Blog

Held

“Drie verticaal: idioot, vier letters”, zei mijn vader. Cynisme hoorde bij onze opvoeding als het strand bij de zee.

“Jij”, dacht ik, maar dat was een letter te weinig. ‘Jij’ schreef je toen nog met een g vooraan. “Held”, lachte ik.

We hadden net uitgebreid gefilosofeerd over hoe generaals hun soldaten op het slagveld inzetten als voer voor kanonnen. Na hun dood eert de natie haar helden, elke 365 dagen opnieuw. Moeders huilen elke dag. Wat tellen eer en roem als je als maagd van nog geen negentien een feestmaal voor de wormen bent?

Bewonderen was mij niet vreemd. Als jongen verafgoodde ik zoals alleen jongens dat kunnen. Robin Hood vrijbuiterde in de bossen van Nottingham, stal van de rijken en schonk de buit aan de armen. Samen met de Alverman veroverde de eenvoudige Johan het hart van de beeldschone Rosita, dochter van de norse maar rijke Don Christobal de Bobadila. Hij overwon moedig de valse lagen en listen van de gemene ridder Guy de Sénancourt. Siegfried versloeg met het zwaard een draak die vuur spuwde en elke dag een maagd verteerde.

Helden bestonden ook écht. Tommie Smith en John Carlos balden de vuist in zwarte handschoen op het podium van de Olympische Spelen in Mexico. Black Power! Jan Palach stak zichzelf in brand op het Wenceslasplein in Praag, een levende toorts als protest tegen de Russische bezetter. Maarten Luther King droomde zijn dood, Cassius Clay koos drie jaar cel boven zinloos vechten in Vietnam. Nelson Mandela, Steven Biko… een galerij van helden.

Helden verdedigen weerlozen, tarten de macht, komen op voor wie dat zelf niet kan. Helden zijn gutmenschen. Een held stapt onvervaard de vijand tegemoet, kijkt zonder schroom het gevaar in de ogen. Helden schaffen das. Zij ergeren heersers en meesters en krijgen aan het eind de jonkvrouw. Mét kus.

Als kind was ik mijn eigen held. In mijn fantasie passeer ik de woeste rivier precies op het ogenblik dat het kind zich losrukt uit de hand van de moeder en in het woelige water sukkelt. Sneller dan een bliksemflits werp ik mijn kleren op de kant, duik onvervaard het ijskoude water in en zwem met lange, sierlijke halen naar het spartelende kind. Ik hoor niets van de bewonderende ooh’s en aaah’s van de uit alle hoeken toegesnelde vrouwen. Ik weet dat ze er zijn. Ertussen staat verloren, eenzaam en het gelaat door afgunst groen, een enkele man. Hij roept driftig om hulp, een amechtige poging om zich ook enige allure aan te meten. Hij wou dat hij mij was. Net voor het water het kind definitief op kan slokken, duik ik onder het spartelende lichaam, omknel de oksel en til het naar lucht hongerende hoofd boven water. Met krachtige beenslagen zwem ik ruggelings, tegen de stroom in, naar de oever. Uitputting dreigt maar we halen het net. Het kind leeft nog. Huilend stort de moeder zich op haar telg. Als ze het hoofd heft, ziet ze aan de horizon nog een stip, een held met wapperende blonde manen op een wit paard. Net als al die andere vrouwen zal zij zich ’s nachts nog vaak vragen: wie was toch die man die mijn kind het leven redde?

O Tempora, O Mores. De held van weleer is vandaag een sok, gebreid uit de wol van geit. Een softie. Een watje. De held van het heden hult zich in een vacht van schaap. Het hart moet hard. Hij laat de drenkeling verdrinken, verstoot de verstotene, schopt naar de verschoppeling. Hij snoeft en pocht en klopt zich fier op de borst als hij het schip weer de zee opstuurt. Als het kind verdrinkt is het de fout van de moeder. Hij misprijst wie weerloos is, vernedert de andere opinie, wentelt zich wellustig in het grote gelijk van zijn superioriteit. De vluchteling noemt hij crimineel, de vreemde des duivels. Hij is de koning van de retoriek, tweet sneller dan het licht, speelt met woord en beeld. Hij is de veilige haven, laat zich leiden door spinners en peilers en noemt dat beleid.

