Tinderen

               Wat is deze wereld anders dan een balzaal waar acht miljard huidhongerigen op zoek zijn naar een maatje om te paardansen? Gelukkigen vallen elkaar pardoes in de armen, anderen dralen, talmen als een oud besje aan de groentekraam dat liefst elke paprika of mango uitgebreid bepotelt, twijfelaars kleven als klimop aan de muur, beduusd en verlegen of tijdens een eerdere dans pijnlijk op de tenen getrapt. In hun ogen lees je de angst om nooit meer liefkozend te worden omarmd en als een ballerina te worden opgetild.
               Ook voor die eenzamen is er hoop. Die heet Tinder. Een kinderlijk eenvoudig appje. Jij vertelt eerlijk over jezelf, een ander doet het ook en Tinder zegt of jullie matchen. Uiteindelijk behoud jij de eindredactie over de finale swipe. Is in politiek en maatschappij de krijtlijn tussen links en rechts uitgevaagd, Tinder is helder: links is een No Go, rechts een Yes You Can.

               ‘Schrijver, schets eens wie ik ben in pakweg vijfhonderd tekens,’ vroeg een vriendin onlangs, een vrolijke dame van middelbare leeftijd met een gouden hart, goedlachs, houdt van uitgaan maar blijft ook graag gezellig thuis, zorgzaam bovendien en gedienstig. Ze houdt van films, dansen, reizen, koken en lekker eten. Aan de afschrikzijde vermeldde ze gescheiden, twee kids.
               ‘Jamais de ma vie zou ik daten met iemand die kids zegt,’ zei ik.
               ‘Omdat jij een moeilijk karakter hebt. Jij legt op te veel slakken zout. Sorry, maar iemand moet het zeggen. Maar ik blijf je altijd graag zien hoor.’
Bij de kids vermeldde ze nog dat die het nest al waren uitgevlogen en dat ze een man zocht moest er ook nog bij, om mogelijke misverstanden te voorkomen. Haar aanbod leek ons de gebraden kip waarvoor de hongerige eenzame enkel nog de mond hoefde te openen.

               Een week later klonk ze depri aan de telefoon. We keuvelden wat, over alweer geen winter, dat ook de eenvoudigste trui in de solden nog stukken van mensen kost en allebei vonden we Tom Waes in Undercover weinig geloofwaardig. Toen diende de Vraag der Vragen te worden gesteld:  
               ‘Heb je al reacties gehad,’ vroeg ik. Een tijdje bleef het stil.
               ‘Eentje.’
               ‘Beter één vogel,’ probeerde ik.
               ‘Ach, deze zingt een droevig lied,’ antwoordde ze, ‘Luister’:

‘Mijn vader was Belg en mijn moeder kwam uit de VS, ik ben geboren in België, maar groeide op en studeerde in de VS. Mijn ouders hadden een zakelijke onderneming in North Dakota, VS, dus we woonden in North Dakota, waar ik naar de universiteit ging (University Of North Dakota).”

               ‘Klinkt logisch,’ zei ik.

“Mijn ouders zijn 22 jaar geleden overleden. Mijn vader stierf op 85-jarige leeftijd en mijn moeder op 80. Ik was het enige kind dus erfde ik de eigendommen van mijn vader.”

               ‘Als zijn vader tweeëntwintig jaar geleden vijfentachtig was, hoe oud zou hijzelf nu dan zijn?’ vroeg ik, maar ze ging onverstoord door.

               “Ik ben op 30-jarige leeftijd in de VS getrouwd en heb 23 jaar gelukkig samengewoond. Helaas is mijn vrouw twee jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk met mijn enige kind. Het was een groot verlies voor mij, het was alsof alles voorbij was, ik zat in de problemen, ik huilde ’s avonds laat in mijn kamer.
Ik ben 7 maanden geleden naar België verhuisd, ik heb maar twee maanden in Antwerpen gewoond voordat ik vijf maanden aan boord van het schip ging. Ik heb minder dan drie weken om aan boord te blijven. Ik ga met pensioen na deze reis.”

               ‘Wacht even,’ probeerde ik weer. ‘Dus we hebben hier een bejaarde universitair die vijf maanden voor zijn pensioen matroosje gaat spelen?’ Ze negeerde me.

               “Ik keerde terug naar België omdat ik de rest van mijn leven in mijn thuisland wilde wonen. En zoek ook een leuke vrouw waar ik gelukkig mee kan leven. Er was voor mij geen enkele reden meer om in de VS te wonen.
Ik ben een scheepswerktuigkundige, dus ik werk op een schip terwijl het vaart. Momenteel ben ik op mijn laatste reis naar Azië, maar zal binnen minder dan drie weken terug naar mijn huis zijn. Ik hoop dat je geduldig op me kunt wachten.”

               ‘Die drie weken zijn het probleem niet, wel?’ vroeg ik.

               “Toen ik je voor het eerst op TINDER zag, was het eerste dat in me opkwam wanneer, waar en hoe ik je kan zien. Maar binnenkort zullen we samen zijn als alles goed gaat voor ons allemaal. Je kunt me meer vertellen over je familieachtergrond en je mag me altijd alles vragen.
Hoop snel van je te lezen”

               ‘Arme stakker,’ zei ze. ‘Mijn hart bloedt. Ik heb zo met hem te doen. Zal ik …?’
               ‘Swipen! Naar LINKS. Nu!’ antwoordde ik.
Het bleef toen een hele poos stil, slechts af en toe onderbroken door een hulpeloze zucht.
               ‘Ik heb hier nog wel wat rode wijn,’ zei ik tenslotte, ‘Kom maar af.’
Want ik zie haar ook graag.

Gewone mensen

Wanneer de zon het vertikt om op te staan, de nacht ongemerkt dag wordt en weer nacht en wolken verstuiven tot smurrie en smodder, willen wij graag de Heer loven en prijzen en hem danken voor alle wonderen van Zijn schepping en de uitvinding van streamingsdiensten in het bijzonder. Geruggesteund door Netflix en VRTNu dromen wij ons door de winter, verfrommeld onder een fleece deken, slechts gehuld in een slonzige pyjama, in gezelschap van een mok hete chocola, een koekje van speculaas en marsepein en onze Zapper, trouwe metgezel, volgzamer, goedkoper en minder vermoeiend dan een Dalmatiër of Siamese kater.

