De waan

               Laten we doen alsof er niets gebeurd is, al was het voor één dag.
               Hemelpoorten zouden openscheuren, banbliksems en hellevuur nederdalen over onze hoofden, zeeën zouden stormen, tempels en kathedralen splijten en verkruimelen. Of op zijn minst zou toch de stemming in onlusten ontaarden en tot een burgeroorlog leiden die de grenzen van gods eigen land ver overstijgen zou.

               Zo is het niet gegaan.
               In de Verenigde Staten van Amerika, door velen geroemd als de moeder aller democratieën, mocht het volk bepalen wie van de zegge en schrijve twee door multimiljonairs gesponsorde kandidaten morgen leiding zal gaan geven. Het volk deed wat het volk wel vaker pleegt te doen: het verkoos de verkeerde.
               Dat is althans hoe wij dat zien. De kiezer heeft gelijk, tenzij hij wat anders doet dan wijzelf zouden doen. Average Joe koos ervoor de ene oude witte man uit zijn fraaie witte huis te trappen teneinde plaats te ruimen voor een andere oude witte man.
               Wij begrijpen zulke dingen niet

               Joe, wat doet u nu, zo vragen wij.
               Wij keken door de foute bril, lieten ons verblinden door eigen wensen. Meer dan eens verdwaalden wij in oeverloze debatten. Als drenkelingen in open zee klampten we ons vast aan professoren en geleerden die hun wijsheid ook maar haalden uit statistieken, tabellen en analyses. We raadpleegden glazen bollen, wat als dit en wat als dat en gingen in onze zelf bedachte antwoorden geloven. Wij peilden bij journalisten en reporters die vandaag, ter plaatse staande voor een palmboom met buigend hoofd bekennen: neen, ook wij hadden dit niet gezien. De peilingen nochtans.
               Zo gaat het elke keer opnieuw, de peiler wikt, de kiezer schikt. Ik ga voor partij X, bekende ooit een drinkebroer in een café, want die gaan winnen. Niks inflatie, niks LGBTQ, niks politiek. Hij koos een winnaar.

               Meningen hebben wij voldoende, weten doen we veel te weinig.
               Wat weet De Slimste Mens alhier over de pindaboer in Carolina? Over de Irakveteraan in een verloederd trailerpark in een verloren hoek van Florida? Beetje wind en je woonwagen staat te pootjebaden in de oceaan, daar denken wij hier niet aan. Dat de regering het klimaat aanstuurt, hoorde ik onlangs een vrouw beweren. Ze had het van een nieuwsbericht op Fox. Of van een voormalig president, they’re eating the dogs. Dat vinden wij hier te gek om los te lopen, maar daar? Alles is er mogelijk. Yes, we can.
               Wij begrijpen dat niet.
               In een labyrint van vooroordelen lopen wij verloren.
               In het land van Uncle Sam, zo redeneren wij, vreet het volk zich vet aan burgers, draagt iedereen een wapen en beslecht men discussies met de vuist. De armen slapen er op straat, de rijken zijn er stinkend rijk en wie langs Start passeert krijgt duizend en één kansen.
               Met nog banger hart blikken we in de toekomst. De dag van morgen ligt besloten in de hand van god, al is ook die naar verluidt het noorden kwijt. Geen god die ons vertellen kan wat nog komen zal. Enkel dat we doodgaan, ja, dat weten wij, dat voelen wij aan ons hartje.

               Doch kijk.
               Vier nachten zijn sindsdien verstreken. Nog altijd maalt de aarde gelijkmatig om haar eigen as, begint de dag met licht en eindigt hij met donker, nog altijd ziet de mens zichzelf als het centrum van de schepping. Nog altijd doet hij zomaar wat, op weg naar niets.
Geloof mij, er is niets gebeurd.
Ergens huilden mensen, elders werd gelachen.
Ergens werd een kind geboren, elders ging een ander dood.
Ergens werden raketten afgevuurd, elders deed men aan de liefde.
Alles bleef zoals het was.
De dag van morgen zal niet anders zijn dan die van gisteren of vandaag.
Alleen de waan zal weer een andere zijn.

November

               Gisteren belden twee kinderen aan. Een jongen in een wit laken met twee gaten in om doorheen te kijken, een meisje verkleed als bloedend geraamte. Ze hield een zeis in de hand. ‘Halloween,’ brulden ze, vast met het doel me te laten schrikken. Ik gaf geen krimp.
 ‘Hallolach,’ antwoordde ik prompt. Terwijl ze beteuterd met de zeis tussen hun benen afdropen riep ik ze nog na: ‘Geraamtes bloeden niet!’. Een Chagrijnige Oude Man te worden was altijd al een kinderdroom.
               Op Allerheiligen loop je nu eenmaal niet te bedelen langs de straten, mijn gedacht. Deze Kleine Jan heeft op school geleerd dat je op deze dag de doden gedenkt. We trekken in trossen naar het kerkhof, spons en emmer als gebedenboeken in de hand. We spoelen de dode bladeren van de grafstenen en zetten kleurrijke bloemen in de plaats, acht of twaalf euro, daar ligt een mens echt niet wakker van.
               Tenminste, dat doet u misschien, mij zie je daar niet vandaag. Deze Mopperende Oude Man vindt dit alles toch een beetje Valentijnsdag voor de doden. Toen het lijk nog warm was huilden we de ziltste tranen, bezwoeren we de aflijvige nooit nog te vergeten, elke dag aan hem of haar te denken en ervan te blijven houden voor eeuwig en één dag. Die ene dag is dan vandaag.