Voor het trotse stadhuis van de stad aan de werf, staat Brabo. De held ging een ongelijke strijd aan met een reus, won, hakte de reus de hand af en wierp die in de Schelde. De schepen konden weer door.

Drie verticaal: idioot, vier letters. Iemand? Theo? Bart? Erik kan trouwens ook.

Don en Kim

Vaak zijn het de mensen die je niet ziet die een bedrijf doen draaien. Zonder monteur geen film, al is hij niet meer dan een naam in de aftiteling. De acteur is niets zonder de vrouw of man achter de camera.

Bi Lin Gue is tolk. Tijdens de historische top in Singapore schoof ze quasi onzichtbaar mee door het beeld. Ze spreekt foutloos Engels en Koreaans, zegt ze; wij geloven haar. Soms bespeelt ze de tijgermachine in een Oosters gokzaaltje in de binnenstad. Die avond had ze een slechte avond. Een sakétsunami en een hoop onverwerkte emoties maakten haar lippen los.

“Wij mogen natuurlijk niks zeggen, lalde ze, dat staat op papier. Maar hier, onder vrienden…”

Vrienden is een groot woord, ik was die avond toevallig de winnaar aan haar pokertafeltje.

“Iconisch, roepen ze. Verandert de geschiedenis! Nobelprijs voor Vrede! Groot Gebaar van Verzoening. Mijn oosterse reet, ja. Als je goed naar de staart van de kikker kijkt, zie je dat hij er geen heeft.”

“Oei, Bi? Het was toch een top top?”

“Het was Liefde op het eerste gezicht. Ze wilden allebei heel graag. Kim Yung begon als teken van goede wil het gesprek zelfs in het Engels. Maar ja… Geongang!” Ze tikte haar glas tegen het onze.

“Gezondheid Bi! Wat zei hij dan precies?”

““Mister President, I love hair.” Hij bedoelde misschien: ik vind uw haar leuk. Maar Donald luistert in principe nooit naar wat iemand zegt. Hij keek even naar mij en antwoordde: “I see. Later you can grab her by…” Toen moesten we wel ingrijpen. Hij herstelde zich: “I love your hair too. Who does your make-up?”

“Wat zei de kleine dictator daarop?”

“Helemaal niets! Soms is niets zeggen het beste antwoord. Hij had gewoon geen idee!!! Van die hele meeting snapte hij geen woord. Kijk, Donald praat, dat is wat hij doet. Het interesseert hem niet of er ook iemand naar hem luistert, dat doet hij zelf wel. En Kim keek de hele tijd alsof hij in de foute film zat. Altijd moest iemand hem wijzen waar hij moest gaan of staan. Als Donald hem bij zijn kruisje zette en aanwees in welke camera hij moest kijken – the red light, Kimmie, red light – dan straalde hij als een kind. Echt zo’n schatje. Soms moest ik me inhouden om hem niet te knuffelen. Ach, één moment van vreugde verdrijft honderd zorgen.”

“Zeker! Maar er werden toch belangrijke dingen besproken?”

“Tja, dat is natuurlijk allemaal een beetje relatief, wat voor de een belangrijk is… enfin, vanaf dat moment hebben wij elk woord zelf vertaald. Het is verstandiger een kaars aan te steken dan te klagen over duisternis.”

“Waar ging het dan over?”

“Dat is natuurlijk strikt geheim. Maar als je nog een rondje bestelt… kijk, onder ons, Kim zei dat hij dol was op het oranje van Donalds haar.”

