Neus, keel en oren

De deur draait me van de regen in een klinische kilte.
Ik ontsmet mijn handen. Of ik een afspraak heb, vraagt een meisje in groene schort vriendelijk. Die heb ik, dus ik mag door. Een ander meisje, even groen, wijst naar een machine. Ze hoeft niets te zeggen, ik ben nog jong genoeg om de gleuf te vinden waarin ik met vaste hand mijn identiteitskaart steek. Het toestel stelt vragen, ik antwoord bot met ja of nee.
Ik mag verder.
Mijn identiteit blijft in de machine achter. Vanaf hier ben ik een streepjescode op flinterdun papier, als een gehoorzame robot Route 41 aflopend tot aan mijn bestemming. De plafonds zijn te hoog, de muren te wit, het licht te hard. Strakke verpleegstersuniformen camoufleren de vrouwen die erin wonen. Zij mogen weer zichzelf worden als ze zich straks ontdoen van crocs en broekpak. In dit huis doet men niet aan luchtigheid of opsmuk. Lachen, zingen noch dansen toegestaan. Ook de patiënten kleden zich daarnaar. Geen maatpak of baljurk, Italiaanse schoen of naaldhak. Schreeuwerige shorts, smakeloze joggings, versleten sneakers.

Minder zitplaatsen dan mensen in de wachtzaal. Niemand praat. Een man wiebelt op zijn stoel. De zitting zucht mee, alsof haar een wind ontsnapt. Ik moet erom lachen, maar zelfs achter mijn masker houd ik de lippen stijf.
Een assistente roept een naam. Een tweede keer. Een oude vrouw schuifelt naar haar toe. De man op de stoel kreunt. Moppert, schijnbaar tegen zichzelf maar met voldoende aplomb zodat iedereen het hoort: “Ik wacht hier al drie kwartier, dat kan toch niet.” Dat kan makkelijk. Mensen zeggen vaker dat iets niet kan op het ogenblik dat het gebeurt. Dat vind ik vreemd.
Niemand kijkt op, niemand troost hem.
“Hoe is dat mogelijk,” zegt de man. Hij weet nu dat het inderdaad kan maar begrijpt niet hoe het komt. Hij klinkt boos. Boos zijn mag, vandaag. Het is een emotie die kritiekloos wordt aanvaard. De tot over de oren verliefde schreeuwt zijn hartstocht niet meer, zoals wij destijds, luidkeels van de daken. Hij bergt het sentiment veilig in het hart, houdt het daar vast uit angst het weer kwijt te raken. Woede echter mag je delen. Ontevreden zijn we graag. Verderop in mijn straat hangt een leeuwenvlag voor het raam. Op de achterruit van de SUV op de oprit kleeft de slogan #niet mijn regering. De sticker is ouder dan bedoelde bewindsploeg zelf. Preventief boos, het is ok.
Jeremiëren hoort in onze canon.

Een man in jeans en hemd zegt mijn naam. Als een schaap volg ik hem. Hij kruipt achter een breed scherm, we houden onze maskers op.
“Vertel het eens,” zegt hij. Zijn stem ontspringt uit een onbekende bron. Ze klinkt vreemd. Raadpleeg jezelf eens een keer, denk ik. Soms wil ik dat mijn gedachten een dagje vrij nemen, zodat ik met mensen kan praten zonder kronkels in mijn hoofd.
Ik vertel het. Dat mijn huisarts vond dat ik naar hier moest komen. De man kijkt naar overal maar niet naar mij. Aan niets kan ik zien of hij mij hoort. De assistente die het oude vrouwtje sommeerde, komt het kabinet binnen. Waar is het dametje naartoe? Hier is ze niet en ik zag ze ook niet de deur uit gaan. Mijn ogen tasten de muren af, zoeken een verborgen vuilschuif op mensenmaat, waarlangs niet meer te genezen patiënten worden geloosd. Een besparing in de gezondheidszorg, we moeten allemaal offers brengen, nu, met die Covid.

De arts legt een lat op mijn tong. “Zeg eens i”, zegt hij. De vooruitgang, denk ik, vroeger was het ‘a’.
‘i-i-i’, zeg ik dom.
“Even met een camera in je neus”, kondigt hij aan. Het voelt erg vervelend.
“Ooit je neus gebroken?” vraagt hij. Dat heb ik niet. Mijn tussenschot staat scheef, blijkt. Ook dat klinkt vervelend. Mijn neus mag dan geen adonisallures hebben, hij is – was – wel een van de weinige zekerheden in mijn leven. Niemand maakte er ooit een denigrerende opmerking over. Dat houvast maait de man met de camera met een ampele zin onderuit.
Met een fijn lampje exploreert hij mijn oor.
“Ben je een zwemmer?” vraagt hij.
Een wonderlijke vraag. In twee zinnen vat ik mijn zwemcarrière samen, meer valt er niet over te zeggen. Hij knikt, had het al in mijn oren gelezen.

“Niet meer dan wat typische ongemakken, eigen aan de leeftijd,” zegt hij. “Medicijnen kunnen, maar echt helpen doen ze niet.”
“Liever niet,” antwoord ik, “dan lijk ik bij het ontbijt een oud mannetje. Eentje voor de bloeddruk, eentje voor de stoelgang, eentje voor het hart, laat maar.”
Hij lacht: “U mag niet klagen, mijnheer.”
“Ik weet het,” zeg ik. “Dat is het niet. IJdelheid, Uw naam is Vrouw, zegt men. Volgens mij heeft men ongelijk.”
Lachend opent hij de deur. We geven elkaar geen hand.
Weer in de buitenlucht mag het masker af.
Het regent niet langer. Het wordt vast nog een mooie dag.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s