               Toch ben ik diep vanbinnen, ik biecht het op met enige schroom, een kerkhoftoerist. Menige wandeling leidt me naar een dodenrijk, dichtbij gelegen of verder weg. Nergens is dan een hond te zien, wel vaak hier en daar een kat. Tussen de grassprieten hoor je onvervulde dromen en gedachten ritselen, op de wispelturige, kille herfstwind vervliegen flarden hoop en grote verlangens. Daartussen kuier ik dan bedachtzaam, met de handen op de rug als een schrijver op zoek naar inspiratie. Ik lees de namen op de zerken en u mag dat gek vinden, ook sla ik soms een praatje met wie onder de zerk ligt. Eerlijk waar, vaak vind ik het makkelijker praten met de mensen die er niet meer zijn. Ze zeggen alleen maar wat je het liefst wil horen en gunnen jou het laatste woord. Dat kom je bij leven zelden tegen.

               Naar men zegt is in het dierenrijk alleen de homo sapiens zich van zijn sterfelijkheid bewust. Misschien hechten we daarom zo krampachtig aan het leven. Daar ben ik vaak mee bezig, u hebt vast wat beters te doen.
               Ik blijf staan bij een vrouw van vijftig. Haar jaren later overleden zoon, vijfendertig slechts geworden, rust in hetzelfde graf. Een bijzondere liefde, fluistert de vrouw. Ik stel geen vragen, doden hoeven nergens nog voor te liegen en zich voor niks te schamen. Niemand kan ze nog wat maken.
               Inger V verderop, ook nauwelijks eenenvijftig jaar geleefd. Ik realiseer me dat ik oud ben mogen worden. Een half jaar na haar stierf ook haar echtgenoot. Het feest der liefde overstijgt het leven: na het echtelijke bed delen zij nu ook het echtelijke graf.  
               Naast Inger en haar man rust Louis W, een IJzertoren in de zerk gegrift, AVV VVK. Ik zie een leven lang gewijd aan Vlaamse onafhankelijkheid, ontvoogding, Leuven Vlaams, wat Waals is vals is. Het leven is een strijd.
               Naast hem geen eigen volk. Vanja C, meer medeklinkers in haar onuitspreekbare naam dan jaren in haar leven. Op de foto een vrouw in joggingpak, gestifte lippen, brede glimlach. Hoeveel rondjes liep je rond de vijver om toch zo lang het kon fit te blijven, lieve Vanja? Slank, sterk en gezond tot de dood je toch kwam halen? Waarvan droomde je toen je je verre land ruilde voor deze kille plek? Veel tijd was je niet gegund, tweeënveertig, Vanja, is erg jong om dood te gaan. Daar dacht ik toen er op mijn kruin nog blonde krullen bloeiden, anders over. I hope I die before I get old, ik meende het echt. En kijk nu.
               Stokoud worden wil ik dan toch ook weer niet. Las ik onlangs niet dat de eerste mens die duizend jaar oud zal worden, vandaag al is geboren? De wetenschap staat voor niets, geloof mij, het menselijk vernuft heeft haar buitengrenzen nog bijlange niet bereikt. Ik vraag u: als het kan, moet je het daarom ook willen?

               Mezelf geselend met vragen slenter ik van graf naar graf. Het kinderperk laat ik links, nergens slaat de zinloosheid van het bestaan me harder in het gezicht. Het leven is een tranendal, zoveel weet ik inmiddels wel.
               Dicht bij de uitgang praat ik nog even met Zulma D, geboren, getogen, geleefd en gestorven rond dezelfde kerktoren, van 1907 tot 2001. Twee grote oorlogen meegemaakt, fascisme en communisme zien komen en gaan, de tijdlijn overbrugd tussen bajonet en mosterdgas in het Westen tot dagelijkse lange afstandsraketten in het Oosten, tussen paard en kar en Tesla, tussen boerenkool met worst en quinoa glutenvrij.
               Zeg mij, Irma, vraag ik stil, denk goed na, neem je tijd, het is niet dat je daar veel omhanden hebt: dat heilige leven dat wij zo graag beleven, vind jij dat nu achteraf bekeken allemaal de moeite waard?  