“Het oranje van Donalds haar?”

“Dat vindt hij mooi. Donald vertelde over Melania’s hairdresser. Die had haar beloofd om haar hubby de looks te geven van de eeuwige jeugd, vandaar dat gewaagde blond. Toen kloeg Kim er over hoe moeilijk het is om altijd weer een nieuwe stylist te vinden. Een wet in Noord-Korea bepaalt immers dat wie de Voorzitter aanraakt, wordt geëxecuteerd.”

“Maar zeker ging het gesprek toch over meer dan haarkleur en coupe de cheveux alleen?”

“Natuurlijk! Over die slotverklaring ook. De mensen moeten iets hebben om over te lamenteren. Wist je dat onze tekstschrijvers daar al mee klaar waren toen Donald zei dat zijn knop toch groter was dan die van raketman?”

“Die akkoorden? Die handdruk? Die goede voornemens?”

“Dat is toch allemaal perceptie, man. Daar staat toch niets in! Die tekst zegt nog minder dan de oppositie in Noord-Korea. Wat de rups het einde noemt, noemt de rest van de wereld een vlinder.”

“Noord-Korea heeft toch geen…”

“Precies! Enfin, na de fotoshoot en de speeches zijn binnenskamers de echte afspraken gemaakt.”

“Misschien moet je die toch maar voor jezelf houden, Bi. Wie weet heb je nu al veel te veel gezegd.”

“We leven hier toch in een vrije wereld? De president en de Voorzitter volgen elkaar nu op Instagram en snapchatten foto’s bij hun volgende kappersbezoek. Als Kim naar Washington komt mag hij een middagje met Melania mee. Als we die dan al gevonden hebben, natuurlijk. Doe jij nog eentje?”

Misschien straks toch eens vragen hoe ik precies thuis ben geraakt.

Dan heb ik ergens zoiets van weet je

Een mens moet wat in de tijd die hem scheidt tussen eerste schreeuw en laatste ademstoot. De ene herstelt windmolens op zee, een ander bestudeert bonobo’s, de politicus provoceert, op een zolder componeert de gepensioneerde een opera die nooit zal worden opgevoerd. We modderen wat aan, het bestaan moet zin hebben.

Ik dood de tijd, dat doet de tijd met mij ook, met drie aapjes zijn, dat vertelde ik al. Horen, zien en zwijgen is ook een overlevingskunst. En zo hoort een mens nog weleens wat. Zoals: “En dan heb ik ergens zoiets van, weet je, dat is dan wel een zure.”

Wablieft?

Mijn hoofd tolt. Waarvan heb je wát? En waar? Neen, ik weet niks, een zure wat? Als uit het niets duikt dat soort prietpraat plots op ten allen kant. Ergens, diep verscholen in de Lage Landen ligt het dorpje Babel. Als je vanuit het station de Leuterdreef volgt, kom je aan het einde bij het Plein van de Gebakken Lucht. Daar staat een groot fabriek: N.V. Woordenbrij, specialist in Zinnenkweek en Woordkraam. Vrachtwagens storten enorme ladingen zinloos door elkaar gehaspelde brokken taal in een gigantische container: men en mijn en zen en zijn en is en eens en noemen en heten enzovoort, allemaal door elkaar. De hele week ontrafelen en sorteren de magazijniers dit kluwen en zetten dan elk woord weer klaar voor beter gebruik. Als op vrijdagmiddag de taal weer netjes geordend staat, in de rij Precieze Betekenis op het schab Correct Gebruik, verzinnen de mannen nog gauw een grapje als opwarmertje voor de weekendpinten.

