Schietgebedje voor de schoolmeester

          

               ‘Iedereen is het er nu wel over eens, het niveau van ons onderwijs ligt lager dan de lat voor hoogspringen in de kleuterschool’, hoorde ik. Aanleiding was een onderzoek naar de kennis van wiskunde en ICT bij twaalfjarigen.
Iedereen? Ik niet. Al ben ik natuurlijk niet iedereen.
               “Een avond waarop iedereen het eens is, is een verloren avond” stelde Albert Einstein. Albert en ik, één strijd. Het is een noodlottige speling van de tijd en een drama voor de mensheid dat uitzonderlijke geesten als de onze elkaar nooit hebben ontmoet. De wereld zou er vandaag helemaal anders hebben uitgezien en in geen enkel opzicht gelijken op het zootje dat al die doorgeleerde bollebozen ervan hebben gemaakt.

               Ik moest denken aan een collega van destijds. Je kon er gif op innemen. Naderde de dag van het eerste rapport, ongeveer begin oktober, dan zakte zijn hoofd tussen zijn schouders. Beide handen had hij nodig om het te ondersteunen: ‘Die mannen lijken helemaal niks te hebben geleerd in de Lagere School. Neen. De leerlingen van vorig jaar, die waren stukken beter.’
Elk jaar opnieuw. Veertig jaar na elkaar.
De gedachte dat de zwakken van gisteren de sterken van vandaag geworden waren en dat dus ook de dommen van vandaag de slimmen van morgen zouden zijn, bood hem geen troost. Ik probeerde nog te nuanceren, citeerde Socrates over de jeugd van tegenwoordig in de oudheid. Vruchteloos evenwel. Geloof mij op mijn woord, de leerkrachten Metaalbewerking die ik in mijn leven heb ontmoet, hechten weinig waarde aan de aforismen van een Grieks filosoof.

               Bij algemeen gejammer en geweeklaag over het onderwijs gaan bij mij vanzelf alle sirenes loeien. Meteen heeft iedereen een mening klaar. Gisteren nog was iedereen viroloog en na de zomer wordt Iedereen coach van het vaderlands voetbalelftal, vandaag is iedereen onderwijsdeskundige. Want wie ooit al eens bij de bakker over de stoep kwam, weet natuurlijk hoe je het beste brood bakt. Wie bij Ikea op een regenachtige zondag een kötbullar door de keel wrong, kan zo de meubelmakerij in. Al laat zich daar de belabberde kwaliteit van het wiskundeonderwijs wel degelijk gevoelen, altijd is er wel een vijs te weinig of te veel.
               Je merkt het vaak niet en soms valt het ook moeilijk te geloven, maar iedereen versleet weleens op de schoolbanken een stuk textiel.  En dus weet iedereen hoe dat moet, school maken. Pedagogen, experts, journalisten, politici, bakkers, gehaktballendraaiers bij Ikea, houtbewerkers en wie dan ook buitelen als gekken over elkaar om de wereld te verrijken met hun mening. Hoe hoger de leeftijd, hoe schriller de klaagzang.

               De oplossing voor het probleem is simpeler dan het wereldbeeld van Tom Van Grieken.
             Stap één: De lat moet hoger. Stel eisen. Ram hem erin, die leerstof. Meer dril, net als toen. Ordnung und Disziplin muss sein. Sofort! Wie denkt dat school ook leuk mag zijn, dwaalt. Het leven is geen speelplein en de school al helemaal niet. Kind kan je altijd nog zijn in je vrije tijd, tussen scouts, balletschool en pianoles in.
               Stap twee: red de leraar. De arme duts. Hij heeft het zo moeilijk. Hij moet zoveel en krijgt daarvoor zo weinig terug.
Verminder zijn takenpakket en vermeerder zijn loon.
Verlos hem Heer, van jaarplan, lesvoorbereiding en Smartschool.
Bevrijd hem van dat vermoeiende speelplaatstoezicht, van bijscholing en personeelsvergadering, bemoeizuchtige directies en pesterige doorlichters.
Verlos hem van vervelende ouders. Zorg dat die zich weer helemaal richten op hun kerntaak: belastingen dokken om de wedde van de leerkracht te garanderen en zich verder onthouden van elke bemoeienis met het wel en wee van hun in onnadenkende wellust verwekte vlees en bloed.

               En nu u toch met ruwe bezem de Augiasstal reinigt, Heer, veegt u meteen ook al die vervelende kinderen onder de mat.
Met hun taalachterstand, dyslexie en ontelbare leermoeilijkheden
hun karakterstoornissen, Gilles de la Tourette en borderline
hun schaar-steen-papiertherapie, agressiebeheersing en gendertwijfels
hun lege brooddozen, slonzige turnpakjes en ongewettigde afwezigheden
hun onderontwikkelde prefrontale cortex en beperkte fantasie
hun kinderachtige speelsheid en onachtzaamheid
hun co-ouderschap, twee thuisadressen en oudercontacten met vier of meer vaders en moeders
hun angst voor het klimaat, de oorlog en het leven.

Laten we het kind in het kind negeren.
Tot meerdere eer en glorie van het niveau in wiskunde en ICT.

Fantoompraatje

               Het applaus na de voorstelling dooft langzaam uit. De eerste toeschouwers verlaten de zaal. Zegt de vrouw naast me tegen haar vriendin: ‘Die schapen vond ik wel een belachelijke.’  
               ‘Anders wel een bangelijke,’ antwoordt de vriendin. Intussen rommelt ze in haar handtas, typt een code in haar telefoon en wacht. Ik wacht mee. Ik ben hun gevangene, op stoel zes van rij twee. Zolang de dames op stoelen twee en vier blijven zitten, kan ik de zaal niet uit. Als een gazelle over keuvelende oudere dames wippen, lukt me al enige tijd niet meer zo best.
               ‘Een originele, dat zeker wel,’ geeft de eerste mevrouw toe.