Wij teleporteren ons naar de weeën en troebelen van de Britse Upper Class in Downton Abbey. Ach, ach, wat hadden ze het moeilijk in het eerste kwart van de vorige eeuw, die Lords en Lady’s met hun jachtpartijen, party’s en amoureuze machinaties, de teloorgang van de etiquette, de vooruitgang en de alsmaar luider klinkende stem van de gewone man.
Als een kind laven wij ons aan dit sprookje. Een boosterprik voor oog, oor en monkellach, niet in het minst dankzij de stokoude doch immer messcherpe Dowager Countess of Grantham:Servants are human beings too, but preferably only on their days off.’ Zoals dat gaat in sprookjes, eindigt iedereen gelukkig: er wordt trouw gezworen uit oprechte liefde, de booswicht komt miraculeus tot inkeer en in een warme kamer wordt een kind geboren terwijl buiten feeëriek sneeuwvlokken een wit tapijt draperen over het land.  
Carson, een zakdoekje, graag.

U en ik echter weten beter. Het leven is geen sprookje, al helemaal niet voor gewone mensen zoals wij en het eenzame tienermeisje Marianne uit Normal People, opgroeiend in een verhakkeld gezin, intelligent en eigenzinnig en gebukt onder veel te veel pijn op veel te jonge leeftijd. De hel zijn echt de anderen. Ze vecht voor zichzelf, Marianne, tussen de zee identieke schooluniformen in de eindexamenaula pronkt haar gele trui als de zon aan een grijze hemel. Er wonen veel Mariannes in Marianne.
Connell is de held van het rugbyveld. Vanbuiten een David van Michelangelo, vanbinnen vloeibaar als honing. De trots van de moeder, slim, betrouwbaar, het hart op de juiste plaats. Mocht ik opgroeien in Sligo en behept zijn met een andere geaardheid, nou. ‘Als je het niet fijn vindt, kunnen we altijd ophouden,’ stelt hij Marianne gerust als ze voor het eerst aan de liefde gaan doen. Een sprookje, zou je denken, a match made in heaven.

Maar ook in Connel wonen meerdere Connels en u en ik weten inmiddels, sprookjes bestaan niet. Elkaar graag zien is nog geen garantie op geluk. Connell heeft een reputatie hoog te houden: ‘Jij en ik, dat vindt de wereld wellicht een beetje raar.’ Marianne knikt. Het past bij haar zelfbeeld. Tranen vloeien pas nadat hij de deur uit is. Ze accepteert dat hij haar binnen de schoolmuren negeert, dit is het spel, dat zijn de regels, zo moet het worden gespeeld. Als Connell niet haar maar de blitse blonde meevraagt naar het bal, zoomt de camera in op een schokkende rug in een rommelig meisjesbed.
Carson, hoe herstel je een gebroken hart?
Een keer komt hij voor haar op, als ze op een feestje wordt bepoteld door een dronken klasgenoot. Verder benadert hij haar in het openbare leven ijziger dan een ijsbeer op de Noordpool in hartje winter.

Zij trekken aan en stoten af, in trage close-ups en lange stiltes. Woorden maken stuk, je bent er beter zuinig op. Wat niet wordt uitgesproken zegt vaak het meest. 
‘Ik ga,’ zegt hij.
‘Ik blijf hier.’ antwoordt zij. ‘We zullen dat goed doen.’ De pijn van het zijn.

Wij kennen dat, u en ik.
Wij zijn ook jong geweest. Raakten net als Connell en Marianne ooit ook verstrikt in de doolhof waar je als kind wordt in gelokt en als volwassene weer moet uit geraken. De jaren waarin je stem daalt terwijl je alsmaar meer eelt kweekt op je ziel, je leert dat sprookjes verzinsels zijn en je vreest dat de toekomst veel te zwaar wordt om te torsen op jouw frêle schouders. Pas veel later krijg je door dat dat hele leven uiteindelijk veel minder weegt dan de zeepbel die je als kind de lucht inblies.

A cause de nous

Je zit vast.
De bron der letteren staat droog. Verhalen vliegen door de lucht zeggen ze, je hebt ze enkel maar te plukken, op een goede dag vallen ze zelfs zomaar als rijpe vruchten in je schoot. Weinig oogst in december dan toch. Misschien staat de wind verkeerd, of let je niet goed op.
Ach, denk je, weet je wat? Ik sla een weekje over. Geen hond die het merkt. De wereld zit heus niet op jou te wachten. Iedereen is net als jij, druk met dingen doen waarvan we morgen vergeten zijn waarom we ze gisteren nog zo belangrijk vonden.

Je wurmt je onder je stolp vandaan en trekt de wijde wereld in. Naar een andere stad, andere lucht, andere mensen. Niet eens zo ver van huis, maar ver genoeg. De mensen spreken er een andere taal. Je begrijpt ze maar moeizaam, hun tong is rad, waar jij hapert en pruttelt, stromen bij hen de woorden als een rivier. Zo ongeveer moet het voelen als je nieuw leven zoekt in onbekend gebied waarvan je niet alleen de taal mankeert maar ook de zeden en gewoonten. Altijd een buitenstaander.

Je struint doelloos door de straten.
Alles zou inspiratie moeten zijn maar dat is het niet. De vriendelijke dame aan de balie van het hotel. De kinderen op de schaatspiste in het stadcentrum. De vrouw die je op de kerstmarkt een braadworst verkoopt. Ze ratelt aan een stuk door, je begrijpt geen jota van wat ze zegt, knikt van si en oui. Tot ze vraagt welke saus je op je broodje wil en je antwoordt met: ‘Je viens d’ Anvers.’ Het ratelen sputtert, de vrouw morrelt plots met overgave in de grote pan met uien. Ze wijst naar een bordje, zes euro, nu begrijpen jullie elkaar.

De wolken hangen laag. Toch huur je een fiets voor een tochtje langs de rivier. Diepzinnige gedachten en poëtische zinnen die je zeker niet mag vergeten schieten door je hoofd. Eerst dicteer je ze nog in je telefoon maar na triljoenen keren stilstaan houd je ook dat voor bekeken. De lucht klaart langzaam op, het is nog warm voor de tijd van het jaar.
Het grijs opent zich, hier en daar verschijnt een vlekje blauw. Het peddelen lucht op, je wordt er een tikje vrolijk van. Je ademt de frisse buitenlucht diep in en uit, vult je longen en laat ze ook weer leeglopen. Dat doet ook je achterband. Hier sta je dan, in het midden van nergens. Racefietsers snellen je voorbij, wandelaars op leeftijd knikken bonjour, niemand vraagt ça va.

Gelukkig weet je inmiddels dat geweeklaag en gejammer je geen meter dichter bij huis zullen brengen. Je schreeuw om hulp valt tegen. Zoek een treinstation, zegt de fietsverhuurder, of een bus. Probeer een duim omhoog, wie weet stopt er iemand met een bestelwagen waar ook je fiets in kan. ‘On peut toujours marcher’, zegt hij nog, je fantaseert er de lach op zijn gezicht bij.
Twaalf kilometer, dat zijn hoeveel calorieën? Het water glinstert, de nu blauwe hemel weerspiegelt erin. Tussen de struiken aan de oever schuilt een reiger. Bevers hebben de voorbije nacht aan boomstammen geknaagd. Verderop gooit een visser een lijntje uit.