Mijn Liefste Fietseling

               Mijn Lieve Fietseling

               Ik beken, ik had beter voor je moeten zorgen.
               Je niet na een tocht langs het kanaal achteloos aan het haakje moeten hangen in het houten tuinhuis. Het niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen dat jij wel weer geduldig wachten zou op de dag waarop ik je weer een keer uit zou vragen.
               Ik had, Mijn Lieve Fietseling, niet ijdel en hooghartig moeten geloven dat jij voor eeuwig en altijd bij mij zou blijven. Je aan de ketting moeten leggen zoals in deze contreien gangbaar is, dubbel op slot, onder het altoos toeziend oog van een sluiks in een hoge hoek gemonteerde camera. Te weinig deed ik om te voorkomen dat jij, hetzij op eigen kracht, hetzij bijgestaan door een vooralsnog onbekend persoon – ons verbond zou verbreken, naar het zich laat aanzien voor immer en altijd.

               Vaak liet je me lijden, Mijn Lieve Fietseling. Toch bleef ik in de kern van mijn gemoed steevast geloven in ons samenzijn tot de dood, of dan minstens toch tot een of andere fatale kwaal ons scheiden zou. Geen seconde wilde ik je kwijt, hoezeer je soms ook mijn rug liet kraken, mijn dijen exploderen, mijn kuiten branden. Weet je nog hoe we ooit als uit één stuk hotsend en botsend over de bonkige bulten klauterden tussen het Hageland en de zee, stapvoets haast, een kruipdier op twee wielen, rochelend, kreunend? De Kwaremont! De Koppenberg! De Muur! Soms proef ik nog het slijk tussen mijn tanden. Ik schreeuwde tegen je, brulde, elke spier, elke klier, elke vezel stond op springen, als het aan mij gelegen had, ik had je daar en dan in gracht of sloot gekieperd en meteen een aansluitingskaart ondertekend bij een club voor bridge of petanque. Niet jij. Jij gaf geen krimp. Jij hield monotoon je ketting draaiend, liet je wielen traagzaam rondjes malen tot we ons doel hadden bereikt.
               Ook jij denkt vast vertederd terug aan hoe ik je na een douche en lange nacht in bed met een zachte spons liefkozend baadde in een warm sopje en je daarna droogde met de lange, zachte halen van een droge doek. Als een verliefde jongen streelde ik je carbon kader schoon, sprenkelde een drupje olie op je delicaatste plekjes, blies verse zuurstof in je dunne banden, tikte speels en flirterig op je gladde, harde zadel en hing je dan te rusten aan je haakje.

               Lieve Fietseling, je was erbij wanneer we de pijngrens ver voorbij, de top bereikten van een of andere alp. Eerst poseerde je nog als een pauw voor de ijkpaal waarop naam en hoogte van de berg, dan leidde je me kundig weer het dal in. Verstijfd van angst was ik, benauwd voor hoge hoogten, belemmerd door belabberd dieptezicht. Verkrampt klampte ik mijn vingers om je remgrepen, pijnscheuten van duim tot hersenpan. Je negeerde mijn weerbarstigheid in elke haarspeld, sneed er soepel en gezwind doorheen. Ook jij moet toch de opluchting hebben gevoeld wanneer in de laatste glooiende kilometers mijn lichaam zich ontspande, mijn benen weer vrolijk op je pedalen gingen dansen, de wind een zomerlied in mijn oren componeerde. Leek ik bij aankomst een uitgemergeld levend lijk, bleek, zweterig, zwijmelend van de dorst, jij bleef onaangedaan, helemaal nog je smetteloze wit, glanzend, trots, altijd als nieuw. Jij was waarlijk mijn stalen ros, ik noemde je mijn Liefste Fietseling.
               Hoeveel uren, dagen, kilometers brachten wij niet samen door? Waar op de wereld waren wij? Bergen, dalen, bossen en valleien. Hoe sterk waren jij en ik, in alles één? Ik, kromgebogen over jouw stuur tegen de wind en jij, immuun voor regenweer, wegenwerken of oneffenheden in de weg? Waar ik ging, ging jij met me mee en ook jij ging nergens naartoe zonder mij.

               Op een noodlottige ochtend, Liefste Fietseling, was je er niet meer. Weg. Foetsie. Ribbedebie. Het deurtje van jouw tuinhuis wijd open, je haakje leeg. Ik wist meteen: die is heen. Die zie ik nooit meer terug, zoals dat meisje Annabel in dat liedje. Geen afscheidsbrief, geen laatste woord; je ging, zoals men weleens zegt, als een dief in het midden van de nacht. Niemand weet waarheen, niemand weet met wie.
               Is dit mijn straf dan, Mijn Liefste Fietseling?
               Is een leven zonder jou de prijs die ik betalen moet voor mijn achteloze onachtzaamheid? Ik weet, het leven deelt elders raker klappen uit. Elke dag explodeert ergens wel een ziekenhuis, elke dag zoeken een vader en een moeder tussen het puin de laatste resten van hun kind. Ik weet het.
               Toch doet het pijn. Ik voel me als die middeleeuwse minnestreel die zich door zijn zielsverwant verlaten wist. Dus ik vraag je