               Ze spreken in fantoomzinnen. Een belachelijke. Een bangelijke. Een originele. Het zelfstandig naamwoord lijkt er nog bij te zijn maar is het niet. Het is weg, als een geamputeerd lidmaat. De toehoorder mag de prothese kiezen die hijzelf het meest vindt passen.
               Het ogenblik waarop beslist werd het zelfstandig naamwoord te amputeren moet ik op reis geweest zijn. Ik heb het helemaal gemist. Net zoals toen iedereen plots noemde in plaats van heette. Of jaren later mensen allemaal ineens ergens iets hadden van. Ik kreeg er toen ook ergens wat van, op mijn systeem om precies te zijn. En helemaal toen ook dertigers en veertigers opeens alles kei begonnen te vinden. Keitof, keigezellig, keizacht. Keibelachelijk vond ik dat.

               Er is iets mis met hoe wij omgaan met onze taal. Woorden worden heden ten dage in hoge mate verwaarloosd, mismeesterd, misbruikt. Misschien is het beter ze maar helemaal te deleten. Beeld zonder klank. Net zoals in het schouwspel dat de dames en ik net hadden bijgewoond. The Sheep Song, heette het. Het Schapenlied had voor mij even goed gekund. De meerwaarde van al dat Engels in onze taal ontgaat me. Anyway, het geblaat van een kleine kudde schapen was de enige tekst uit het hele stuk. Verder zei geen enkele acteur een woord. Een idee dat navolging verdient.
               Ook zonder woorden was de vertelling helder. Een schaap wil mens worden. Dat lukt niet best. Dat had ik dat schaap vooraf ook wel kunnen vertellen. Dat had het dier veel moeite en mij zevenentwintig euro bespaard. De queeste van het beest eindigt waar het begon, bij de kudde. Die keert zich nu echter van haar af. Over de onderliggende moraal moet ik nog even denken. Dat is wel een diepe, geloof ik.

               Dat woorden overbodig zijn vindt ook Liesbeth Homans, voorzitster van het Vlaams Parlement. Het nieuwsmedium Apache stelt vragen over de vergoeding van langdurig afwezige parlementsleden, zoals Sihame El Kaouakibi. Liesbeth verstuurde prompt een e-mail naar haar medewerkers met het advies aan die vraag zelfstandig noch enig ander woord vuil te maken. Negeren, luidt het ordewoord. In een tijd waarin men alles moet kunnen zeggen, moet men ook over alles kunnen zwijgen. Toch wel een dubbele.

               Wie wél alles mag zeggen is Tom Van Grieken, voorzitter van die partij die ijvert voor vrije meningsuiting. Voor zover het tenminste haar eigen mening betreft. Hij mag een gastcollege geven aan de KUL. De universiteit verschaft hem een podium om zijn opgeblazen waanideeën over eigen volk, islamisering, omvolking en onbetrouwbare elites als waarheid uit te strooien over de hoofden van eerstejaarsstudenten. Er is veel protest tegen de invitatie. De KUL zelf zegt “het maatschappelijk debat te willen aanzwengelen.” Op Twitter, waar het vaak erger stinkt dan aan de pissijn bezijden de kathedraal na de Bollekesfeesten, orakelt een professor: ‘Hitler werd ook door het volk verkozen.’ Beetje prof leidt daaruit dan af dat het volk, als dat al bestaat, de bal weleens misslaat. Zich door oppervlakkig bekkende schijnoplossingen makkelijk om de tuin laat leiden. Of voegt eraan toe dat Hitlers eerste beleidsdaad eruit bestond elke oppositie te verbieden. Het vrije woord gebruiken om het af te schaffen, wel een paradoxale.
               Mag dan niet elke mening vrij worden verkondigd? Dat is een makkelijke. Natuurlijk wel. Graag op ietwat beschaafde wijze, dat vind ik wel een belangrijke. En ook, woorden doen ertoe. Ze zijn als kruiden, sommige zijn heilzaam, andere giftig. Je laat ze beter niet los op de achteloze luisteraar zonder kritisch wederwoord. Voor je het weet krijg je partijvoorzitters die elke week in De Zevende Dag zonder tegenspraak van jetje komen geven en verder elk debat uit de weg gaan. Fantoomdemocratie.

               ‘Kijk hier, ons Daphne.’ Met verzaligde blik duwt de ene vrouw haar Samsung onder de neus van de ander. Een ukje op een deken.
               ‘Een schoontje,’ reageert de vriendin. Ze staan eindelijk op, ik kan op zoek naar de vestiaire. Gelukkig, anders wordt ook deze avond weer een late.

Het schouwtoneel dat wij bespelen

De wereld is een schouwtoneel dat wij bespelen
Voor iedereen een luchtkasteel om van te delen
En krijgen we niet al te veel, ’t kan ons niet schelen
We vinden ook het minste deel sensationeel

(Goeiemorgen Morgen, Nicole & Hugo)

            Vrolijke vrienden waren wij toen nog. Neder gezeten in de ronde genoten we van elke stonde. Opgewekt en blij schoven we nog wat dichterbij. We dronken melk, plantten een boom, verlangden niet meer dan een bloem en wat gras dat nog groen was. Een boom. Zicht op de zee. Wereld en toekomst lagen aan onze voeten, wij zouden er wat moois van maken.
Dat voelden wij aan ons hartje.

               Het flitst allemaal door mijn hoofd terwijl ik naar comfort zoek in het rode fluweel van stoel 1, rij 9 op de parterre in de Bourlaschouwburg aan de Komedieplaats. Het zitje zakt schuin weg. Nog voor de voorstelling begint protesteert mijn rug. Nochtans hou ik van deze zaal. Van de vroegere grandeur die je nog altijd proeft, van dat schilderachtige plafond. De adem van vergane glorie walmt nog uit de gordijnen en de scène blijft een gapend gat van mysterie. De bühne, zegden mensen die ook schouwtoneel in hun liedjesteksten gewurmd kregen. De magie van de illusie, telkens weer voel ik me als het kind van toen. Als dadelijk een acteur in het spotlicht drie keer blub zegt, geloof ik dat ik naar een goudvis kijk.

