op mijn zonnebril, en mijn mondmasker – stof, homemade, opdruk TOUS ENSEMBLE – tot over mijn neus. Betreed ik op deze wijze een bankfiliaal, zwaailichten zouden flikkeren, sirenes loeien, antiterreureenheden met rubberen wapenstok roffelen op schilden, scherpschutters het vizier richten. Braking News: ‘Lady’s and Gentleman, we got him.’

Mijn geest dwaalt langs Memorielaan, gluurt binnen in het ouderlijk huis. Ik zie weer de slaapkamer voor vier, de afgedragen kleren, gekookte aardappels in uiensaus, het speelgoedtreintje bij een  vriendje thuis, het gat in de schoen. In dit huis geen cola, ijs of chips.
Schaamte, dat dan weer wel. Er zijn wonden die niet helen. Littekens barsten soms, nu, weer open. In mijn mond nog altijd de bittere smaak van de blikken van misprijzen en vernedering die je moest slikken.
Ik legde een bruggetje naar verhitte discussies op mijn werk later. Over het verplichte middagverblijf op school dat wél door ouders moest worden betaald. “Vijfentwintig euro elke maand doet er in veel gezinnen écht wel toe,” argumenteerde ik. Onbegrip, hoongelach, een gekarteld mes door de ziel.
“Een gsm kunnen ze dan wel betalen!” Wie arm is mag geen telefoon, televisie, huisdier. Wie niets heeft, mag weinig en moet veel.

Stilaan ontsteekt een storm in mijn hoofd.
“We maken allemaal wel eens iets mee. Dan is het herpakken en doorgaan. Als je in armoede sukkelt, heb je dat enkel maar jezelf te verwijten,” onderbreekt de rokersstem mijn mijmering.
“En dan maar jaloers zijn op de mensen met een tweede verblijf,” reageert de ander snel. Hier had ze al over nagedacht, “alsof dat er iets mee te maken heeft.”
Natuurlijk wel, denk ik, er is hoegenaamd een verband tussen hebben en niet-hebben. Zoals tussen yin en yang, dag en nacht, licht en donker, zee en strand. Er is een grote koek en niet iedereen heeft recht op evenveel daarvan, blijkbaar.
Ik sluit mijn oren, blokkeer alle ruis, kijk naar de nog immer poetsende mevrouw. Kan je hiervan leven, vraag ik me af? Word je nooit moe? Wat schaft de pot vanavond? Heb je een naam?
Sjofele kleren, platgetrapte schoenen, ben jij ook een Dylan?

“Germaine, je mag binnen,” hoor ik de aardbeienvrouw zeggen.
De vrouw voor me wijst uit de lange rij het vierde karretje aan. De schoonmaakster veegt nog een laatste keer over de handgreep. Dan stapt de valse blonde, tot de kruin vol van zichzelf, het warenhuis binnen.
Geen dank u mevrouw, geen knikje.
Deze Dylan heeft ze niet gezien.

Diepestraat (C-kronieken 6)

Ach, wat was het makkelijk toen.
Je had nog een moreel kompas. Je geloofde in het goede: égalité, liberté, fraternité. Je droeg een Palestijnse sjaal en tooide de muur van je kamer met een vlag van Che. Je kende Imagine uit je hoofd, Wounded Knee, Bangla Desh. I hope I die before I get old, brulde je, maar dat deed je toch maar niet. Het leven ging voort.
Je ruilde je vredestekens in voor een sticker van Greenpeace op de achterruit van je eerste Mercedes. Bezit mocht dan wel diefstal zijn, je kocht een huis, een dak boven hoofd van vrouw en kind. Je demonstreerde nog wel eens, maar meer toch voor de kroegentocht dan de goede zaak. Van het strijdgewoel bleef je alsmaar verder weg.

Er bestaat vast een onwankelbaar verband tussen je hoeveelheid idealen en het volume van je bankrekening. Hoe hoger het ene, hoe lager het andere.
Je kinderen groeiden, je huis groeide mee. Je verkocht je eerste, bouwde een tweede, wisselde en passant van baan en vrouw, schnabbelde wel eens wat aan de zijkant en kneep graag ook nog een katje in het donker.