Traag nordic walken drie dames op leeftijd een eind voor je uit. Ze hebben elkaar veel te vertellen, hun gekwetter overstemt je fietsbel. Uiteindelijk draait de kleinste haar hoofd, ze stoot de anderen aan. Meteen leggen ze zichzelf het zwijgen op. Vriendelijk zetten ze een stap opzij.
‘Vous êtes à pied a cause de nous?’ vraagt de mevrouw in het midden koket. Haar haar heeft de kleur van mahonie, haar gezicht is gegroefd. Wat zou ze blij zijn, denk je in een flits, als je ja zou zeggen. Ja, natuurlijk, dat doe je voor een dame. Je neemt je tijd, stapt van je fiets, een dame heeft recht op kleine égards. Je laat haar voorgaan, houdt het portier voor haar open, drapeert je jas om haar schouders als ze het koud heeft. Ouderwets misschien, maar met stijl. Je ziet hoe ze glimt. Je gunt het haar.

Beelden en woorden vullen je hoofd, je ziet een vertelling groeien. Maar niet in haar taal.
Hélas.
‘Je suis désolé,’ zeg je. Onhandig wijs je naar je fietsband.
‘Ah oui, ça je connais,’ antwoordt ze.
Ver voorbij de zeventig moet ze zijn, maar ze lacht nog altijd de lach van een meisje.
Opgewekt stap je verder, genietend van de pluk van de dag.

Nijlpaarden is een werkwoord

Een deur, een viskom, een tafel en twee stoelen.
Meer rekwisieten stonden er niet op het podium. Meer hoeft ook niet, de toeschouwer vult wel aan. Hij fantaseert zich een woonkamer in een rijhuis met oprit en garage. En een man die net vernomen heeft dat zijn laatste dag nakend is, zijn jonge minnares annex poetsvrouw die kapotgaat van verdriet en een echtgenote die, zoals het placht te gaan, altijd de laatste is die iets in het snuitje heeft.

Toneel is code. Aanname. Die vrouw wist alles al veel langer dan wij, zowel het uitgangspunt als de afloop. Ze heeft dat stuk talloze malen gerepeteerd om toch maar zo goed mogelijk te doen alsof zij nergens van weet. Wij op onze beurt doen alsof we haar geloven. Zo spelen wij het spel mee. Bovendien betalen wij daar zelfs nog entreegeld voor, het zou hier zomaar om een plan van Donald Trump kunnen gaan.  Elkeen acteerde naar best vermogen. De acteurs gebaarden, fluisterden, verbeeldden het echte leven. Tweehonderd liefhebbers lieten zich gewillig op sleeptouw nemen, lachten wanneer het werd verwacht en slikten als het nodig was een krop weg. In hun bokaal zwommen de vissen lijdzaam rondjes. Zij werkten op me in als een koude Duvel op een zomerdag. Telkens weer moest ik naar ze kijken.

Dit doet de vis: hij zwemt.
Je weet niet waar hij aan denkt. Zijn mimiek blijft stoïcijns, geen enkele emotie op zijn wezen. Hij deelt vreugde noch verdriet, niet met jou en voor zover je dat kan beoordelen ook niet met zijn soortgenoten. Je zag niet opeens twee vissen gezellig met elkaar keuvelen over dagdagelijkse vissenbesognes. Tekst voor het stuk hadden ze ook niet. Ze stonden nooit prominent op het kruisje centraal vooraan op het podium. De hoofdrol was niet voor hen geschreven.
Zij zwommen. Van links naar rechts, van voren naar achteren. En weer terug. Zonder regieaanwijzing, er heerste absolute willekeur in het water. Geen verkeerslichten of wegwijzers. Eentje zwenkte onverhoeds naar links waardoor een ander bruusk in de remmen moest. En toch, geen vin verroerde, nooit verhief er eentje zijn stem, tot slaande ruzie leidde het niet. Ook in de zaal dacht niemand eraan de ordediensten te alarmeren.
Een vis tikte stomweg tegen het glas, als een roodborstje uit een liedje. Als om te bewijzen dat hij wel degelijk een goudvis was, tuitte hij daarbij de lippen, als bij een kus. Eat that, readbreast!

De symboliek was me vanzelfsprekend niet ontgaan.
Ik kan dat wel hebben, een heldere, duidelijke metafoor. Liever leesbare dan onontwarbare puzzelpoëzie. Drie vissen in hun bokaal die geen kant op kunnen, dat waren natuurlijk die drie personages, muurvast gebetonneerd in hun eigen levens, woorden, gedachten en gevoelens. Zo wil een van hen naar Kaapstad emigreren. Een nieuw leven, een tweede kans, wie kent het verlangen niet? Dat gebeurt natuurlijk niet. Een ander gaat gewoon dood, de ultieme vlucht vooruit.
Zoals gezegd, toneel is code. Op het einde wipte de man als Lazarus van zijn sterfbed en nam hij buigend een verdiend applaus in ontvangst. Sterven loont, op een of andere manier.

De volgende ochtend stootte ik in de krant toevallig op een merkwaardig weetje. “Nijlpaard zwemt in eigen (en andermans) darmflora”. Daar had ik nog nooit bij stilgestaan. Nijlpaarden stappen niet uit het water om zich achter een struik op de hurken te zetten en zich te ontlasten. Zich schoonvegen met een Kleenexdoekje, dat doen nijlpaarden niet. Bij een pandemie geen nijlpaardenstormloop om toiletpapier. Beetje modale hippopotamus laat het lopen waar hij staat. Daardoor leeft in het water dezelfde bacteriegemeenschap als in de darmen van de dikhuidige, “een soort meta-microbioom dat de eigenschappen van het water in hun voordeel verandert.”
Zo doet natuurlijk ook de vis, bedacht ik. Die stapt er ook niet zomaar even uit de bokaal voor ontlasting, seks of andere dingen waarvoor wij aparte kamers hebben ontworpen. Zijn gehele doen en laten speelt zich af in dezelfde omgeving. Supergezond zwemt hij zich een weg naar het applaus aan het eind.

En wij?
Wij hadden gezondheidspas en identiteitskaart getoond en hielden onze mondmaskers op, een tikje moeizaam ademend, de keel droog, de bril bewasemd. Onmiddellijk na de voorstelling een korte passage naar het toilet.
Misschien spiegelen we ons beter aan het voorbeeld van het nijlpaard en de goudvis. Alles gewoon laten lopen waar we bijstaan en dan samen verder ploeteren in onze collectieve shit.