               Al snel verwijlen mijn gedachten naar de trieste komedie die heden ten dage wordt opgevoerd. Deze iconische theatertempel speelt de hoofdrol. Hijgerig als een Hollandse schrijver hapt dit Toneelhuis naar een laatste luchtbel. Zuurstof kost heden ten dage drie en een half miljoen euro. De regioboekhouder houdt de vinger op de knip. Op zijn kabinet fulmineert men al jaren over die linkse subsidieslurpers die zogenaamde Kunst scheppen voor een beperkte snobistische elite. Politiek en Artistiek, het blijft een ingewikkelde relatie. Welke relatie is dat niet?
               Bedoelde elite mag bij die bedenking ook even stil blijven staan. De brochure op mijn schoot bulkt van hoogdraverig gedram: fantasmagorische scenografie, iconoclastische beeldenstorm, efemere kunstvorm. Het hoeft voor mij niet bepaald Met Nicole aan de Rol of Hugo in de Hubo te zijn, maar dit kan beter.

               Ik denk aan een ander theaterstuk, bij Phara in de studio. De acteur die het Huis verdedigt is niet woedend. Hij is strijdvaardig. Hij wikt zijn woorden, voorzichtiger dan hij het op scène zou doen. Hij zou nochtans moeten razen, men rooft het beleg van zijn boterham. Hij blijft in zijn rol, waardig en beschaafd.
Ook de journalist laat vanaf de zijlijn niet het achterste van zijn tong zien. Je hoort hoe hij luidkeels zwijgt over de olifant in de zaal: de politieke partij die de geldkraan opent of sluit als was het een sluis aan de IJzer. Wie niet de Vlaamse belangen voor het voetlicht brengt, zoekt het zelf maar uit.

               Troost vind ik in het café om de hoek. Van op een strategisch gekozen plek nip ik zuinig met kleine slokjes van mijn Duvel om zo lang mogelijk te kunnen genieten van het schouwspel dat zich afspeelt voor de tapkast. De lange blonde haren van een vrouw prikkelen mijn verbeelding. Ze wiegen als gouden golven over haar halfnaakte rug. De vrouw is slank en draagt een achteraan laag uitgesneden zwarte jurk. De jonge man met wollige zwarte baard naast haar tekent figuurtjes op haar blote schouder, haar rug, haar dij. Nu en dan leunt hij wellustig tegen haar aan. Zij rilt. Ik zie hoe hij loenst naar haar decolleté en fantaseert over wat de nacht hem nog bieden zal. Een weeë geur van testosteron walmt over de tafels. Ik probeer me te herinneren hoe het was om hem te zijn. Nicole en Hugo stonden nog op de bühne toen.

               De man fluistert iets in haar oor. Terwijl ze antwoordt draait de blonde vamp zich naar hem toe. Dit moet schoktherapie zijn. Haar gezicht vertoont meer rimpels dan het Noordzeestrand bij eb. Er zitten zwarte gaten in haar mond, ooit moeten daar tanden hebben gestaan. Over haar kin loopt een waterige lijn, speeksel of gin-tonic. Ze klinkt als een verkouden kraai in de winter. Als ze weer voor zich kijkt, draperen haar haren spontaan een verleidelijk gouden gordijn over haar schouders.

               Ontdaan klok ik de halve Duvel in een geut in mijn keel en reken af. Dit is het leven. Een doen alsof. Telkens weer verbrijzelt de waarheid met een sloophamer de verbeelding.
Dat het pijn doet voel ik aan mijn hartje.

Maar Jeroen

Jeroen Brouwers schrijft dus geen boeken meer. Zich concentreren op een oeuvre zal niet te best lukken daarboven, met al die herrie van Arno en Hennie Vrienten om zich heen.
Toevallig deden we maandagavond tijdens onze cursus nog lacherig over hem. Met een achttal amateur schrijvelaars leren we hoe drie zinnen foutloos op papier neer te leggen zonder de lezer te vervelen. Allemaal hopen we dat aantal op te trekken tot tienduizend of meer en dus ooit een heus boek af te scheiden.
De schrijver kwam ter sprake. Iemand bootste zijn hees schurende stem na, een ander zijn hijgerige kortademigheid. ‘Longen als een verroeste fietsketting,’ vond iemand, tevreden over de beeldspraak. Groot schrijver natuurlijk, daar waren we het over eens, doch de man zelf was tot op de draad versleten. Zijn laatste personage, cliënt E. Busken, leek wel naar eigen beeld gemodelleerd.

Aanleiding van deze spot was een citaat uit een interview van lang geleden. Ik herinnerde me een merkwaardig statement van hem over het woordje ‘maar’. ‘Een ‘maar’ op de eerste pagina van een boek mag als een zwaktebod worden beschouwd,’ had hij beweerd. Je schrijft dus beter niet: ‘Jeroen Brouwers is één van de grootste Nederlandstalige schrijvers ooit maar ook hij zal gauw vergeten zijn.’ Beter is: ‘Jeroen Brouwers is één van de grootste Nederlandstalige schrijvers ooit. Toch zal ook hij gauw vergeten zijn.’ Of niettegenstaande, echter, doch, desondanks. Keuze zat.
Maar dus beter niet ‘maar’.

Dat vonden wij, zijn zelfverklaarde troonopvolgers dus onzin van de helderste soort. Eerst reageerde men met lichte verontwaardiging, toen klonk protest en gepruttel gevolgd door misprijzen en spot. De man was in zijn Zutendaalse bos misschien beginnen raaskallen van eenzaamheid. Trouwens, wat lezen we in zijn eigen boeken? Tablets floepten aan, laptops zoemden. ‘Hier. In Bezonken Rood, zes keer ‘maar’ op de eerste pagina.’ In ‘Datumloze dagen’ staat er ook één en op de openingsbladzijde van De Zonvloed ook.’ Vergenoegd besloten we dat de oude knar de bal hier wel heel erg had misgeslagen.

Op weg naar huis begon ik te twijfelen aan de correctheid van mijn herinnering. Voor de zekerheid vlooide ik het voor het slapengaan even na. Geen ‘maar’ aan het begin van Het Hout en ook geen in Cliënt E. Busken. Wel een meesterlijke beschrijving van het lompengewaad van een kloosterling en de herinnering als een bliksemvonk in mijn hersens van een dementerende man aan zijn moeder. Met een stilistisch vernuft waaraan we alle acht een knoert van een punt konden zuigen.