              Mijn Liefste Fietseling
               waer bestu bleven
               Mi lanct na di gheselle mijn

Een Stranger

               Een kleine jongen was ik nog toen we vanuit het dorp verhuisden naar de grote stad. Dat was wennen. Meer auto’s, meer winkels, meer mensen, meer gedoe, bovendien lachten de kinderen op de speelplaats om ons accent. Om ons zo gauw als kon de lokale spraak eigen te leren maken, haalde mijn vader langspeelplaten van De Strangers in huis.
               Strangers, valt mij nu zomaar in, is het Engelse woord voor Vreemdelingen.

               De Strangers waren vijf oude witte mannen die in het Antwerpse dialect van spot en hoon hun verdienmodel hadden gemaakt. Niemand was veilig voor hun schalkse schimp, niet de Schele Vanderlinden, niet de Rijkswacht of Den Dopper, al helemaal niet de bleke Algerijn die graag hier Gastarbeider wilde zijn maar op het eind van het liedje toch liever naar de heimat terugkeerde, want ’… ‘t is er warm …  en ‘k zen er thuis.’
               Andere tijden. Veel wat toen vrank en vrij werd uitgespuwd, is vandaag beladen. Woke, noemt men dat meesmuilend. Ikzelf zeg liever: wakker, zoals in waakzaam, alert. Een kleine moeite, een wereld van verschil en een kleine stap op het hobbelige pad naar een betere wereld.

               Aan dat alles moest ik denken toen ik voorbije zondag, u weet nog wel, verkiezingsdag, tijdens het ontbijt luisterde naar De Pré Historie op Radio 2. Natuurlijk dwaalden mijn gedachten tegelijk ook naar die volgzame jongen die ik was, naar de normen, waarden en zeden van die tijd zoals die ons door moeder en vader, dorpspastoor en schoolmeester werden ingelepeld: Bemin uw naaste gelijk uzelf. Spijs de hongerige, laaf wie dorst heeft. Kleed wie naakt is. Herberg de vreemde, bezoek de gevangene en zieke en begraaf de doden.
               Soms denk ik, alleen dat laatste doen we nog.

               Ik had in die verkiezing geen goed oog. Mijn hoofd, mijn hart, mijn ziel, mijn geweten, de vier vuurtorens die mijn schip veilig doorheen het woelige water van het leven moeten gidsen, knipperden rood. De waarden van weleer lijken net als De Strangers door de geschiedenis te zijn vermalen. Met een bang hart zette ik me voor de televisie.
               ‘Welkom op het feest van platgetreden paden,’ dacht ik al gauw. Wij kiezen geen poëten of woordkunstenaars, wij kiezen na-apers en platitudepredikers. De Kiezer had gesproken, de Kiezer had gelijk, het signaal van de Kiezer. Iedereen had overal gewonnen, behalve waar verloren werd. Eentonig, slaapverwekkend, langdradig als de eerste honderdvijftig kilometer van een wielerwedstrijd. Waren wij gisteren nog individuele mensen met een eigen stem, vandaag waren we één pot nat, een Hasselaar, een Bruggeling, een Gentenaar. Ninovieter, valt me nu net zomaar in, rijmt verbazend vlot op flieter.
               Jan en alleman vroeg men naar zijn gedacht, de afficheplakker, de bijzitter in het stemlokaal, de hond van de buurvrouw van de partijvoorzitter. Alleen de bleke Algerijn bleef buiten beeld.

               Toen het avond werd, steeg de spanning. In het licht van helle spots naderde vanuit het donker met veel bombarie en poeha een kleurrijke stoet. Mensen drumden, schreeuwden, duwden elkaar opzij. Toch herkende ik onmiddellijk de locatie. Dit feest speelde zich af dicht bij mijn huis, in mijn eigen stad, de stad waar ik gedronken en gefeest heb, de beiaard hoorde klingelen, geliefd heb en ruzie heb gemaakt.
               De Kiezer in het land had zijn zegje wel gehad, het woord was aan de Keizer nu. Beschermd door bonkige bodyguards en omstuwd door zijn discipelen schreed de Keizer onder het wakende oog van een adelaarskop op een spies met geheven hoofd en vaste tred naar het spreekgestoelte vooraan in de arena. Op een teken van zijn hand bedaarde het gejoel. Begeesterd als een konijn voor een lichtbak hield het volk de tongen stil en de lippen op elkaar.
               ‘Vrienden,’ sprak de Keizer met die zeldzame waardigheid die enkel ware keizers is gegeven.
               ‘Vrienden,’ herhaalde hij, nu tot de camera, tot mij. Een warme gloed vulde mijn hart, mijn ziel, mijn geweten, mijn hoofd. Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. Volgden enige Latijnse frasen waar ik weinig van begreep en de obligate overwinningswoorden. De keizerlijke vuist ging de hoogte in, honderden vuisten gingen mee. Een tikje akelig beeld vond ik dat toch, die uitgestrekte armen in de lucht.
               Volgde nog wat prietpraat zoals ik die dag zo vaak al had gehoord, wij si, wij la, wij hopsasa. Aan het eind zette de Keizer naar aloude regionale traditie een samenzang in.
               ‘Ons eigen volkslied,’ kondigde hij aan.