  • Ik weet nog eentje, die kan misschien vandaag nog buiten. Luister: “Ik héb zo-iets van!”
  • Zoiets van? Wat dan? Waarvan dan?
  • Van niks! Dat is de mop! Het klinkt alsof er van alles rond hangt, het zegt absoluut niks.
  • Is dat niet …, ik weet niet, wat mager? Moet er niet nog iets bij? Een plaats of tijd of zo?
  • Ok, ok, een plaats. Maar niet te concreet, het moet gewichtig lijken maar wel vaag blijven.
  • Ik weet het! Ergens! Dat lijkt ergens te zijn maar dat is nergens. Niemand weet waar ergens ligt, toch? Vind je dat niks?
  • Man! Dat is zo hard niks! Dat zet ik onmiddellijk op mijn status! Facebook vraagt: Wat ben je aan het doen? En ik antwoord: Ik heb ergens zoiets van! Dat worden likes, man!

Kriebels op mijn rug en ik kan er niet bij. “Jij bent een slechte verstaander, hoor ik dan, je weet toch wat er wordt bedoeld?” Euh, neen. Maar neem ja. En dan?

Voor de nieuwe keuken komen twee heren in overall de maat opnemen. Drie weken later zijn ze er weer, compleet met inbouwoven, keramisch werkblad en inductiekookplaat. Aan het einde van de werkzaamheden komt de factuur.

  • Kijk, mijnheer. Uw keuken is klaar. Proficiat!
  • Maar… de uitsparingen in het werkblad kloppen niet. Het blad komt over de wasbak en de opening voor de spoelbak is te breed, dat lijkt toch nergens op!
  • Oei! Mijnheer is lichtgeraakt. Het moet allemaal tot op de millimeter? Ongeveer is niet goed genoeg voor mijnheer?
  • Is dat dan teveel gevraagd misschien, een beetje correct werk?
  • Maar mijnheer, het is dan misschien niet helemaal exact uit het boekje, er staat hier toch ongeveer een keuken? Dat begrijpt u toch?
  • Ah ja, natuurlijk, als u het zo ziet. Excuseert u mij, ik heb een slechte nacht achter de rug.
  • Niet erg, mijnheer. Dat is dan 10 499 eurokes en 99 cent a.u.b.

Wat is er mis met klare taal? De taal weerspiegelt de ziel. De taal die je gebruikt zegt wie je bent. Elke inburgeraar moet de taal leren, dat vinden we vanzelfsprekend, in Vlaanderen Vlaams. De Vlaming zélf? Hij spreekt zijn talen, behalve die waarop hij zegt zo fier te zijn.

Natuurlijk mag je dit een hoop gezever vinden. Ik ben immers ook maar een oude…

  • Schoolmeester
  • Zaag
  • Onnozelaar
  • Sexy motherfucker

Erik

Me, Radja!

België bestaat bij de gratie van de Rode Duivels, spint men links en rechts. Een nieuw tornooi nadert en daarmee parend piekt de fierheid over dit bescheiden vorstendom aan de Noordzee. Elke vier jaar weer wapperen de vaandels, pers en publiek verlustigen zich in een voorspel van torenhoge verwachtingen en de verbeelding leidt naar een ongekend hoogtepunt. Helaas! Ervaring leert dat te grote opwinding niet zelden uitmondt in het vroegtijdig verlaten van het strijdperk.

Bij het opspannen van het verlangen naar deze hete zomer waren Roberto en Radja de speeltjes van dienst. Na de AA, de B&B en de CCC zijn nu ook R&R onlosmakelijk en voor de eeuwigheid gekoppeld. R1, de coach, wikte en woog en R2, de voetballer, lag eruit. Ongeloof, gehoon, geween en tandengeknars overspoelden de natie.

Het argument van de coach, tactische overwegingen, wordt door de elf miljoen andere bondscoaches brutaal afgeketst. Niks tactiek, dit is een persoonlijke afrekening! De Spanjaard kan onze Radja niet uitstaan! Hij heeft iets tegen tattoos en slechte manieren en Radja heeft die allebei! Dat hij daar dan voor uitkomt en het durft te zeggen!