Tijdens het tandenpoetsen viel het mij in.
Natuurlijk hadden wij de meester fout begrepen. Hadden we zijn punt helemaal gemist. Slechte verstaanders waren wij. ‘Maar’-tellertjes. Mierenneukerig hadden we ons gefocust op dat ene woord en helemaal niet begrepen waar hij werkelijk op doelde. Die ‘maar’ was slechts een detail. Een voorbeeld. De man bedoelde het natuurlijk ruimer. Dat een schrijver van enig niveau dient stil te staan bij elk woord dat hij aan het blad toevertrouwt. Zichzelf moet verplichten altijd opnieuw en overal op zoek te gaan naar de beste formulering. Om op die manier als het ware een eigen taal te scheppen, een eigen universum.
Die aanhoudende zoektocht maakt de meester tot de meester die met kop en schouders de middelmaat overstijgt. Wij hadden moeten zwijgen, lezen en leren uit zijn boeken:

Op deze zeer warme ochtend, na het wakker worden, is het eerste wat de hand (de mijne) gewoontegetrouw te doen vindt: voelen of het geslachtsdeel (het mijne) nog aanwezig is en het dan even bewegen, bij voorbeeld door het om de wijsvinger te laten tollen, of, als het, zoals nu, in verstijving wordt aangetroffen, te trachten het in de vuist dubbel te knakken, wat nooit lukt. (De Zondvloed)

Het geslachtsdeel dat ’s ochtends in verstijving wordt aangetroffen. Hoe omschrijft u dat doorgaans?

Drie zinnen foutloos op papier, dat lukt ons wel.
Spreken en schrijven als Jeroen Brouwers echter, kon alleen Jeroen Brouwers.

Inmiddels op het platteland

               In de weide plukken vier slaperige paarden bloemen als waren het kersen op een taart. Het is lente. De natuur veert weer helemaal op. De zon klatert, insecten zoemen rond mijn hoofd. Ik word er vrolijk van.
               ‘Hallo horsies,’ groet ik ietwat kinderlijk. Zij kijken niet op. Al hun aandacht gaat naar boterbloem en margriet.
               ‘Waarom toch zo hoofs?’ vraag ik ze. Ze reageren niet. Paarden zijn toch edele dieren? En adel verplicht. Een kleine blijk van erkenning, een knikje, meer vraag ik niet. Hun hovaardigheid steekt een beetje. Je verwacht van de adel dat tikje meer etiquette. Ze moeten me ongetwijfeld hebben opgemerkt, alle vier. Hun ogen staan bezijden het hoofd, beducht voor het gevaar dat langs de flanken dreigt. Hun blikveld overspant driehonderdzestig graden, daar sta ik middenin. Ze hebben me gewogen en te min bevonden. Helder.
               In het grasland verderop draaien twee witte zwanen rondjes in een paringswals. Zo interpreteer ik althans hun dans. Ik ben niet vertrouwd met het baltsgedrag van zwemvogels. Dat mijn gedachten alweer ongevraagd richting seks dwalen zegt misschien meer over mij. Dat kan, het is lente voor iedereen. ‘Hey,’ zeg ik. Ook deze twee wellustelingen gunnen mij geen blik. Gezien hun bezigheid begrijp ik dat, al komt het mijn zelfbeeld niet ten goede.

               In gedachten verzonken over zoveel miskenning vervolg ik mijn promenade. Een vrouw pletst een emmer leeg in een uithoek van haar tuin die grenst aan mijn wandelpad. Ik knik, maar zij kijkt op noch om. Stilaan raak ik ontmoedigd. Ik had op die typische plattelandse vriendelijkheid gehoopt. Je ruikt hier nog de mesthoop, de boeren dragen klompen, ’s ochtends kraait de haan. Niets daarvan. Nors voor zich uit kijkend trekt de vrouw zich terug in haar huis van peperkoek. Verweesd blijf ik staan, mijn hoedje in mijn hand. Zelf ben ik ook niet bepaald het vrolijke type dat onbekenden vrijmoedig op de schouders tikt en nieuwsgierig informeert hoe het met ze gaat, dat geef ik toe. Daarvoor ben ik nog meer beschroomd dan dat geitje dat de grote boze wolf voor de deur zag staan. Maar een eenvoudige goeiedag, dat kan iedereen.

               Op het jaagpad fietsen een man en een vrouw me traagzaam voorbij. Ook zij doen of ze me niet zien. ‘O ja?’ hoor ik de vrouw zeggen. Er klinkt twijfel in haar stem. De man heeft vast wat interessants verteld. Dat doen mannen graag als ze gaan fietsen met hun madam. Ze willen pronken met hun arsenaal aan weetjes, wissewasjes en ditje datjes. Al helemaal in de lente. Een fietstocht langs de waterkant is in wezen voor de man een bedeltocht om aandacht. Vooraf heeft hij de route uitgedacht, op zijn bovenbuis een strip met fietsknooppunten gekleefd, daarop de point de vues gemarkeerd. Hij vraagt daar weinig voor terug. Een mespunt appreciatie misschien, een snuifje volgzaamheid. Meestal gaat het goed tot aan het kruispunt waar zijn knooppunt naar rechts wijst en de navigatieapp op haar telefoon naar links. Dan springen plots de opgespaarde frustraties en irritaties van de voorbije week als duiveltjes uit de fietstas. Om die spanning weer weg te masseren zetten ze zich op het terras waar ze zwijgend mensen gaan kijken. Zij doet langer over haar wit wijntje dan hij over zijn twee blonde Tripels Karmeliet.

               Inmiddels vraag ik me af of ik misschien onzichtbaar ben geworden. Geen hond die me opmerkt. Opnieuw, ik blink niet uit in Sociale Vaardigheden. Als borelingen mijn hoofd zien opdoemen boven hun kribbe krijsen ze indringender dan een biggetje in het abattoir. Ik heb dan ook nooit een weerwoord, ben onwaarschijnlijk slecht in doedoedoe en dadada.
               Honden stormen als een gek op me af en vluchten dan even fluks weer weg. In een nanoseconde ruiken ze dat ik niet erg gesteld ben op ongevraagd gesnuffel in mijn kruis. Lente of geen lente, #Metoo voor iedereen, dat is mijn leus. Op feestjes sluiten de mannen de kring precies wanneer ik wil uitpakken met een blitse witz. Gelukkig wil zo nu en dan nog weleens een vrouw met me op de koffie. Vrouwen voelen dat ik die drie aapjes ben. Ik kijk, ik luister, ik zwijg. Maar zelfs nu, op dit eigenste ogenblik, als ik probeer mijn verlatenheid te verwoorden, kwaken in een poel achter me bronstige kikkers hun ballonkaken aan flarden. Respect voor de werkmens is ze volslagen vreemd. Het is om aan de wereld uw bloot gat te laten zien.

