De terugkeer van Darkwing Duck

          Groot feest vandaag!
          Slingers aan de lampions, confetti op de vloer, bubbels in het glas, kreeft en oesters en toast met kaviaar. Volgens officiële telling leest u op dit ogenblik de zegge en schrijve tweehonderdvijftigste publicatie in uw favoriete Sprekershoek. Jezus Mina Jozef man! Tweehonderdvijftig!
          Edoch. Geen polonaise ten kantore hier. Geen orkest speelt hier ten dans. Wij hebben onze twijfels. Wij kunnen vergeven ja, vergeten helaas kunnen wij slecht.

          Er is dat ene stukje, nergens nog te vinden, dat op dit jubileumfeest toch weer de kop opsteekt. Destijds moest het gedumpt, verwijderd, weggevaagd als een dorp door een hoos. Wellicht herinnert u zich dat niet zo maar wij, wij weten nog.
          Darkwing Duck heette het, naar de eend der wrake uit de wereld van Walt Disney toen de kinderen nog konden blij gemaakt met een surprise-ei en een half uurtje later pas naar bed. Darkwing Duck, de dreiging die flappert door de nacht, het stinkdier dat de lucht vervuilt, de vlek die nooit verdwijnt.

          Aanleiding was een boek. Een gewezen omroepster van de Vlaamse Televisie schetste een portret van de arbeidsvloer waarop zij zelden vrolijk had gedanst. Ze bezigde daarbij woorden als verziekt, rot en tragisch. Haar collega’s noemde ze bronstige bonobo, bunzing of hysterisch. Dat viel slecht in de pers en keerde als een boemerang weer in haar gezicht. Men noemde haar verbitterd, rancuneus, een natrappende nestbevuiler.
          Mocht ik over de plek waar ik de meeste dagen van mijn leven sleet ooit wat te vertellen hebben, zo zette ik in De Sprekershoek, ik zou het anders doen. Ik zou – voorwaardelijke wijs – een dorp verzinnen en dat Fostran noemen. Fostran, dat is Zweeds voor onderwijs. Dat dorp zou in Elkland liggen. Elk Land. Een onbestaand dorp in een onbestaand land, welkom in de wereld van de fictie, zo dacht ik naïef. Fictie. Fictief. Verzonnen. Ach, hoe jong en goedgelovig was ik toen.

          In de dorpsschool van Fostran zou een nieuw schoolhoofd vegen met een stel nieuwe bezems. Zij liet zich daarbij bijstaan door valse vazallen en uitgekookte assistenten. Gewone luiden beklijven niet in literatuur, daarom bedeelde ik mijn personages met een extra aardigheid. Naast de troon een vileine adviseur, een slechterik belust op macht, die ik boetseerde naar beeld en gelijkenis van de butler Anatool uit de strips van Jommeke. Ook altijd in de buurt een op Theo Francken lijkende brulboei, veel blabla zonder boem boem. Voor de holder en de kolder daarbij nog twee olijke drinkebroers, een o my god-mevrouw die in elke mug een olifant zag en een nar zonder specifieke functie.
          In het plot zou ik mijn personages dingen laten doen die in het echte leven echt niet kunnen: snoepreisjes maken tijdens werktijd, enigszins aangeschoten aan de arbeid gaan, natuurfilms analyseren waarin mijnheren en mevrouwen zonder kleren acrobatisch gymnastiek proberen. Het bijna ongelooflijke geloofwaardig maken, dat leek mij literatuur. En tegelijk ook met een kwinkslag en een knipoog wijzen op wat beter kan.  

          Het schrijven van dit kolderiek verhaal in voorwaardelijke wijs zou mij helpen te verwerken, dacht ik toen. Na bijna veertig jaar was de intense relatie met mijn eigen werkplek als een schip op drift onverwacht en ongelukkig tegen de klippen aangeknald. Dat deed pijn. Heling had ik nodig. Closure, zoals dat modern heet. Het bord moest schoongeveegd opdat een nieuwe wind zou kunnen waaien en een nieuw verhaal geschreven.
          Dat leek aanvankelijk ook te lukken. De statistieken van de Sprekershoek piekten hoger dan de kathedraal. Veelvuldig werd het stuk gelezen en gedeeld. Bijval, knipoog, schouderklop. Tot plots, het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen, het tij keerde. Hoe merkwaardig het ook klinkt, in sommige personages meende men zichzelf te herkennen. Hoe kon dit? Schemerde dan door mijn verzinsels toch een zweem van waarheid? Smaad en laster werden mij verweten. Met represailles werd gedreigd, dreigmails kreeg ik toegezonden, anonieme telefoons. Ruïneren zou men mij, schade zou ik vergoeden tot ik dood zou bloeden. Voor de rechtbank zou men mij slepen, uit mijn ambt ontzetten zo men kon. Niet alleen mijn trots en eer, ook mijn opgebouwde rechten voor de oude dag stonden hier op het spel.

          ‘Kunnen die mensen dan niet lezen,’ vroeg ik mijn advocaat, ‘dit is toch allemaal verzinsel!’ Daarover sprak de man geen woord. Wel hield hij voet bij stuk dat hij voor elke interventie in dit onsmakelijk dossier de onwrikbare som van zevenhonderd knotsen factureerde, waardoor mijn appel voor de dorst alreeds verteerd zou zijn voor ik er met mijn tanden nog maar de eerste beet had in gezet. Dat bezegelde mijn lot. Zeer tot mijn spijt en gans tegen mijn wil boog ik het hoofd en verwijderde het verhaal uit de publieke ruimte.
          Weg heling. Weg closure. Bleef over: een letsel dat niet genezen wou.

          Het is niet waar wat mensen zeggen, tijd heelt echt niet alle wonden. Wat toen gebeurde zeurt en zaagt ook nog vandaag, knaagt als een rat wiens honger nooit gestild geraakt. Blijft me achtervolgen, als een dreiging die flappert door de nacht. Als een stinkdier dat de lucht vervuilt. Als een vlek die nooit verdwijnt.
          Tweehonderdvijftig stukjes in De Sprekershoek.
          Tweehonderdvijftig. Plus één.
 

Een gedachte over “De terugkeer van Darkwing Duck”

Geef een reactie op hillaertj Reactie annuleren