               Tot mijn opperste verbazing herkende ik, jawel, een melodietje van De Strangers:

               Antwaarpe, Ga ze ga veur ma
               Toch de stad woar as ek zen gebore

               Zwanst na ni é, dacht ik meteen,  ik zen ier ielemoal ni gebore.
               Deze vaststelling voelde als een trap in de onderbuik. Ik ben geboren in Vucht, een allerliefst gehucht, honderdtwintig kilometer slechts van hier gelegen. Waar ik vandaan kom bezingt men ‘t bronsgroen eikenhout waar ‘t nachtegaaltje zingt, waar over ’t malse korenveld het lied der leeuwerik klinkt.
               Dat ik hier niet geboren ben, wil dat dan zeggen dat deze stad mijn stad niet is, dit lied niet mijn volkslied? Ik voelde mij ontheemd plots, ontworteld, een vreemde in eigen stad, migrant in eigen land.
               Hoe moet het dan wel zijn, viel me toen zomaar in, voor die bleke Algerijn?

Mijn eerste keer

               Dat het zondag was, staat vast. Wij doen het altijd op een zondag, nooit in de week. Zacht en warm was het, zo wil ik het me toch graag voorstellen, met rozig herfstlicht aan de einder, als een teken van de goden dat dit een dag was die er echt, écht toe deed.
               Dat ik het razend spannend vond, dat weet ik nog heel goed. Maandenlang had ik ernaar uitgekeken. Achttien en een half was ik toen en eindelijk mocht ik ook. Mijn eerste keer. Mijn debutantenbal. Mijn intrede in de grotemensenwereld.

               Dat er maar één eerste keer kan zijn, daar was ik me terdege van bewust.
               ‘Gebruik je gezond verstand, had mijn moeder me gemaand. Mijn vader had slechts even opgekeken van zijn krant, één wenkbrauw omhoog, de wantrouw in zijn blik had zich als een teek onder mijn huid gehecht.
               ‘Ja moeder,’ zal ik hebben gezegd. Bedachtzaam immers zou ik handelen, beheerst en met geduld, met oog voor mijn omgeving en de gevolgen van mijn daad. Tegelijk ook zou ik, wanneer het moment suprême dan daar zou zijn, zonder dralen vastberaden afgaan op mijn doel, doen wat ik te doen had en hopen dat na afloop iedereen tevreden was.

               Vast heb ik een jeansbroek aangetrokken. Vast zal mijn vader daar wat op te zeggen hebben gehad. Jeans was in zijn ogen uniformdracht van Beatles, schorriemorrie en langharig werkschuw tuig. Het kan best dat ik speciaal voor de occasie een douche heb genomen, het enige witte hemd dat ik bezat uit de kast gehaald en mijn zondagse schoenen opgeblonken. T-shirt of sandalen droeg men in zijn vrije tijd, deze dag stond in het teken van Ernst en Verantwoordelijkheid. Een stropdas wilde ik natuurlijk niet, mijn teken van protest, een das hoorde bij die generatie die zowat alles wat een mens verkeerd kon doen ook verkeerd had gedaan.
               Wellicht trok ik ook mijn vestje aan, ecru van kleur, waarvan de panden op mijn heupen dansten wanneer ik in het schemerlicht van de parochiezaal van ’s Gravenwezel luchtig als een ballerino op de zweterige timbres van Locomotive Breath of Dirty Love menig meisjeshart liet galopperen.

               Ach, zoete herinnering.
               Graag haal ik me de jongen voor de geest die ik volgens mijn herinnering geweest moet zijn een halve eeuw geleden en vijfentwintig kilogram minder zwaar, van kleine teen tot kruin vol van zichzelf, een ijdeltuit die bij het buitengaan wellicht nog even in het gat van de voordeur bleef staan, schijnbaar achteloos de rechterhand door het  korenblonde haar liet gaan, enkel en alleen om door het buurmeisje van de overkant tegen wie hij op weg naar school nauwelijks gedag durfde te zeggen, stiekem te worden gezien en wie weet, aanbeden.