               Het mag misschien zielig lijken, de beste interactie heb ik uiteindelijk nog met mijn spiegelbeeld. Twee mannen van aangezicht tot aangezicht. Zij begrijpen elkaar, zonder woorden. Elke blik leest als een boek.
Je beste vriend, zo blijkt maar weer, woont in jezelf.      

Te zijn of niet te zijn

               In de stroom van kommer en kwel die ons elke dag overspoelt, vormt cultuur het eiland waar een mens zo nu en dan een ogenblik rust kan vinden. Dat eiland lag die zondag in het park van de slaperige gemeente S., waar in het kasteel een tentoonstelling plaatsvond over vijf zo goed als vergeten dorpsgenoten uit het interbellum. Jan, Anton, Lode, Eugène en Arthur heetten ze, namen die ook vandaag weer zeer in trek zijn. Je denkt dat de wereld onophoudelijk in beweging is maar je vergist je. Nothing ever happens.
               De straten van onze woonwijk zijn naar deze kunstenaars genoemd. Alle vijf deden ze iets artistieks. Schilder, beeldhouwer, schrijver, muzikant, theaterregisseur. Tijdens hun leven erkend en geroemd, na hun dood door een straatnaam behoed voor de vergetelheid. Overigens met matig succes. Je vindt ze niet in de handboeken Esthetica van het middelbaar onderwijs en er woont in onze wijk geen hond die weet wie ze zijn geweest. Behalve ik dus, eilander.

               De curator, tevens oud-burgemeester, maakte zich op om ons doorheen hun levens te gidsen, toen plots een vrouw me aanstootte.
‘Moet ik u kennen?’ vroeg ze.
Moeten is dwang en bleiten is kinnekeszang, flitste mijn moeders stem door mijn hoofd. Mijn moeder stamde ook uit het interbellum. Ook zij is al jaren dood maar nog niet geheel vergeten al ken ik geen straat met haar naam. Achteloos wuifde ik haar woorden weg, zoals ik het ook toen zij nog leefde al zo vaak deed.
‘Dat denk ik niet,’ mompelde ik.
‘Ik hoor dat u schrijver bent,’ zei ze. Spontaan plooiden mijn lippen zich in een minzame lach, al mijn hele leven de eerste verdedigingsgordel.
‘Pff. Grote woorden,’ stamelde ik.
‘Hebt u al boeken geschreven?’ vroeg ze door, ‘moet ik al iets van u hebben gelezen?’
Nee, wilde ik antwoorden. Twee keer nee.
Terwijl de oud-burgemeester ons geestdriftig bleef bestoken met feiten en weetjes uit zwart-witte tijden bleef haar vraag aan me kleven. ‘Bent u een schrijver?’

               Wanneer is iemand iets, vroeg ik me af. Elke dag in de keuken staan maakt je nog geen kok. Een bereider, misschien. Een receptenkopieerder. Mijn vrienden en ik klimmen weleens op een racefiets, maar noem ons geen Wout of Mathieu. En je wordt niet meteen een Rolling Stone door onder de douche Satisfaction te staan brullen. Op een ander eiland onlangs wilden Saskia De Coster en Ruth Lasters, toch allebei gerespecteerde auteurs met een oeuvre, ook liever niet schrijver worden genoemd. Twee gepubliceerde romans zijn daarvoor ontoereikend, vond de een. De ander moest eerst nog haar magnum opus neerpennen. We dragen allemaal ons eigen Verdriet van België.

               Wanneer ben je iets? Een mens verengen tot één van de vele dingen die hij in zijn leven uitvoert, doet hem schromelijk tekort. Al kom je er met Ben Weyts en Tafelspringer wel heel erg dichtbij. Maar in de elegie bij je urne word je toch liever geroemd voor de som van alles wat je ooit bent geweest dan voor die ene hobby of dat ene vak.

‘Dierbare vrienden, de vrouw van wie we nu afscheid nemen, was in de eerste plaats moeder. Daarnaast was ze echtgenote, palliatieve verzorger, kok, psycholoog, vakantieplanner, taxichauffeur in het diepst van de nacht voor dochters die liever niet vertelden wat ze die avond zoal hadden uitgevreten, poetsvrouw, kapster en kleedster, luisterend oor, steun en toeverlaat en nog vijfhonderd andere personen. Professioneel leidde ze daarbij ook nog een florissant bedrijf in planten en zaden, ging ze twee keer per week naar pilates en twee avonden joggen in het park. En op donderdag witte wijn met de vriendinnen.’

Zoiets.

               ‘Neen,’ zei ik dus tot de vrouw. De schoolmeester in mij voelde zich verplicht daar enige toelichting bij te verschaffen en schakelde meteen aanstellerig in pseudo-intellectuele overdrive:
‘Een schrijver ben ik niet. Ik pruts maar wat. De reporter die tot in den treure ‘Elk nadeel hep zijn voordeel’, nabouwt, zal zelf nooit beschikken over de onnavolgbare dribbelgeest van Johan Cruyff. De kop ‘To be or not to be’ boven een stukje maakt van de auteur ook geen Shakespeare.’ Ze knikte begrijpend en begon toen enigszins tot mijn verbazing te glimmen als een vuurvliegje in het donker.
               ‘Wat zegt u dat mooi,’ zei ze, ‘ik wil heel graag wat van u lezen.’ En toen ik me verlegen in mijn jas wurmde: ‘Mag ik alvast uw handtekening?’

               En aldus geschiedde.