Bij dit alles besloop mij een hoog been there gevoel. Vandaag klinkt dat bijna wonderlijk maar ook ik speelde ooit op een sleutelpositie in mijn team. Trainer na trainer plaatste me als basispion op het bord, soms als diepe spits, soms centrale verdediger en heel vaak als verdedigende middenvelder. In goede en slechte tijden bleef ik trouw aan mijn club. Ik droomde me het uitboljaar van Timmy Simons en zag me diep vanbinnen al staan blinken tijdens een ereronde en zelfs een galamatch, compleet met applausvervanging, spelen voor een uitverkocht stadion.

Teams kennen pieken en dalen. Bij de piek jubelt de kleedkamer, in het dal betaalt de oefenmeester het gelag. Groeiend ongenoegen bij de spelers noopte het voorbije seizoen de trainer tot een stap terug, zoals dat vaak gaat nog voor het einde van het contract. Het bestuur headhuntte een verse spelersbaas. Die kwam en zag, ging resoluut voor een agressievere speelstijl en koos voor een nieuwe opstelling.

Deze tactische overwegingen zetten me buitenspel. Een plaats op de bank of in de tribune werd mijn rol. Tattoos heb ik niet en slechte manieren, in het publieke leven is dat toch ook al enige tijd geleden. Voor de ultieme boodschap kwam de nieuwe oefenbaas niet meteen naar Rome, het terras van taverne Den Horst vormde een aanvaardbaar alternatief.

Nieuwe trainers zijn als bezems, dat is een ijzeren wet. Het team echter bleef ook na de wittebroodsweken nog steeds los zand en de sleutelspelers brachten ook nu niet wat van ze werd verhoopt. Het bestuur kwam tot in de kleedkamer, hoorde spelers en technische staf en dokterde aan een oplossing voor het seizoen van de wederopstanding. Op alle lippen brandt de vraag: doet ook deze coach het licht uit?

Net als Radja had ik het wel gezien. Mij hoefde men niet meer te selecteren. Ik richtte me op een nieuwe en deze keer individuele sport. Vandaag is parapenten mijn ding. Zwevend in de lucht overschouw ik het gewroet, gewriemel en gekonkel in de diepte; de vliegende aap die hoort, ziet en zwijgt.

Over de kleedkamer hebben we het een andere keer wel weer. Zelf had ik de Radja wél meegenomen.

Slade Alive!

 

And now
A quarter of my life is almost past
I think I’ve come to see myself at last

And I see that the time spent confused
Was the time that I spent without you
And I feel myself in bloom
.”

Mijn geheugen vertelt dat dit de eerste popsongstrofe is die als een cliffhanger aan mijn hersenen bleef kleven. Mijn geheugen is een leugenaar. Wikipedia soms ook, al wil ik deze keer graag geloven wat ik lees. Dat deze onsterfelijke woorden komen uit ‘Darling be home soon’ van The Lovin’ Spoonfull, een groepsnaam waarbij vragen overbodig worden. Ik leerde het nummer kennen door Slade, mijn ultra über alles-idolen toen. Ze stonden op hoge hakken en faketen playbackend in Toppop een enthousiasme waar een Amerikaans president jaloers op mag zijn. Zanger Noddy Holder kon met zijn stem vloertegels slijpen. Tijdens de cover van dit nummer op het fabelachtige ‘Slade Alive’ lost hij ergens in het midden een gigantische boer. Dat was toen nog gedurfd. Slade kent binnen vijftig jaar niemand meer, zei mijn vader, maar Frank Sinatra en Elvis wel. Hij had gelijk. Al beweerde hij van de Beatles precies hetzelfde.