               De kortste weg ging langs rechts, ongetwijfeld koos ik links.
               Haast had ik niet, het hoogtepunt van mijn daad probeerde ik zo ver ik kon voor me uit te schuiven. Ik slofte, slenterde, lanterfantte, niet uit angst maar uit verwachting, zoals iemand die het lekkerste hapje op zijn bord tot het laatst bewaart. In mijn hoofd speelden beelden en fantasieën, ik droomde mij een dag die als een tatoeage in mijn hart geëtst zou blijven tot het einde mijner dagen.

               Het waren mannen op jaren – vanzelfsprekend, besef ik nu, – die de voorpret uit mijn hoofd verjoegen. In een trosje stonden ze op de speelplaats van de kleuterschool, rokend, hun stemmen luid, iedereen mocht horen wat ze te vertellen hadden. Stilzwijgend en bedeesd naast hen hun vrouwen want zo ging dat in die tijd, de mannen waren van de wereld, de vrouwen van de keuken en de haard.
               ‘In Holland moet je helemáál niet,’ stelde de man met de sigaar.
               ‘Ook niet in Frankrijk of in Engeland,’ zei een ander, een zelfgerolde sigaret losjes in de hoek van zijn mond.  ‘Enfin, dat denk ik toch.’ Holland, Frankrijk, Engeland waren nog exotische buitenlanden, verder dan twee keer de zee en één keer de Ardennen hadden mijn reizen nooit gereikt.
               ‘Dat allemaal voor nop,’ voegde een pijproker daaraan toe, ‘zakkenvullers, stuk voor stuk.’
               Toen ik hen passeerde riep de pettenman me toe: ‘Hé snotneus, kiezen voor de goeien hé.’
               Ik negeerde hen. Relikwieën waren zij, uit een vervlogen tijd. Met deze jongen werd het anders. Hoewel mijn hart hamerde als een drilboor en ik achter mijn oren mijn bloed hoorde suizen, stapte ik met vaste tred het klaslokaaltje in. Er was nu geen weg meer terug. Achter mijn rug schoof ik het gordijntje toe, met vaste greep nam ik mijn potlood in de hand en likte even aan de punt die ik daarna precies in het midden van het rondje drukte dat ik al weken eerder tussen alle andere rondjes uitverkoren had.

               Het was gebeurd.
               Opluchting voelde ik. Trots. Als een soldaat die net tot generaal gedecoreerd was, stapte ik weer terug naar huis. Vanaf vandaag, dacht ik, doe ik ertoe. Onvermijdelijk zal ook mijn stem worden gehoord. Dat zal ze blijven doen, mijn leven lang.
               Precies daarom ben ik zo blij dat ik morgen nog eens mag.
               Ik hoop van u hetzelfde.

Het boek van mijn vader

               Tik. Tik. Tik.
               Soms vraag ik me af of het niet beter is er gewoon de brui aan te geven. De dop op de pen te schroeven en iets anders te gaan doen. Leeuwentemmer of zo. Professioneel snookerspeler, daar valt vast meer geld mee te verdienen. De politiek in, kan ook. Je hoeft daarvoor niet veel te kunnen, relaties, daarop komt het aan. Netwerken. Lief lachen naar de partijvoorzitter, voor je het zelf doorhebt ben je Minister van Mobiliteit en Brusselse Rand, een volgende legislatuur krijg je Onderwijs en Dierenwelzijn, de keer daarop Begroting. Kennis van zaken heb je daarvoor niet vandoen. En vind je het niet leuk, dan word je gewoon burgemeester.
               Voetbalanalist, heb ik ook altijd al willen doen. Of professor Kerkelijk Recht, en dan drie keer per week in Terzake en De Afspraak. Eindelijk beroemd!

               Tik. Tik. Tik.
               Het is niet dat ik het beu ben, er is alleen in het leven nog zoveel dat ik nog nooit gedaan heb. Koorddansen, diepzeeduiken, ballonvaren, gebouwen ontwerpen, allemaal nooit gedaan. Intussen verglijdt de tijd en klimmen de jaren. Jongeren staan op de tram spontaan hun zitplaats aan me af, mijn eigen kinderen noemen me steeds vaker bompa. En dan lachen ze.
               Doe maar een beetje rustig, zegt de dokter. Zo rimpelloos mogelijk leven, dan breekt het lijntje niet. Wat heb je aan een lange lijn als geen vis bijten wil?
               Doe niet te gek en elke dag op tijd naar bed. Drink eens vaker een gemberthee of kamille. Snoep verstandig, eet een appel. Maak je niet zo druk om die duizend bommen en granaten op het nieuws elke dag, je verandert er niets of niemand mee en het is dodelijk voor je hart. Mijd die sloten koffie in de ochtend, denk aan je bloeddruk. Wees zuinig met de drank. Bij gelegenheid af en toe een druppel, dat kan nog, twee is al veel en denk erom, niet elke zon die opkomt is een gelegenheid.
               Tabak of andere kruiden zijn natuurlijk helemaal taboe.