De kunst in u en mij

               Op de eerste dag van de vierde maand kleedt het landt zich bedrieglijk wit. Nog voor ik de prut uit mijn ogen heb gefrot, heeft het afgrijselijke winterprik zich al onwrikbaar in mijn gehoorgang gewurmd. 1 april, dag van clichés en slechte grappen.  ‘Dit is geen grap. Wees voorzichtig als je de straat op gaat,’ speelt de Frank van de dag olijk mee. Ik kom niet meer bij. Op straat heb ik niets te zoeken. Alles van waarde zit binnenin.
               Het leven glijdt van mijn schouders als een oude jas. ‘We moeten ouders meer betrekken bij de kinderopvang,’ schelt een vrouwenstem uit de radio. Wat een gezwijmel en gezwets toch weer. Daar heeft ze vast voor doorgeleerd. Ik stam, ik weet het, natuurlijk nog uit een vervlogen tijdsgewricht. Ouders wáren zelf kinderopvang. Je kon gewoon gelukkig zijn zonder een voor je dertigste verjaardag persoonlijk neergepote fermette. Je hoefde je niet het pleuris te labeuren voor een zomer- en een skivakantie en drie citytrips per trimester. Zelfs je hummeltjes stelden zich tevreden met minder dan zeven hobby’s elk.
               Volgt een liedje. Prince, Sometimes it snows in April. De dag is nu al zo gruwelijk voorspelbaar dat ik hem met graagte wil ruilen voor een luxeverblijf in een isoleercel. Er zou een wet moeten bestaan die spreken alleen nog toelaat wanneer het strikt noodzakelijk is. ‘Is er nog koffie? Waar vind ik het toilet? Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen?’
               Ik schakel de radio uit. Wie zijn leven wil verbeteren moet klein beginnen. De stilte voelt als een houtkachel in een Ardeense blokhut in april.

               Ik moet denken aan die performance, ‘The Artist is Present,’ door Marina Abramović. Als u het nog niet gezien heeft, raadpleeg dokter Google. Dat is een bevel. Beschouw het als een gratis massage van het hart.
               Marina zit aan een tafeltje. Geheel en al introspectief. Ogen toe, diep in- uit ademend, vanuit het middenrif. U kent dat vast uit de les mindfulness. De stoel tegenover haar is leeg. Eender wie mag er gaan zitten. Afwachten wat er dan gebeurt, dat is zo een beetje de idee. Raar? Ach. Wouter Beke zit ook nog altijd op zijn stoel. Dát is raar.
               Stapt een man naar voren. Tikje nerveus lijkt hij. Ik begrijp dat. Het onbekende maakt bang. Maar hij kent haar, heel goed zelfs. Hij is haar ex. Twaalf jaar woelden ze zich doorheen een passionele relatie. Dat laatste is een pleonasme. Denkt u daar maar even over na. Die is zo diep, zelfs dokter Google kan u hierbij niet helpen.
Aan het eind wandelden ze vanaf tegengestelde zijde over de Chinese Muur naar het midden. Toen ze elkaar daar ontmoetten, gingen ze voorgoed uit elkaar. Rare jongens, die artiesten. Ont-moeten, stond hier bijna. Bijna. Dus niet. Ik word namelijk helemaal wak van dat zweefteefjargon. Maar toch. Het is makkelijker iets te beginnen dan het met stijl te beëindigen, in vriendschapsmodus en met wederzijds respect. Ook dat is kunst, geloof mij.
Dat alles is alweer tweeëntwintig jaar geleden. De man, hij heet Ulay, zet zich op de stoel. Knippert met de ogen. Zij opent de hare. Wat er dan gebeurt? Stijn Meuris zei het al: ‘De blik in haar ogen.’ Verrassing. Herkenning. Breekbaarheid. Hun wereld vernauwt tot zij en hij. Harten krakkeleren als waren ze van porselein. Haar gezicht opent als een boek. Lippen gaan glanzen, wijken uit elkaar. Tranen vertroebelen de blik. Haar neus lekt. Armen reiken, handen grijpen. Niemand zegt wat. Waar liefde is, zijn woorden overbodig.

               Zo gaat dat. Liefde komt op kousenvoeten. Onhoorbaar, van een plek diep vanbinnen waar taal bestaat uit voelen. Geruisloos flitsen Cupido’s pijlen van hart naar hart. Lust mag dan wel lekker zijn in discotheek of bruine kroeg, Liefde bloeit waar je alleen nog elkaars adem hoort. Zonder klaroenen of trompetten, vlinderende violen of weemoedige cello’s. Liefde, dat is spreken zonder zeggen, met een oogopslag, een streling. Dat is weten zonder vragen. Dat is zijn zonder willen. Alweer diep. Het is me het dagje wel vandaag.

               Té diep misschien. Misschien moeten we gewoon met zijn allen leren wat minder praatjes te hebben. Wat meer niets te zeggen. De tong tien keer rond te draaien, zoals dat ons in dat andere tijdsgewricht werd voorgehouden.
Dit gezegd zijnde, doe ik er zelf ook maar weer voor enkele weken het zwijgen toe.
Ik hoef u dat niet uit te leggen.
U begrijpt mij zo ook wel.

De lage lat

Afgelopen week heb ik voor u de actualiteiten opgevolgd.
Zelf heeft u daar de tijd niet voor, ik weet dat.
U moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. U kan niet blijven stilstaan bij alle triviale ongein. U moet omhoogkijken. Zingen, vechten, huilen, bidden, lachen, werken, bewonderen.

Dat het oorlog is, dat wist u natuurlijk al.
Daar kan ik verder niet veel over kwijt. Wij kunnen het ook niet helpen. Wij zitten niet mee aan de ovalen tafel waar over onze toekomst wordt beslist. Wij worden op het werk niet met veel égards door hostessen onthaald. Van ons geen groepsportret, na afloop duwen razende reporters ons geen fallusvormige microfoons onder de neus.

Overigens haalde ook de fallus zelf deze week het nieuws.
Met name de jongeheer van de nieuwe Chef-Sport van voetbalclub Antwerp. De man is apetrots op zijn hummeltje. Hij maakt er foto’s van. Die stuurt hij dan naar de vrouwelijke collega’s in het bedrijf. Ik vraag me altijd af wat een man daarmee hoopt te bereiken. Dat die vrouw dan zegt: ‘O kijk nou, de snikkel van de baas. Goch, wat een flinkerd. Had ik er thuis ook maar zo eentje.’? Enfin, zijn vorige club vond dat te gortig en zette de man op straat.
Dat voetbal weinig met sport en alles met economie te maken heeft, blijkt maar weer. Where the money flows, ethics goes, schud ik zomaar losjes uit de mouw. Antwerp wil de potloodventer een tweede kans geven. Nobel. Verdient iedereen, vind ik ook. Maar wie tijdens het uittikken van het jaarverslag niet gediend is met een opgerichte roede in haar mailbox, heeft ook recht op een en ander. Respect. Excuses, ik zeg maar iets.
Sorry seems toch altijd weer to be the hardest word.