In bloom feelen was altijd wel een beetje mijn basisfilosofie. Een glas is minstens halfvol. Of je vult het weer bij. Ook al passeert de drieling Weemoed, Tristesse en Zwaarmoedigheid geregeld op de koffie. Ze vragen me dan: hoe lang duurt dat, ‘a quarter of my life’? Zo tussen de twintig en de vijfentwintig jaar, dacht ik altijd. Dan leef

je een leven met een acceptabele duurtijd. Het einde lag altijd achter de einder, diep verscholen in de duistere onvoorspelbaarheid van de volgende eeuw.

Tijd echter is een valse trage. En die pakt je soms in snelheid.

Gisteren overkwam me dat voor de tweede keer. De eerste keer was in Barcelona, op een citytrip. Het meisje toen was jong, Spaans of Catalaans, goedlachs in gesprek met vriendinnen en ze deed het als was het aangeboren. Ze keek me daarbij amper aan. En gisteren deed een jonge man, ik vermoed Pakistaans of Afghaans van herkomst, precies hetzelfde.

De tram was een sardienenblik, ik moest vooraan opstappen. Ik schouderde mijn tas en hield mijn paraplu strak tegen me aan. Met mijn andere hand omvatte ik het handvat om bij bruusk vertrekken niet om te vallen. Ik dacht nog aan die stickers uit mijn kindertijd: “Houd u stevig vast voor het remmen u verrast!” compleet met uitroepteken. Misschien glimlachte ik nog wel bij die herinnering, dat weet ik niet.

Hij keek me wat bedremmeld aan, stond op van zijn stoeltje en knikte veelbetekenend naar de lege plek. Hoffelijkheid, het bestaat nog steeds, vond ik eerst nog. Toen flitste dat andere versleten ruitenplakkertje voorbij: “Jongeren, blijft niet zitten als ouderen moeten staan!”

And now, three quarters of my life have almost past. Als het meezit. Op een dag is het glas leeg.

Erik

Safari

Fathia woont aan de rand van Brussel maar ze studeert bij ons in de stad. Ze wil een carrière uitbouwen met een maatschappelijk engagement, een steen verleggen,  een verschil maken voor zichzelf en haar omgeving, later. Jonge mensen dromen en hopen nog, gelukkig.

Fathia was vorige week helemaal in shock toen ze op school aankwam. ‘Heb je het gehoord, van de safari? Heb je gehoord dat Filip Dewinter en Geert Wilders een islamsafari wilden komen houden in mijn gemeente? Ze wilden naar ons komen kijken alsof we apen zijn, of wilde dieren! Maar ze mochten niet van de burgemeester. Wij zijn toch geen beesten?’ Troostende woorden als ‘Trek het je niet aan’, ‘Zet je daarboven’, ‘Lach er een keertje mee’ hielpen niet echt. Huilen deed ze niet maar haar ogen blonken wel en je kon zien: het gaat nog even duren vooraleer binnen in dat jonge meisje van deze nieuwe wonde enkel nog een litteken overblijft.

De heren Dewinter en Wilders stelden het zo voor: ‘Safar is het Arabische woord voor reis. We gaan een reisje maken door Molenbeek en Brussel, door die wijken die bezet zijn door de islam.’ Laten we de oorlogsretoriek ‘… wijken die bezet zijn…’ maar even bewaren voor een andere keer. Misschien moeten we daar een Palestijns expert voor raadplegen. Het is het woord safari dat steekt, een pijl die de dromen van Fathia onherstelbaar probeerde te vernielen.

Woorden zijn belangrijk. Rolmodellen of beleidsmakers denken vaak heel goed na over welk woord ze gaan gebruiken om iets aan te kaarten of in vraag te stellen. Deze heren van stand zijn er zich heel erg van bewust welk beeld ze creëren met het woord ‘safari’, helemaal zoals van Dale het omschrijft: een karavaantocht, een jacht- of filmexpeditie in een groot park met wilde dieren, in ruimvallende beige, katoenen kleding met opgestikte zakken. Zo heeft Fathia het ook begrepen. En bij uitbreiding wij allemaal, zowel voor- als tegenstanders van deze omstreden en uiteindelijk verboden actie. De boodschap is aangekomen, dank u.