De dame en het brood

Dus ik moest naar Colruyt.
Ik dacht slim te zijn. Pal op het middaguur draaide ik de parking op, tussen twaalf en één eet immers iedereen. Weinig volk, snel klaar. Hoe moeilijk kan het zijn?
Ik was niet de enige die dacht het scherpste mes in de lade te zijn. Lange rijen aan de kassa. Murphy is overal. Hij plaatst winkelwagens van onbekenden precies voor de wijn die ik zoek. Of, als hij werkelijk provoceren wil, een onwrikbaar palet goedkope witte uit Chili of Zuid-Afrika.

Aan de bakkerijafdeling worstelde een oudje met de broodsnijmachine. Een vrouwtje zo klein, frêle en breekbaar dat ik er haast week van werd. Als het virus haar aantikt, is ze weg, dacht ik. Ze was vast ooit groter en pronter geweest maar de tijd had haar alle weelderigheid en charme ontstolen. Wat overbleef was een voorafname van het stof en as waar ze weldra naar zou wederkeren.
Het besje morrelde met de broodschuif. Het scheen niet goed te lukken. Ze sloeg haar waterige puppyogen naar me op. Ik meende haar onderlip te zien trillen.
Woorden wekken, voorbeelden strekken.
Ik legde een rond boerenwit in de tweede snijmachine, griste boven haar hoofd papieren zak nummer D uit een vak en stopte het gesneden brood er vlotjes in. Handig ben ik niet, maar brood bergen in een speciaal daarvoor ontworpen papieren zak, dat kan ik.

‘Mijnheer,’ kraste ze. Ik bukte me naar haar toe, alleen al het spreken vergde zichtbaar van haar krachten. ‘Hier staat: vergeet niet uw etiket te kleven.’
Fuck, dacht ik, maar dat zei ik niet. Fuck zeggen tegen onbekende dames, ongeacht hun leeftijd, is middeleeuws en barbaars en geheel uit de tijd.
Ik begreep haar probleem. Technologie maakt het leven van de ouderling niet eenvoudiger. Al helemaal niet als bedoelde etiketten zich op basketspelershoogte bevinden. Zelfs al mocht ze nog sterk genoeg zijn om haar arm boven haar hoofd te tillen, ze zou nooit hoog genoeg kunnen reiken. En de tijd van huppelen en springen lag duidelijk minstens een halve eeuw achter haar.
Ooit zwoer ik nog bij de waarden van de jeugdbeweging. Je naaste liefhebben, het goede doen, oude mensen de straat helpen oversteken, u kent dat. Dus vroeg ik welk brood ze precies had gekocht. Dat wist ze niet meer zeker, haar bevende vinger wees naar het goedkoopste. Ik drukte een etiket af en kleefde het op haar broodzak.
Mijn goede daad van de dag.

Aan het einde van de rayon botste ik bijna pardoes op het winkelwagentje van een vrouw die net de hoek om draaide. Onnozel als altijd, deed ik alsof ik door het bruuske remmen dubbel plooide over de handgreep van mijn eigen kar. Jaja, met mij kan je lachen, ik ben me er eentje.
‘Oeps, spannend,’ zei ik.
‘Spannend? Zeker spannend. Die pijlen op de grond wijzen pertang wel in welke richting je moet gaan,’ reageerde ze bits. Nog voldaan over mijn goede daad, wilde ik mijn luim geenszins laten bederven. Niet iedereen staat even vrolijk in dit bestaan, ik begrijp dat. Bovendien had ze gelijk.
‘Voor u ook een goede middag,’ zei ik en vervolgde mijn weg.

Een lange rij aan de kassa.
In het midden was ruimte maar de man voor mij blokkeerde het pad. Geduldig wachtte ik dus mijn beurt af, iets anders zat er niet op.
Een winkelkar stootte in mijn zij.
‘Excuseer, …’ probeerde ik. Nog voor ik me had omgedraaid, een tweede por, doortastender nu. Ik begon me te voelen als die kegel aan het einde van de bowlingbaan. In mijn hoofd zag ik een scène passeren uit een slechte Amerikaanse film, over een razende SUV die een hulpeloze cabrio het ravijn in bulldozert.
Inmiddels werd ook de man voor mij opzij gekegeld.
Eerst zag ik het brood, dan de met levervlekken bedekte handen, dan de kruin. Alles precies zoals bij de broodmachine. Het vrouwtje keek op noch om, banjerde onverstoord door de wachtrij heen. Die spleet uit elkaar zoals de zee voor Mozes en zijn volgelingen. Ik geloofde mijn ogen niet. Iedereen zette voor dit verschrompelde oudje spontaan een stap opzij. Als gehypnotiseerd voor zich uitkijkend kraste ze: ‘Jullie denken toch niet dat ik hier ga blijven staan zeker?’ Het klonk als een opgejaagde kraai in het wild.
Sprakeloos keek ik toe. Steeds verder schoof ze van me weg naar de lege ruimte in het midden. Het was overdreven boertig en onbeschaamd en onweerstaanbaar grappig tegelijk. De mensen keken nors en morden tegen elkaar, maar tegen haar zei niemand wat.
Een Colruytmeisje laadde de inhoud van haar karretje in een grote tas. Ze wenkte een sterke collega die de tas oppakte en het oudje naar de uitgang begeleidde.
‘Godverdomme,’ dacht ik, ‘jij gemeen serpent.’
Ik ben zo goed als zeker dat ze ook haar brood te weinig heeft betaald.

Een leven lang liefde

Zestig is ze.
Ze glimt op de cover van de weekendbijlage, tussen rondborstige Temptationbabes van wie we zelfs terwijl we ze lezen de namen alweer vergeten.
Het leven ploegde groeven in haar voorhoofd, weefde een web van kraaienpootjes rond haar ogen, experimenteerde met de rekbaarheid van mensenhuid. Desondanks sprankelen haar ogen als sterren in de nacht. Een glimlach op de lippen, de rustige vastheid van de jaren. Haar handen vormen een kom waarin een sjaal haar hoofd een warm kussen biedt. Op zestig voelt het leven kouder aan.
Ze heeft veel van de wereld gezien. Ze zag meisjes genitaal worden verminkt in Afrika en vrouwen lijden in Afghanistan. Bezocht gelukszoekers in het hoge Noorden en broeierige Zuiden. Ze is begaan met adoptiekinderen en draagmoeders, heeft een mening over klimaat en cancel culture. Ze maakte programma’s voor televisie en publiceerde boeken. Deze vrouw gaat het leven niet uit de weg, het leven dat zalfde en sloeg, zoals het leven doet. Ze huwde, kreeg kinderen, scheidde.
Optimism is a moral duty,’ zegt ze, en jaagt daarmee de herfst ver voorbij de horizon.
Dat ze weer verliefd is, vertelt ze vrolijk. Dat dat nog kan! ‘Het is voor mij een revelatie dat je op mijn leeftijd nog even verliefd kan worden als op je achttiende.’