               Tik. Tik. Tik.
               Nu moet ik denken aan mijn vader. Precies vandaag zou hij 93 geworden zijn. Hij begon te roken op zijn veertiende en stopte ermee op zijn sterfbed. Zijn leven lang pafte hij als een Turk, mag je dat nog zo zeggen vandaag de dag, of is dat etnisch profileren?
               Naar eigen zeggen leefde hij voor twee, mijn vader. Overdag voor de plicht, in de nacht voor zijn plezier. Hij smikkelde gulzig van elk gerecht dat de Grote Kok van Het Leven hem voorschotelde. Hij heeft gezongen en gevochten, gelachen en gehuild,  liefgehad en liefdes verloren. Goede vrienden was mijn vader met lui als Johnny Walker en die Groene engel St Michel, ongefilterd. Hij kende meer kroegen dan kantoren, meed verleiding noch avontuur en betaalde nadien de rekening met zijn verbrande gat op de blaren.
               Kalm, Rustig, Gezond kwamen in zijn woordenboek niet voor. Toch werd hij 81, en vief en vinnig tot het eind, vittend op de vriendelijke verpleegster omdat hij zijn laatste soep niet heet genoeg vond.
               Ja ja, mijn vader was me er eentje, een boek zou ik over hem kunnen schrijven.

               Tik. Tik. Tik.
               Nu we het daar toch over hebben, dat laatste heb ik intussen afgevinkt. Het werk is klaar, min of meer. Niet over mijn vader gaat het, al hangt zijn schaduw er wel overheen. Een hilarisch en weemoedig verhaal is het geworden, een genot voor de lezer, je begint erin en je kan niet meer ophouden, bestsellermateriaal dat schreeuwt om te worden verfilmd. Enfin, zo denk ik erover. Mensen die het weten kunnen hebben het gewikt, gewogen en met handgeklap ontvangen. Hun oordeel is meer waard. Rest me alleen nog een ondernemende ziel te vinden die het drukken wil, inbinden en slijten aan de lezer.
               Wie zich geroepen voelt, u weet me wonen. Intussen ga ik door. Maar waarmee?

               Mijn vader overigens begon zelf ooit ook een boek. Over zichzelf, dat spreekt, zo was hij dan ook weer wel. Tweehonderdzestig pagina’s had hij klaar, die heeft hij dan versnipperd. Of verbrand. Of er tabak in gedraaid en opgerookt. Want ook zo was mijn vader: hij begon aan vele dingen maar bracht daarvan slechts weinige tot een einde. Drie keer begon hij aan een huwelijk, twaalf ambachten verrichte hij, zijn bed stond op meer plekken dan dat van u en mij tezamen. Altijd was mijn vader onderweg. Welke onrust hem dreef, ik heb er tot het einde van mijn dagen het raden naar. De tijden waren anders toen, een man deed wat hij vond dat hij te doen had, hij hoefde dat niet aan zijn kinderen uit te leggen.

               Het zou kunnen, denk ik soms, dat ik dichter bij de boom gevallen ben dan ik mijn leven lang aan mezelf heb willen toegeven.
               Bakker, misschien is dat wel iets. En dan elke dag mijn eigen zoete broodjes.
               Tik. Tik. Tik.

Artificieel Intelligent

               ‘Ooit zal de computer de mens in slimheid overtreffen,’ zei onze leraar boekhouden en informatica. Den Duits noemden we hem, vanwege zijn kortaangebonden temperament en altijd norse blik maar nog het meest vanwege de verfborstel onder zijn neus. Den Duits sprak in zekerheden, twijfelde nooit, geloofde in cijfers en getallen en bits en bytes. We waren geen vrienden, hij en ik. Ik twijfelde toen nog tussen een loopbaan als klerk in een kantoor of het haveloze bestaan van een dichter.
               ‘Gast,’ riep ik door de klas, ‘net was een computer nog een stomme machine die je moet zeggen wat hij moet doen, die niks uit zichzelf kan, en nu …’
               ‘Voor u is het mijnheer de gast,’ reageerde Den Duits rustig, ‘ga in de gang maar wat staan schreeuwen,’ waarmee de discussie eindigde nog voor ze begonnen was.  

               Een halve eeuw later vraag ik me weleens af wat er geworden is van Den Duits, De Muis of De Scheve Kop. Gekrompen oude mannetjes zullen ze nu zijn, achter een raam in een woonzorgcentrum in het zonnetje met uitkijk op het kerkhof en een dekentje op hun schoot. Al kan het ook dat ze de school des levens inmiddels hebben verlaten. Leraren zijn als mensen, ze komen en gaan. In je meest kwetsbare jaren duiken ze in je leven op, gaan een eindje met je mee en dan zijn ze weer weg. Intussen zeggen ze dingen die ze zelf de volgende dag alweer vergeten zijn maar die vijftig jaar later zomaar in jouw hoofd opduiken.