Nu ben je met pensioen maar ledigheid is des duivels kussen. Trouwens, stenen kan je niet eten. Trots ben je op je oldtimerverzameling. Ermee rijden doe je zelden, maar elke drie weken trek je een zaterdag uit om het oude ijzer met sop, zeemvel en veel liefde te strelen tot het glanst van plezier.
Wat brengen die euro’s je nu nog op, vraagt je vermogensbeheerder. In je graf zijn je duiten van generlei waarde en kijk je even om, de overheid is ermee weg. Geen groter dief dan de staat. Dan worden jouw centen, door harde arbeid en naarstig sparen bij elkaar vergaard, cadeaus voor luiaards en profiteurs. Doe er wat mee. Vastgoed, dat is het mannetje. Iets op de zeedijk, misschien?

De zee.
Niet ver van huis, de lucht is er gezond, nergens serveert men zo vers de vis. Elk jaar, half mei, poetsweekend. Terwijl jij nog gauw wat fondsen plaatst, overlegt met boekhouder en makelaar, procentje hier, envelopje daar, komen kinderen en kleinkinderen taartjes bakken met emmers zand,  nog warm van het strand. Je derde vrouw, veel jonger dan jij maar overal met veel bekijks, verblijft er tot aan de zomer.
Daarna is het niet meer te doen, lijkt de zee van iedereen.

Verpachten kan je doen, misschien aan Brian, de rekkenvuller in je magazijn, voor een prijsje, zevenhonderdvijftig per week, alles erop en eraan. Geen paperassen, mondje dicht, niemand, en zeker niet de fiscus, hoeft hier wat van te weten.
Maar niet dit jaar, zeggen ze. Met dat virus. Je mag er zelfs zélf niet eens naartoe. Je reinste vrijheidsberoving is het. Pestgedrag. Dat men niet denkt dat jij de hele zomer naast de koi in je tuin gaat zitten lanterfanten. De hardwerkende middenklasse heeft het – voor de zoveelste keer  – het zwaarst te verduren. Dat zal ze rouwen, dat gaat ze kosten! Vijftig euro. Elke dag. Minimum!

“Te duur,” zegt Brian tegen zijn Tasja.
Ze wonen in de Diepestraat, een donkere ader in het hart van een volkswijk in de stad, tweehoog, tuin noch terras. Boven, onder, links en rechts van hen, spreken de buren een raar soort Nederlands. Zij leven vooral ’s avonds en ’s nachts. Door de dunne muren hoor je ze tafelen, bidden, ruzie maken en vrijen.
Ach, slecht zijn ze niet, het is dat ze de kleine ruimte met zovelen moeten delen. Brian weet alles over iedereen. Rachida doet de kassa in de Aldi, Abdul poetst er met een doekje en desinfecterende gel de winkelwagentjes. Ze hebben drie kinderen, hun ouders wonen bij hen in. Sinds het begin van de opsluiting hebben die niet meer van de buitenlucht gesnoven. Rik van 2B bestuurt tram 7. Zijn vrouw staat op een wachtlijst maar wie weet nog voor hoelang. Amin van boven werkt nu ook, bij de stad, hij laadt de vuilkar.
Achter de geloken blinden van de Diepestraat schuilt veel ongezien tekort. Dat weet ook het stadhuis. Als in oorlogstijd bedeelt men voedselbonnen. Aan de meest kwetsbare inwoners die het moeilijk hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Je vreet je er niet vet mee, maar wie het kleine niet eert. Twintig euro als je alleen bent, veertig voor een gezin. Elke week. Maximum.

“Jullie blijven werken, de hele tijd door. Echte helden zijn jullie,” vindt ook de baas. Uit het slaapkamerraam van zijn villa  hangt een groot wit laken.
‘Respect’, staat erop.
In dikke, bloedrode letters.
En elke avond klappen meneer en mevrouw in hun handen.