Uiteraard wordt op die manier bewust een beeld geschapen: de moslim is een roofdier dat ons territorium bezet en dat we moeten verdrijven. Dan is het zelfs niet erg dat deze gezondheidswandeling niet is doorgegaan, misschien is het zelfs beter zo. Vanuit de ivoren toren misprijzend neerkijken op een deel van de bevolking is immers nog altijd te verkiezen boven er daadwerkelijk gaan tussen staan. Het is zeker veiliger. En het zaad van de haat is gezaaid, het is enkel maar even wachten tot het kiemt.

Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet over vrije meningsuiting. Feiten verdraaien of anders voorstellen is niet hetzelfde als zich een mening vormen. Mensen met een andere religie, taal, seksuele voorkeur, leefgewoonten of klederdracht zijn even goed mensen. Dat is een feit. Misschien leven deze mensen niet hoe jij dat graag zou hebben, misschien staan hun overtuigingen haaks op de jouwe, misschien vind jij dat die mensen hier niet thuis horen, dat kan allemaal, die meningen mag je hebben. Mensen blijven wél gewoon mensen. Je kunt er niet zomaar wilde dieren van maken. Je kunt ze ook niet zomaar makaak noemen. Je kunt ook niet zomaar bij iemand binnenwandelen en zeggen: voor mij is jouw salontafel een toilet dus doe ik vanaf nu hier gewoon mijn toiletding. Neen, een salontafel blijft gewoon een salontafel, ook al is het (of vind jij het) een hele lelijke.

Uit het voorgaande blijkt dat niet alleen woorden belangrijk zijn, letters zijn dat ook. Het is niet omdat je aan een woord een letter toevoegt of omdat woorden op elkaar lijken dat de betekenis hetzelfde blijft. Het is niet omdat ‘safar’ een reis is, dat ‘safari’ hetzelfde reisje is. Die ene letter erbij vormt een ander woord, met een andere betekenis. Ter attentie van wie hieraan twijfelt misschien nog een voorbeeld ter illustratie: een aar, zegt van Dale, is een bloeiwijze van bloemen of het deel bij graangewassen waar zich de graankorrels bevinden. Een aar draagt dus leven en voedsel in zich. Een aar is een positief woord.

Een aars echter is de plek waar sommige mensen inspiratie vinden voor hun stinkende ideeën.

Fathia: maak je dromen waar. En blijf hopen.

Hersenhoos

We weten het niet maar misschien stormden de breinen die ochtend bij CD&V ongeveer zo:

“Jongens, kijk eens. We hebben nu evenveel mannen als vrouwen, we hebben een bakker, de vroegere baas van Unizo en een havenarbeider, de gemiddelde leeftijd van onze lijst is 33, zo oud als Christus aan het kruis, misschien kunnen we daar ook iets mee doen. Onze seniorenkandidaat is even oud als Donald Trump en even vitaal, onze jongste een meisje van 18, ze volgt Latijnse en haar grootvader zat vroeger nog met Jean-Luc in de loges bij Club Brugge.”

“Klinkt super! Hebben we ook genoeg kleur?”

“We hebben Rachid uit de Prins Leopoldstraat dicht bij de Roma, dus hij moet ons aan de Turnhoutsebaan wel wat kunnen opleveren. Mitsuaki heeft een restaurant in de Van Wezenbeekstraat. Daar komt nogal wat volk over de vloer dus de Aziaten zitten er ook in. Voor zwart Afrika hebben we Abdulatif van het De Coninckplein. We coveren dus bijna de hele stad, boys.

“Is er niemand van het Kievitsplein? Een vrouw zou top zijn. We gaan toch niet heel die wijk aan de burgemeester laten, wel?  Die dineert soms met de diamant, tussen die wielen moeten we toch een stokje kunnen steken? Kris, ken jij niet iemand, met jouw netwerk?”