Wat dacht je dan, vraag ik me af.
Bestaat er misschien een houdbaarheidsdatum waarop je je emoties voortijdig dient uit te zwaaien? ‘Ga maar jongens, het is goed geweest. Dag Angst, dag Woede, dag Vreugde en Verdriet, dag Verwondering, dag Vlinders in de buik. Voor jullie is het feest voorbij. Voorzichtig onderweg en houd daarboven een plekje vrij. Wij, Krakkemikkig Lichaam en Gezond Verstand, kuisen hier verder de boel wel op. Wij hebben nog wat losse eindjes bij elkaar te rafelen, belachelijke misverstanden recht te zetten, een erfenis te verdelen. Daarbij hebben we jullie niet vandoen.’

Dit denken wij te zien.
De afdeling Groenten en Fruit. Een man op jaren schuifelt mokkend achter vrouw en winkelkar, de ogen dof. Hij fantaseert over de wedstrijd van vanavond vanuit zijn zetel, flesje Tripel Karmeliet erbij. Hopelijk gaat ze vroeg naar bed. Dromerig grijpt hij naar een appel. ‘Laat liggen,’ sist zij. ‘Wat denk je te gaan doen? Het is niet dat je er nog de tanden voor hebt.’ Zuchtend verzaakt hij aan de verboden vrucht.
In de Lunch Garden morrelen ze zwijgend in papperige puree. Door het grote raam gapen ze terug naar de voorbijgangers, als apen in de Zoo. Hun ogen flets en onleesbaar. De spiegel van de ziel, bedekt met eelt of minstens zwaar bewasemd.
Wij zien hen niet, kijken niet voorbij de bedrieglijke waterspiegel aan het oppervlak, hebben geen oog voor de kolkende stroming eronder.

Hoe gruwelijk de gedachte dat vanaf de middelbare leeftijd enkel nog de Rede heerst. Hoe meer littekens het leven tekent aan de buitenkant, hoe lager de passiemeter binnenin, zo redeneren wij. Liefde, verlangen, hartenpijn, het voorrecht van de jeugd. Wij, grijzer en wijzer, reciteren droefgeestig Elsschot uit het hoofd:

               Hij vloekte en ging tekeer en trok zich bij den baard
               en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren
               hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren
               en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard

Hij wilde haar doodslaan maar, dat is bekend, hij deed het niet. De drang nochtans was heftig en intens, hij vloekte, ging tekeer, trok zich bij den baard. Wat hem weerhield zijn droom in daad om te zetten, waren wetten en praktische bezwaren en, dat vergeten wij, weemoedigheid die des avonds komt wanneer men slapen gaat.
Hoeveel heftiger kan het zijn? Hoeveel drift raast in deze gekwelde ziel? De vulkaan braakt dan wel geen kokend lava uit, ziedend woedt en laait het vuur nog in de krater. Gelukkig voor zijn vrouw heeft hij de jaren bereikt waarin het hoofd het weleens mag winnen van het hart.
Wij kennen dat. Ook wij klemmen nu en dan de lippen op elkaar om uitbarsting te voorkomen.

Als drift dat al vermag, waarom zou dan de liefde niet?
Er wordt getinderd dat het een lieve lust is, door hoogopgeleide nog midden in het leven staande jong van hart en geest zijnde vrijgezellen m/v/x die nu de kroost het huis uit is een tweede, derde of vierde kans wagen op zoek naar warmte en begeerte en als het even kan graag ook nog een vleugje, zeg maar vlaag, erotiek.
Er wordt blind gedatet door paren op jaren die niettegenstaande enige recente en minder recente gebeurtenissen toch nog een verblijf op amoureus gebied overwegen.
U wil niet weten hoeveel er wordt gefrunnikt en gefoezeld in bejaardenhuizen en serviceflats.
Echt niet.
Het is pas voorbij als de dame met zingen ophoudt.

Het licht in haar ogen

Wat is kunst?
Over deze en andere vragen breken u en ik al eens graag het hoofd. Een sluitend antwoord vinden we niet maar wat zou het? Prakkiseren over wat er uiteindelijk niets toe doet, het vult de donkere dagen, kost geen geld en houdt ons van de straat.

De blik in haar ogen, ja, dat is kunst, dat weten wij. Dat heeft Stijn er nog stevig ingedramd.
De glinstering in de blauwe irissen van Marieke Lucas Rijneveld vorige zaterdag bij Thomas Vanderveken kwam wel heel erg dicht bij die definitie. Ogen zijn de spiegel van de ziel, zo zegt de dichter. De ziel van de schrijfster zal dan blank en ongeschonden zijn. Onschuld borrelde van diep vanbinnen omhoog en zocht zich een uitweg langs oog en mond.
‘Noem mij maar Tussenpersoon,’ zei ze. Omdat ze het zelf ook niet weet, of ze een zij is of een hij. Allebei, denkt ze. Noem haar wat mij betreft Totaalpersoon. Zij is zoveel meer dan de som van zomaar een jongen en zomaar een meisje. Om de woorden van een andere schrijfster te ontlenen, zij mag alles zijn.
Alles zijn en toch gewoon jezelf blijven, grote kunst.

Meer nog dan een praat- is ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ een luisterprogramma.
Twee mensen aan een tafel, glas water, close-up camera’s. De twee kennen elkaar hooguit van naam. Samen met zijn redactie heeft de ene het komende anderhalf uur minutieus voorbereid, de ander scharrelde intussen wat beeldfragmenten bij elkaar. Patti Smith, Billie Eilish, Theo en Thea.
Er ontstaat een heus gesprek, zonder debatfiches. Met woorden, blikken, stiltes. Er valt al eens een euh. De twee snuffelen, tasten, zoeken, willen elkaar beter leren kennen. Zij ontdekken, geven zich bloot, kwetsbaar haast als geliefden. Er gebeurt iets, ze verrijken zich aan elkaar.
Daarvan getuige te mogen zijn, beschouw ik als een voorrecht. Tijdens de aftiteling vervlochten hun handen zich. Een klein gebaar van grote schoonheid.