Ashleigh Barty gaat met pensioen.
Ik kende haar niet, maar het was nieuws, dus ja. Honderdeenentwintig weken lang de beste tennisster van de wereld, lees ik. Vier weken meer dan Justine Henin. En honderdeneen meer dan Kim Clijsters en die is nog altijd bezig.
Vijfentwintig is ze. Mooie leeftijd om te gaan rentenieren, bij ons moet je langer werken. Naar verluidt smashte ze twintig miljoen dollar bij elkaar. Nu is ze uitgeserveerd. Te veel druk. Ik begrijp dat. Benieuwd wat ze gaat doen binnen pakweg tien jaar, vijftien kilo en drie kinderen.
Een reality show en een comeback. Wedden?

Meyrem Almaci stopt als voorzitter van Groen.
Waarom zegt men niet voorzitster? Voorzitteregge? Voorzitterin? Dat laatste klinkt misschien wat raar, dat begrijp ik. Een doordeweekse Chef-Sport van een ploegje zonder moreel kompas grijpt al naar de camera. Vanuit diverse hoeken kreeg ze fijne woorden ten uitzwaai. Dat vond ik mooi.
Tegelijk, het moet gezegd, ook heel wat gemene kwaadsprekerij. Scheldpartijen en schimpscheuten over haar gedachtengoed. U weet hoe het gaat in dit land, iedereen mag een mening hebben zolang het maar de onze is. Over haar stem, haar uiterlijk, haar afkomst ook. Men maakte zich vrolijk over Myriam, Miriam, Meerhem. In de trollenschool leert men lezen noch schrijven. De hoofdvakken zijn Vilein en Vitriool, Verkoop van Gebakken Lucht en Humor zonder Smaak. En een Limbo onder de Laagste Fatsoensnorm in de les LO.

Dat vind ik triest.
Je hebt hard gewerkt, een flink stuk van je leven gegeven voor je ideaal. Je best gedaan. Offers gebracht, publiek en privé. Je hart gevolgd, je ziel gegeven. Je probeerde een steen te verleggen. Dan is een schouderklopje wel gepast.
Soms gebeurt dat wel. Ik hoor weleens verhalen. Iemand wordt gefêteerd met oesters en champagne. Een ander krijgt een erehaag en een staande ovatie. Een horloge, een portret, een weekend naar zee met twee.

En jij, zegt u?
Ach, wat ik kreeg, heb ik zelf gezocht.
Ik vond rust. Vrijheid. En mezelf.
Dat is ook veel waard.

Ratten van de lucht

Er zit een duif op het gras in de tuin. Ze schudt haar kopje als een natte hond, rekt zich uit, krimpt dan weer in elkaar. Ze zoekt wat onder haar oksel.
Eerst denk ik nog dat ze een ei zit uit te broeden. Maar als ze zich een kwartslag draait, zie ik dat er wat mis is. Ze hapert, het lukt haar nauwelijks om te bewegen.
Ik stap er naartoe.
Verschrikt wil ze vluchten maar haar ene vleugel klapwiekt niet mee.
‘Ocharme vogeltje,’ mompel ik, ‘wat is jou overkomen?’  
Ze kijkt me aan maar antwoordt niet. Logisch. Duiven praten niet. Ze roekoeën de langslapers uit hun bed, planten zich neer waar ze willen en schijten daar de boel dan vrolijk onder.  
Ik streel haar kopje. Het dons voelt verrassend stug.
‘Bij mij ben je veilig, duifje,’ fluister ik.

Ik herinner me een voorval van toen ik nog een kleine jongen was en we in een Limburgs boerengat woonden. Mijn vader had een duif in zijn handen. Ook dat vogeltje keek bang. Toen draaide mijn vader met een korte ruk het beest de nek om. Het was het eerste lijkje dat ik in mijn leven zag. Ik weet nog dat ik huilde. Ik herinner me niet meer of ik het ook lekker vond.
Op school leerden we dat de duif symbool staat voor vrede maar hier in de stad noemen we duiven de ratten van de lucht.

Ook ratten kennen pijn. Pijn is universeel, overal en altijd voor iedereen hetzelfde.
Ik zoek een kartonnen doos en leg er een oude krant in. Voorzichtig til ik het gekwetste beest op.
Ik stel geen vragen. Hoef niet te weten waar ze vandaan komt. Waarom ze in onze tuin is neergestreken en niet in die van de buren. Wat ze eet of in welke god ze gelooft.
Ze is gewond en heeft hulp nodig. Dat ziet zelfs mijn luie oog. Ik weet een dierenopvanghuis in de buurt waar voor haar kan worden gezorgd. Ik zet de doos achter in de wagen. Op de krant verschijnt een kleverige plas grijze smurrie, ik hoop maar dat de bodem van de doos dik genoeg en strontbestendig is.

Later thuis gaat de telefoon. Niet het duivenopvanghuis maar Vluchtelingennetwerk Vlaanderen aan de lijn.
‘U ondertekende enige tijd geleden een petitie,’ frist een vrouw mijn geheugen op. ‘Waarom deed u dat?’
Welke petitie ze precies bedoelde, vraag ik. Ik deel nogal gemakkelijk handtekeningen uit. Ik zie het als oefening voor later, als ik beroemd zal zijn en mijn naam moet graveren op buiken en billen van opgewonden fans.
‘Een menswaardige behandeling van daklozen,’ antwoordt ze.
Kan best. Ik ben heel erg voor menswaardige behandelingen in het algemeen en van daklozen in het bijzonder. Er is niet zo gek veel nodig om er zelf een te worden.
Het gesprek kabbelt aangenaam. De mevrouw en ik kennen elkaar niet maar we spreken dezelfde taal. We hebben het over die gedupeerden die ook nu weer in de kou blijven staan. Ook zij zijn alles kwijt, hals over kop hun land uit gevlucht, op de dool. Ook zij lijden, kennen pijn, verdriet en wanhoop. Ook hun toekomst is uitzichtloos. Maar hun ogen zijn donker, hun haren zwart, hun huid getaand. Zij zijn de anderen. Voor hen leefloon noch zakgeld, onderdak noch werk, geen interview met Fatma en een lekker dessert in een bejaardenwoning.  

