Etiketten

“Kijk, je staat in de krant!”
Anna Lyste, hoofd van de redactie Politiek bij De Schrijverij, prikte met haar wijsvinger naar een vette kop.
De Vlaamse kijker wil Vlaamse programma’s zien’, las ik.
“Waar iets vandaan komt, maakt mij niets uit,” antwoordde ik, “Babylon Berlin uit Berlijn, Years and Years uit Manchester, Over Water uit de haven, in mijn huiskamer kan je de ganse wereld zien.”
Anna zelf komt uit Roemenië, ze heeft het juk van Ceauşescu nog meegemaakt. Ze voelt zich nauw verbonden met haar geboorteplek. Dat is niet een sentiment dat we delen.
“De Vlaamse kijker, dat ben jij toch?” hield ze aan.
Een Vlaamse kijker, dat ben ik. De Vlaamse kijker bestaat helemaal niet, zomin als de Vlaamse kiezer of de Vlaamse frietenbakker. Er zijn zes miljoen Vlamingen, geen twee ervan dezelfde. Gelukkig maar.”
“Voor iemand die niet bestaat, komt hij toch vaak in het nieuws,” bleef ze koppig.

Daar had ze een punt.
Toen we nog kinderen waren, leek het allemaal onschuldig. Wij waren wie we waren, en anderen waren anders. We dichten mensen uit andere landen aparte eigenschappen toe, karaktertrekken die spot of minachting in zich droegen, waardoor zij op de schaal der menselijke volmaaktheid steevast  voor ons moesten onderdoen.
Nederlanders waren gierig, terwijl wij toch vooral gulle Uilenspiegels waren. Dat bleek meestal niet uit de grote geldinzamelacties op televisie, bij een watersnood of uitzonderlijke droogte in een verafgelegen land. Ho maar, zegden wij dan, wij zijn wel met minder. Wij bevroedden niet dat nog kleiner worden ooit het hoogste doel zou worden van deze kleikluit aan de zee.
Duitse teams pletwalsten als een perfect getunede strijdmacht over gras en tegenstrever. Opgeven stond niet in hun vocabularium, de strijd tot aan het gaatje. Een residu uit de oorlog, monkelden wij, die wij toch maar mooi gewonnen hadden.
Voor het gemak gooiden wij Fransen, Italianen, Spanjaarden en Grieken op een hoopje. Zij sleten zomers lang lui in de zon, laafden zich aan pastis, ouzo en witte wijn. Daardoor bleven hun straten stoffig en de mensen arm. Bij ons daarentegen was luiheid des duivels kussen, wroette men zich van school tot graf naarstig in het zweet. Arbeiden als hoogste deugd, naast devote onderdanigheid en een keurig gemaaid gazon.
Engelsen waren raar maar geestig en Schotten droegen onder de neus een dikke rosse snor en onder hun kilt geen onderbroek, zowel de mannen als de vrouwen.

Een mens groeit daaruit.
Op een dag gooi je die kinderlijke vooroordelen overboord. Ook Schotten hijsen zich strak in het pak, ontelbare Duitsers hebben een fluwelen inborst en in het warme Zuiden dient men eveneens te ploeteren voor de kost. Wat mensen voelen, komt overal ter wereld op hetzelfde neer. We delen dezelfde zijn en dezelfde vreugdes. Wereldwijd maken moeders zich zorgen om hun kind, doet liefdespijn pijn en rouwt men om de dood. Honger klauwt in elke maag even grimmig. Ieder streeft naar geluk en over de hele wereld bezoekt men toilet en sterfbed.

“Hier weer,” spotte Anna: ‘De Vlaming heeft hier niet voor gekozen.’
“Dat zal een andere Vlaming zijn,” mompelde ik gelaten.
Ik voel geen affiniteit met de Vlaming die op de zeedijk tegen zogeheten straffeloosheid marcheert terwijl hij ongestraft een scabreuze leus scandeert. Noch met de Vlaamse mandataris die zesduizend euro per maand opstrijkt om zwaaiend met een dweil een collega te beschimpen die, na anderhalf jaar, wél overweegt te doen waarvoor hij verkozen werd. Niets heb ik met de weerzinwekkende oprispingen uit Vlaamse hoek als de brand uitslaat in een vluchtelingenkamp. Ik keer mij af, vervuld van walg en aversie.
“Waar stond die Vlaming toen de emotionele intelligentie werd geveild? Hoe kan je niet de pijn voelen van wie ginds probeert te overleven en opgejaagd weer verder moet, zonder have, huis of goed?” fulmineerde ik. “Men noemt hen parasieten, per definitie illegaal en crimineel. Tot in de hoogste regionen toetert men mee. Onze onschuldige vooroordelen van weleer muteerden, als een kwaadaardig virus. Men kleeft labels op de ander, dat maakt het makkelijk en overzichtelijk. Men kwetst, vernedert, beledigt. Walen zijn profiteurs, Marokkanen dieven, ga zo maar door.”

 “En jij?” pareerde Anna mijn tirade.
“Jij doet toch precies hetzelfde? Jij giet die Vlaming toch ook in een mal en kleeft er het etiket ‘onverdraagzaam’ op. Dat maakt jou zelf lekker superieur. Jij oordeelt en veroordeelt net zo goed,  alsof je de hoogste rechtbank van het morele landschap voorzit.”
“Nuance,” antwoordde ik. “Mij gaat het om de daad, niet de afkomst van de dader. Soms is gedrag gewoon verwerpelijk, of het nu komt van een studentendoper, een politieagent of een inwijkeling.  Net als vroeger, op school, daar kreeg de leraar van mij ook niet altijd gelijk, daardoor trouwens dat ik…”

“Hé ja, daar zijn we weer, “ onderbrak ze, “dat verhaal. Bedankt voor de les hoor, schoolmeester.”
En ze lachte haar meest innemende lach waarvan ik vanbinnen weker werd als een weekdier in de sauna, zoals dat gaat, bij oude witte mannen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s