Meisjes uit Bulgarije of Litouwen die getooid in traditionele jurken folkloristische liedjes zingen, ook dat is kunst.
Ik zag ze op het heilige podium van de Koningin Elisabethzaal. Zoals alles van waarde kwamen ook zij weerloos, met alleen maar hun stemmen en een aandoenlijk jeugdig enthousiasme. Niets schept meer vreugde dan onbekommerd getwinkel van opgewekte meisjes. Het warmde de mens vanbinnen, krulde een glimlach op de lippen. Je zou willen meezingen maar ontbeert daarvoor de stem en noodzakelijke basiskennis van het Bulgaars of Litouws. Wegdrijven op melodieën van engelenkoren, dat kon dan weer wel.
Ook een koor uit de omgeving gaf present. Tachtig jonge Borgerhoutenaren zongen boodschappen van belofte en hoop. Hun gezangen klommen omhoog boven het dagelijkse brommergeknetter van snelle drugkoeriers, loeiende sirenes en de occasionele ontploffing van een granaat.
Helaas, ze werden niet gehoord door de afwezige burgemeester en zijn vazallen. Het zou hun kijk op een bepaalde gemeenschap mogelijk enigszins hebben bijgesteld, muziek verzacht immers de zeden. De andere kant opkijken, kansen laten liggen om vooroordelen bij te sturen en dichter bij elkaar te komen, koud kunstje voor een uil die niet wil zien.

Oude kunst gezien ook in het schilderachtige Delft, vorige week.
Schuilen voor de regen kan er bij het praalgraf van Willem van Oranje. Maar het is daar kil en stil en niemand zegt wat terug. Een tombe is zelden interactief.
Doe mij maar het Huis van Johannes Vermeer. Van souterrain tot nok volgestouwd met relieken en prullaria ter meerdere eer en glorie van de ongelukkige Meester van het Licht. Geleefd als een artiest, berooid tot in de kist. Stijn had helemaal gelijk, de blik in de ogen van Het Meisje met de Parel, dat is kunst.

Onze onophoudelijke zoektocht naar schoonheid liep enigszins spaak in het feeërieke Gent. Mia had er nochtans het licht gezien, zo was ons toch verteld. Wat Mia kan, zou ons ook wel lukken.
Driewerf helaas.
Ik word niet week van een rode lichtkolom op een kale muur. Een stroboscopisch kleurenpalet wekt in mij geen diepere emoties op. Krassende en krijsende kreten onder een tollend spotlicht, ik word er koud noch warm van.
Gelukkig bood af en toe een installatie schoonheid en troost. Gezichtsmozaïeken geprojecteerd op boomblaadjes. Verlichte waterdruppels die raadselachtige woorden vormden. Voor idee, uitvoering en balsem op de ziel, een tien.

Aan het einde van de route mocht de bezoeker lege bladen vullen. ‘Wendy was hier,’ las ik, en ‘Groeten uit Venlo.’
‘Zolang de laatste maar niet vergeet het licht uit te doen,’ kribbelde ik speels op een verder  onbeschreven blad.
Een grapje. Al lachend zegt de nar de waarheid.

Een verslaggever in de leegte

Herkent u deze zin?
“Ergens, in de vele verhalenbanken die her en der zijn aangelegd om uit te kunnen putten wanneer de wereld een vertelling nodig heeft, moet de fabel zijn terug te vinden die ons zegt dat men bij zijn aankomst in het rijk der doden een kenmerk moet melden, slechts één, dat het hele voorbije leven typeerde.”

Juist. Het is de verrukkelijke opening van Mevrouw Verona daalt de heuvel af van Dimitri Verhulst. Ik las het na De Helaasheid der Dingen en werd wak als was.

Gevolg: een halve meter Verhulst op de boekenplank. Elf stuks, geen enkele keer sloot ik een lezing ontgoocheld af. De man beschrijft het leven zoals het is in al haar dieptreurige zwaarmoedigheid, gaat geen ongemak uit de weg en dipt zijn verhalen in een scheut onderkoeld sarcasme wat het geheel bedrieglijk licht verteerbaar maakt. Echt vrolijk word je er zelden van, al mag er onderweg ook weleens gelachen worden, zij het besmuikt en binnensmonds. Hij durft doorduwen waar je het voelt en laat de lezer weleens naar adem happen, altijd in een rijk en plastisch Nederlands.
Ik ben geloof ik wel een beetje fan.
Onlangs attendeerde iemand me op een mij onbekend werk: ‘Onze verslaggever in de Leegte’. Een dagboek, blijkt uit een recensie op het web, “… het verslag van een zelfvernietiging: liever zelf naar de klote dan dat je ondergang door een ander wordt veroorzaakt.” Helder. Vintage Verhulst. Perfecte timing ook. Het is sowieso de tijd van het jaar om je onder te dompelen in misantropie en mistroostigheid.

Nochtans ben ik geen dagboekenman.
Anne Frank liet mij natuurlijk niet onverschillig. Adrian Mole vond ik hilarisch. Enige tijd geleden tipte ik nog Pogingen iets van het Leven te maken (https://desprekershoekvandeschrijverij.blog/?s=Hendrik+Groen).
Maar verder leeft in mij een hardnekkig vooroordeel. Elke dag je wissewasjes noteren in een schrift vind ik getuigen van verregaande navelstaarderij. Bakvisromantiek. Wanhoopschriftuur voor de schrijver die geen betere deugdelijke compositie kan bedenken. In de Grote Bibliotheek der Invalshoeken vind je Dagboek achteraan, ver voorbij Autobiografie en Brievenroman.
Deze vooringenomenheid zit als in stenen tafelen gebeiteld in mijn hoofd. Misschien komt het doordat ikzelf zelden iets beleef dat de moeite van het noteren waard is.

Maandag
Driekwart dag gewerkt aan een stuk dat vermoedelijk nergens toe zal leiden, tenzij de prullenbak. Aanmodderaar, zegt mijn Twitterprofiel. Vruchteloze Ploeteraar kan er misschien nog bij. Veel duimpjes genereert het niet.
 ’s Avonds schrijfcursus. Feedback opdracht 03: mijn ingezonden tekst werd goed onthaald, al staan er nog domme fouten in. Een van de personages lijkt ongewild een groene baard te hebben.

Dinsdag
De zon schijnt, fietsdag.
Mijn dochter viert haar verjaardag in Amsterdam. Bloemenmarkt, Madame Tussauds, een verrukkelijke pasta in een oer-Hollands supergezellig restaurant. Dat zijn de dingen die ze me wél vertelt. Haar dagboeken schrijven zichzelf. De productiviteitsgraad van De Schrijverij evenwel bevindt zich net als Amsterdam onder zeeniveau.  Het orderboek is leeg en het wassende water heeft de Bron der Inspiratie in zich opgenomen. Ideeën, woorden en volzinnen dobberen weg op wereldwijde oceanen, voedsel voor vissen en de Ocean Cleanup van Boyan Slat.   