Of ik een kleine maandelijkse bijdrage wil overwegen, vraagt de vrouw.
Ik stel geen vragen als ‘Krijg ik dan een fiscaal attest?’, ‘Geeft de overheid een premie?’ of ‘Waar zit mijn winst?’
‘Ok dan,’ zeg ik. Goed voor mijn geweten.

’s Avonds kijk ik naar het Journaal. Het is een hoogdag voor Warm Vlaanderen. Er zijn er nog die in hun buidel hebben getast. Goed van ons, we mogen trots zijn op onze vrijgevigheid.
Dan volgen nog enkele kleine dienstmededelingen.
Dat gratis de zon opgaat. Dat het zakgeld moet worden gebruikt om het gul geboden onderdak te betalen. Dat iemand kost en inwoon aanbiedt in ruil voor seks. Een ander belooft zwartwerk in zijn beenhouwerij. Zo kennen we elkaar weer.
In Terzake nodigt men een door en door Vlaamse partijvoorzitter uit. ‘Vol is vol,’ orakelt hij, en ‘De andere landen moeten.’
Een duif of een rat te zijn, dat is altijd toch de vraag.

Het einde van de wereld

Het is oorlog.
Drie woorden slechts, maar een vreselijke zin om uit het klavier te wringen.
Omdat hij waar is.
Ook in deze oorlog was de Waarheid het eerste slachtoffer.
Het is makkelijker duizend sprookjes te verzinnen dan één gruwelijke waarheid op te biechten.

Het is altijd wel ergens oorlog. Het is nooit anders geweest.
Ergens is dan heel ver weg, op plekken met onuitspreekbare namen waar mensen wonen die anders zijn dan wij. Ook een sprookje. Alsof een granaatscherf het ene vel minder schroeit dan het ander.
Ergens ligt nu dichter bij huis. Naar onze vakantieparadijzen is het langer vliegen. Al geraken we daar omwille van de brandstofprijzen wellicht deze zomer toch al niet.

Covid lijkt verzwonden. Ook kleine jongens die per ongeluk in diepe putten sukkelen hebben niet langer nieuwswaarde. Op radio en televisie buitelen reporters ter plaatse of in een studio, experts en militaire analisten over elkaar heen.
Om de boel wat op te vrolijken nodigt de nationale omroep af en toe een clown uit. Circus Theo, Loeiboei uit Lubbeek, orakelt vanuit de buik. ‘Vrouwen en kinderen welkom, mannen terugsturen naar de pijngrens. Kanonnen hebben vlees nodig.’
Of een Romeinse keizer uit Deurne, ervaringsdeskundige waar het duizend bommen en granaten betreft. In zijn alwetendheid steekt hij de duim omhoog of omlaag: dit slachtoffer is echt, je ziet het aan de kleur van huid en ogen. Niet elk leven is gelijk.
Tussen al die wijsheid door draait de radio vrolijke liedjes, melodietjes uit vervlogen tijd. Doe Maar, De Bom. Bruce Springsteen, War. En – allemaal samen – Give Peace a Chance.
We doen wat we kunnen.

‘Jullie hebben geen idee,’ zegt de poetsvrouw ontdaan.
Zij heeft ideeën zat. Ze komt uit Polen, dicht bij de bron. Voor een habbekrats borstelt zij in dit land stofnesten uit slaapkamers en kiepert ze etensresten in de vuilnisbak. Ik betaal haar om met mij te praten. Het is goed voor mijn talen en troost mijn eenzaamheid. Ze spreekt niet tegen en kost minder dan een psycholoog.
‘Mijn ouders in Polen zijn bang,’ zegt ze. ‘Echt bang. Jullie praten hier over de prijs van olie en gas. Jullie voelen de koude niet, de ontbering, het lijden. Jullie begrijpen niets van de verlammende angst zowel bij ons als in onze buurlanden. Ons stukje van de wereld is het speelveld waarop de grootmachten hun jarenlange vetes willen beslechten.’
Zij heeft het over oorlogslogica en de vraag welke partij wanneer welk vernietingswapen zal hanteren. Want, dat vergeten wij gemakkelijk, een oorlog vecht je niet alleen.

Goede vraag.
Wij wassen graag onze handen in onschuld, willen liefst van al geloven dat de wereld ons even graag ziet als wijzelf. Wij zien ons het liefst als die witte duif met een palmtak in de bek. In Ergens, of in pakweg Jemen, Irak, Somalië, Afghanistan, Vietnam, Cambodja, Palestina en al die andere naar het stenen tijdperk terug gebombardeerde leefwerelden, denkt men daar ietwat genuanceerder over.

‘Als straks de tanks ook hier binnenrollen,‘ vroeg een vriendin onlangs, ‘’wat ga jij dan doen?’
‘Lijden en doodgaan,’ antwoordde ik, ‘zoals iedereen.’
Ik ben nogal pragmatisch ingesteld. Leg je neer bij wat je niet kan veranderen, dat is zo een beetje mijn motto.
‘Zou je niet vluchten dan? vroeg ze.
‘Vluchten kan niet meer,’ zei ik. Heb ik uit een liedje van Het Simplisties Verbond, ook uit de tijd van toen. ‘Vluchten? Ik zou niet weten hoe, ik zou niet weten waar naartoe.’
Ik moest er zelf om lachen terwijl ik de ernst van de toestand geenszins onderschat.
‘Ik heb getwijfeld over België,’ ging ik door nu ik de smaak te pakken had. ‘Omdat iedereen daar lacht. Enfin dat zal in het Oude België zijn geweest, toen onze clowns nog geestig waren. Of ik ken niet Iedereen, dat kan ook.’

Voor het vermaak speelde ik een spelletje op Nukemap.
Ik dropte een bom op Antwerpen. Twintig kiloton, Hiroshimaformaat.
Doden: twintigduizend.
Gewonden: een kleine vijftigduizend.
Intussen op de radio een van mijn favoriete bands. R.E.M., It’s the end of the world as we know it.
Enthousiast viel ik in: And I feel fine.