“Tja, daar een vrouwelijke kandidaat vinden wordt moeilijk, vrees ik. Maar ik ken daar wel iemand, ja. Hij behoort tot de chassidische gemeenschap. Die telt toch al gauw 15000 mensen, dat is ongeveer de helft van de joodse bevolking in Antwerpen. Zo iemand op de lijst hapt toch een flink stuk uit de taart”

“Moeten we nog iets weten over die man?”

“Hoeft niet. Wat telt is dat hij jood is, orthodox zelfs, die mannen hebben 613 regeltjes. Dat grapje niet gezien bij Jeroen Meeus in ‘Goed volk’? Vroeg die joodse winkelier: “Weet je waarom wij zoveel regels hebben? Ze waren allemaal gratis!” Ik ken de man niet zo goed. Dat doet er ook niet toe.  Wat hij doet of hoe oud hij is, hoe hij denkt, hoe zijn kinderen heten en naar welke school ze gaan, dat speelt geen rol: hij kan ons een pak stemmen opleveren. In your face, Bartje!”

“Prima idee. Dan scoren we dubbel: zowel in de joodse wijk als bij de ruimdenkende Vlaming. Wij profileren ons als een tolerante partij die inzet op diversiteit, iedereen is thuis in onze stad! Wij hebben respect voor elke mening en gaan voluit voor een samenleving waarin elke persoon telt, ongeacht geslacht, geaardheid of religie. Goed bezig jongens! Kris, laat jij even een belletje aan Wouter?”

Tijd om de ochtendvergadering jolig highfivend met een vroeg aperitiefje af te sluiten.

Die avond:

“Hilde is écht kwáád, man! En Hendrik moet zich vanuit West-Vlaanderen begot weer moeien. Wouter zit nog even in zijn enerzijds/anderzijdsfase. Maar jongens, dit hadden we toch moeten zien aankomen?”

“Hoe dan? De burgemeester zegt het zelf: “Joden vermijden conflicten. Orthodoxe joden hechten ook veel belang aan uiterlijke tekenen van hun geloof. Maar zij aanvaarden wel de consequenties daarvan. Ik heb nog geen orthodoxe jood gezien die een loketfunctie in Antwerpen wil. Zij vermijden conflicten. Dat is het verschil. Moslims eisen wel een plek op in de publieke ruimte, in het onderwijs, met hun uiterlijke geloofstekenen. Dat zorgt voor spanningen.” Wij moesten weer niet luisteren, wij wisten het weer beter. Wij zouden per se iedereen integreren, laten opgaan in de samenleving. Een stommiteit jongens, echt waar!”

“Wacht: laat me denken… het is dus net niét de bedoeling dat je als moslim of jood of wat dan ook deelneemt aan de publieke ruimte? Dat veroorzaakt conflict? Integreren betekent dus niet meedoen? Je richt dus maar beter je eigen scholen op met eigen leerplannen op je eigen domein waar je leeft volgens je eigen regeltjes? Maakt niet uit of die komen uit Koran of Thora of whatever. Vrouwen geen hand willen geven, gemengd onderwijs verbieden, zwijgen over Darwin, dat is allemaal geen probleem op voorwaarde dat je in je hok blijft? Of begrijp ik het weer verkeerd?”

“Daar komt het wel ongeveer op neer, geloof ik. Maar dat heeft wel gevolgen voor onze lijst natuurlijk. Laat ze dan rond de Turnhoutsebaan maar doen, ze zijn daar aardig bezig met het afbakenen van hun terrein. Moeten we dan Rachid niet van de lijst halen? Die kan misschien beter zelf een partij oprichten, Islam of zo, met eigen moslimregeltjes. Wij zijn een democratie, toch? Kris, vraag jij eens aan Wouter hoe hij daarover denkt. Wie belt Hilde?”