Woensdag
Toneelvoorstelling: De Aanzegster. Tekst van I.L. Pfeiffer.
Een leerkracht zag er blijkbaar een interessante opdracht in. De stilzwijgende clash der generaties: al wat ouder is dan vijftig draagt een mondkapje. Mijn stoel bevindt zich tussen 6 Moderne Talen. Ik ben die gerimpelde knaap met een kale plek op het achterhoofd en de mond bedekt. Achteraf evalueren de scholieren luidruchtig. ‘Ik had het erger verwacht,’ zegt de een. ‘Viel nog wel mee,’ vindt een ander. Mijn mening vraagt niemand.
Ook woorden van Pfeiffer dobberen soms doelloos in de ruimte. Er is altijd voor alles een troost.

Donderdag
Nog geen idee voor de zaterdagse blog. Een dagboek misschien?
Volgens mijn kinesiste zet ik mijn voeten verkeerd. ‘Het wordt wellicht lastig om dat nog te corrigeren, op uw leeftijd,’ zegt ze achteloos. Hoop doet leven, maar wat als er geen hoop meer is?
Ik neem een krachtig besluit. Voor alle overheidsbrieven hanteer ik voortaan de niet-testenstrategie van Ben Weyts. Niet kijken, dus van niets weten, dus niets betalen.

Vrijdag
Een halve ochtend zoekend naar ideeën in mijn boekenkast. Bij de V van Verhulst gaat de lamp eindelijk branden.
Veertien hopeloze inlogpogingen in The Virtual Village van de World Choir Games. Misschien lijd ik aan Digibetisme. Bestaat geen vaccin voor. Zelfmedicatie is hier de regel, je zoekt het maar uit. Er bestaat wellicht een appje voor. Wel ontbreekt de handleiding die uitlegt hoe de app werkt. Ik heb nood aan een computerbuddy. Mocht ik weten hoe het moest, ik creëerde een avatar naar eigen beeld en gelijkenis. Bestaat vast een appje voor.

Zaterdag
Vanavond openingsceremonie World Choir Games. De teksten moeten in het Engels. Dat is mijn tweede taal, makkelijk zat. The sun is shining and the birds are singing on the staircase.
Afspraak in de vooravond aan Antwerp Expo. Vooraf misschien nog even de stad in, op zoek naar Een Verslaggever in de Leegte.
Wordt vast een heerlijke leeservaring.

Op zoek naar Schoonheid

Some guys have all the luck.
Het leven is een eeuwige zoektocht naar Schoonheid en Troost. Het is kunst de rozijnen te vinden in de oeverloze brij van trivia en weetjes op het wereldwijde web. Soms zit het mee. Zo stootte ik laatst pardoes op een Open Call.
‘Gewoon Oproep is ook niet verkeerd,’ bromde ik eerst nog.
De taalliefhebber in mij voelt zich alsmaar vaker als die stier in de arena, omringd door rode lappen en zigzaggende matadors. Op mijn leeftijd mag ik graag balorig worden over dingen die er verder op geen enkele manier toe doen, zoals het bovenmatig gebruik van Engelse termen waarvoor een perfect Nederlands alternatief bestaat.
Sommige jongens hebben alle geluk dus, zoiets.

Dit geheel terzijde.
Voornoemde oproep werd gelanceerd door Creatief Schrijven VZW, een platform voor lieden zoals ik, die het prettig vinden de kronkels van hun gedachten op min of meer deugdelijke wijze met de wereld te delen teneinde het bestaan van de medemens luttele ogenblikken op te vrolijken. De bede richtte zich tot bloggers en, in samenwerking met BREEDBEELD, adepten van de fotografie. Men zocht medewerkers om de World Choir Games te illustreren met woord en beeld.

De World Choir Games zijn voor het zangkoor wat de Olympische Spelen zijn voor zwemmer, kruisboogschutter of gewichtheffer. Het hoogtepunt van de carrière. De uitgelezen gelegenheid om het eigen kunnen te meten met gelijkgestemden uit alle hoeken van de wereld. Dé kans om een keer zelf voor het voetlicht te acteren. Het lot van de koorzanger is de achtergrond. Tenzij in een Griekse tragedie, krijgt hij zelden de hoofdrol toebedeeld. Die is heden ten dage weggelegd voor sporters of soapacteurs, clowns in praatprogramma’s en parlementen of aandachtzoekers op de socials.
Games en Spelen varen onder identieke vlag. Deelnemen is belangrijker dan winnen, al zal ook hier de winnaar het allemáál nemen. Ook bij deze wedstrijd hoort een vlam, is de bezetting internationaal en wordt het concours om de zoveel jaar in een ander continent georganiseerd. De vorige Games vonden in 2018 plaats in Zuid-Afrika – meer dan zevenhonderd deelnemers – de volgende gaan door in Zuid-Korea. En die van dit jaar binnenkort in Antwerpen en Gent.

Is de schrijver nu plots ook een zanger?
Geen paniek. Van stemvork of partituur begrijp ik evenveel als van de kronkels in het brein van Bart De Pauw. Een tijdlang leefde ik in de overtuiging dat diep in mij een rockster woonde, met een stem van schuurpapier en een charisma dat gletsjers doet smelten. Gelukkig brengen jaren inzicht met zich mee. Tegenwoordig verhef ik mijn stem zelfs niet onder de masserende stralen van de douche. De buurt kreunt nu al onder de aanhoudende lawaaivervuiling. Bladblazers brullen, grasmaaiers ronken en haagscharen razen, frequenter dan de gemiddelde puber aan seks denkt.
De Open Call stelde geen hoge eisen. Om een bijdrage te leveren aan dit Hoogfeest van het Zangkoor was kennis van muziek geen vereiste. Men vroeg een weinig tijd en veel goesting. Wie zich geroepen voelde, mocht een kandidatuur indienen.

De Schrijverij behoorde tot de selecte groep der uitverkorenen. Literaire doorbraak, hoor ik u denken, eeuwige roem, exuberante verloning, dat brood is gebakken, het bed gespreid. Niets van dat alles. Een ware minnaar van Schone Kunsten maalt niet om ordinair materieel gewin. Hij weet zich al voldoende beloond met een gratis toegangsticket, enige waardering en een inwijding in andere individuele expressievormen van individuele emoties.
Vorig weekend ontmoetten bloggers en fotografen elkaar. Wederom erken ik ootmoedig, ook van de wereld van het lichtbeeld at ik kaas, vlees noch vis. Foto’s worden geshopt, dat wist ik, maar de enige mij bekende lens is de contactlens en in mijn beleving gaat enkel de koffie door een filter. Er schijnen massaal veel pixels te bestaan, maar persoonlijk ken ik er niet een en van sluitertijd, groothoek of breedbeeld begrijp ik geen jota.

Wel kan ik mooi onderscheiden van lelijk. Warm van koud. Emotie van oppervlakkig. Een wereld openbaarde zich voor me toen de portfolio’s openlagen. Ik kreeg inkijk in de mens achter de lens. Zag hoe een man of vrouw achter de camera wikt en weegt, kijkt en kadert, schippert tussen kleur of zwartwit, focus of suggestie. Ik vertrok rijker dan ik was gekomen.
Het is zondermeer ontroerend te zien hoe bevlogen de liefhebber, of hij of zij schilder is of zanger, fotograaf, pottenbakker of meubelmaker, tracht naar Schoonheid in de wirwar van het bestaan, zoekt naar de bloem op de belt, de zilveren rand rond de donderwolk.
Tot zover woord en beeld. Tijd voor klank.
Let the Games begin.
Laat de Spelen aanvangen.

https://www.wcg2021.be/

Bomma zegt nee

Je hebt voldoende kilometers op je teller, zou je denken. Jou krijgen ze niet zo gauw meer op je paard. En toch, deze week.

Eerst.
Een hoop heisa over een BV en de grenzen van het fatsoen. Je wilde het negeren maar het was overal, de hele tijd. God en Kleine Pier trokken stante pede een toga over het hoofd, scharrelden zwaard en weegschaal bij elkaar en bonden zich een blinddoek voor. Wie heeft nog een wetboek nodig om recht te kunnen spreken?
Je scrolt door het oordeel des volks. Je maag tolt als een badlaken in een droogtrommel. Dat die wijven niet zoveel complimenten moeten maken. Dat ze het zelf hebben gezocht. Dat het allemaal zo erg toch niet is, een paar duizend tekstberichten, so what?
Als een ander ons op onze grenzen wijst, schreeuwen we woke en brand, maar zelf weten wij precies hoeveel die ander moet kunnen verdragen. Hoe erg moet het zijn, vraag je je af. Wie anders dan de belaagde zelf bepaalt die grens? Als ieder voor zijn eigen deur veegt, is heel de straat proper, zei de bomma vroeger.
Ooit onderrichtte je jongens van zeventien over liefde en lichamelijkheid. Zij wisten daar verbijsterend weinig over. ‘Als ze nee zegt, zegt ze nee,’ waarschuwde je. ‘dat heb je dan te accepteren. Vind je dat lastig, denk dan aan mij. Uw goesting zal rap over zijn.’ Haha en begrepen mijnheer. Doelstelling bereikt. Nooit geweten hoe vaak op zaterdagavond er ook daadwerkelijk aan jou werd gedacht.

Dan.
Die voorzitter van het Eigenbelang: ‘Als je politici minder gaat betalen, worden ze vatbaarder voor corruptie’. Dat moest even zinken. Aan uw eigen kent ge een ander, komt ook van de bomma.  Zesduizend euro elke maand, anders speelt hij vals. Zo zijn die politiekers, blijkbaar, ze zeggen het zelf. Jij bent natuurlijk betrouwbaarder dan de heilige maagd, dat spreekt, jij hebt geen zesduizend euro nodig om je boterham eerlijk te verdienen.
Een op vier gouwgenoten geeft dit creatuur een stem.
Soms wil je opnieuw geboren worden, op een plek ver van hier.

En nog.
Het land verkeert in nood, overal zoekt men centen. Jij weet ze liggen, makkelijk zat. Ruw geschat twaalfhonderd Belgen parkeren hun fortuin in een belastingparadijs, goed voor om en bij een slordige 172 miljard.
‘Legaal,’ verdedigt men, ‘gewoon de achterpoortjes van de wet.’ Dat verkleinwoord alleen al. Sluit die dan, denk je. Beetje Koninklijk Besluit is zo in elkaar geflanst, zie avondklok of knuffelcontact.
Maar neen, liever stroopt men de kei het vel af.
Het geld moet gehaald waar het zit en dat is, dat weten we allemaal, bij de Langdurig Zieke. Die moet eindelijk eens worden aangepakt. Dat stapt pas uit bed als de Gezonde al een uur nukkig in de file staat, op weg naar de dagelijkse slavenarbeid. Dat plukt de dagen, ontbijt op het gemak, eitje zacht gekookt, warme croissant erbij, kannetje koffie, krant. Dat gaapt door het raam, geeuwt nog een keer, mompelt ‘Laten we vandaag maar eens lekker niets doen. De Gezonden travakken wel voor twee.’

Jij weet beter.
Je was er niet lang geleden zelf een. Achter je de bruggen opgeblazen, voor je het gapende gat. Het vat der wilskracht leeg, de energievoorraad uitgeput. Elke volgende dag dreigde nog donkerder dan de vorige.
Je voelt nog steeds de schaamte, de machteloosheid, het pijnlijke besef overbodig te zijn. Dat loden schuldgevoel omdat je werd betaald voor werk dat je niet deed. Je was bang en onzeker, altijd benauwd voor de deurbel, ook op vrijdagavond, de controlearts slaapt nooit. Hij hoort je vijf minuten aan en beslist dan ontegensprekelijk over de rest van je leven.
‘Ga wat doen, leef’ adviseerde je psycholoog. Weer op straat, liep je dicht tegen de gevels aan, hoody over je hoofd. Je wilde niemand zien en door niemand gezien worden. Je schaamde je als je in de zon een boek las of ging fietsen.
Wat iemand een Langdurig Zieke maakt, interesseert de Gezonde niet. Een geknapte rug of geknelde zenuw, de nasleep van een officieel genezen kanker, een onzichtbare aandoening waardoor je aldoor hondsmoe bent, hem zegt het allemaal niets. Hij kent het niet, voelt het niet, moet er niet van weten. Jij bent de krekel, hij de mier. Jij zingt je door de dag terwijl hij in het zweet zijns aanschijns de ruif moet spekken die jij ongegeneerd weer leeg vreet. Na de Werkloze, de Waal en de Migrant, moet nu de Langdurig Zieke aan de schandpaal.
Bij het Laatste Oordeel vraagt men in dit land niet: ‘Ben je een goede mens geweest,’ maar wel: ‘hoeveel dagen had jij verlet?’
Wie niet werkt, is gezien.

En toen.
‘Nee,’ zeg je. ‘Het is genoeg geweest.’
Rolluik toe, flesje open. Nee, voor jou hoeft het even niet meer.’
En nee is nee.
Dat was bij de bomma ook al zo.