               We leefden in de digitale prehistorie toen. We leerden over ponskaarten en het binair stelsel, de computer op de foto in ons handboek vulde een volledig klaslokaal. Den Duits had in de toekomst gekeken en goed gelezen: men beweert vandaag dat Artificiële Intelligentie de mens in slimheid heeft ingehaald en achter zich gelaten. AI weet alles, kan alles, regeert de wereld. Studenten laten door AI hun papers schrijven, journalisten hun artikels, schrijvers vrezen voor de eerbaarheid van hun beroep. Eerherstel en respect voor Den Duits, besloot ik.

               Hoe gaat het nu met hem, vroeg ik aan ChatGPT.
               ‘Helaas, ik heb geen specifieke informatie over een leraar boekhouden en informatica aan het Sint-Jozefinstituut in Merksem uit de jaren zeventig. Mijn kennis is niet gedetailleerd genoeg om individuele docenten op lokale scholen uit die tijd te kennen.’
               Een afknapper groter dan de kathedraal van Antwerpen. AI, schrik der proffen, pennenvrienden en intellecten, blijft op de eenvoudigste vraag het antwoord schuldig. Kennis niet gedetailleerd genoeg! Zo ken ik er nog.
               IJdelheid is mijn tweede naam, dus de vervolgvraag lag voor de hand.
               ‘De Schrijver staat bekend om zijn scherpe observaties en ironische stijl,’ luidde het antwoord. ’ Hoewel hij niet een heel bekend publiek figuur is, heeft hij met zijn werk bijgedragen aan de Vlaamse literatuur door zijn persoonlijke, vaak introspectieve en filosofische benadering. Zijn schrijven richt zich vaak op thema’s als vervreemding, existentiële worstelingen, en de mens.’

               Victorie! Den Duits kende hij niet, mij wel! Gebakken lucht weliswaar maar toch: scherpe observaties, filosofische benadering, ironische stijl, bijdrage aan de Vlaamse literatuur. Ha! Zeg dat AI het gezegd heeft.
               ‘Schrijf eens een stukje in de stijl van De Schrijver,’ vroeg ik toen, ‘bijvoorbeeld over de domheid van AI?’ Provoceren met een glimlach zit mij in het bloed. Volgde een chaotisch traktaat over het schillen van avocado’s, ruimtevaarttechnologie en algoritmes. Saai, saaier, saaist. Nog in geen kilometers ver mijn stijl. Net toen ik verveeld mijn laptop dicht wilde klappen, viel mijn oog op volgende passage:
                ‘Er is een vreemd soort geruststelling in het idee dat een computer slimmer is dan wij. Het verlicht ons van de verantwoordelijkheid om zelf moeilijke beslissingen te nemen. Waarom zou je het zelf proberen als een algoritme het voor je kan doen?
               Hé, dacht ik. AI zegt: niet ik word slimmer, de mens wordt dommer. Hij geeft het zelf uit handen. Waarom zelf rekenen als je er een machine voor hebt? Waarom zelf schrijven als een machine het voor je kan doen? Waarom zelf sowieso iets doen als er machines bestaan die dat net zo goed of misschien wel beter kunnen?
               ‘Echte intelligentie,’ las ik, ‘… gaat verder dan feitenkennis of patronen herkennen. Het gaat over inzicht, intuïtie, een vleugje menselijke dwaasheid, een knipoog naar het absurde. Dat is precies waar AI faalt. Het kan bergen data doorspitten, verbanden leggen waar geen mens ooit aan zou denken, maar zodra je het vraagt een gedicht te schrijven over de liefde, krijg je iets wat klinkt als een middelmatige Valentijnskaart uit de supermarkt.
               Ha, dacht ik, AI weet alles over alles maar niets over de poëzie van het leven, het hart, de ziel van de mens. Slim zijn is niet over alle kennis beschikken, slim zijn is wat je ermee doet.
               Wel slim van hem zijn beperkingen meteen toe te geven.

               ‘Ik hoop dat deze tekst een stijl heeft die aansluit bij de ironische, filosofische toon van De Schrijver, met een knipoog naar de menselijke neiging om technologie te verheerlijken, maar tegelijkertijd zijn beperkingen te vergeten.
               ‘In je natste dromen, piemel,’ mompelde ik, ‘nog in geen duizend jaar.’
               Ik trok mijn schoenen aan en stapte richting woonzorgcentrum. Wie weet liep ik er een oude bekende tegen het schrale lijf.

Na Zdravi!

               Een Hollander, een Engelsman en een Belg in een restaurant, het zou het begin van een mop kunnen zijn. Dit verhaal echter steunt op waargebeurde feiten.
               Het Purkminster restaurant in Pilzen. Aan het hoofd van de tafel zit de Engelsman, een gerijpt man, in zijn gezicht meer rimpels dan een oude eik jaarringen heeft. Rechts van hem zit bescheiden en verlegen de Belg. Dat ben ik. Over mij de Hollander, een goedlachs en buitengewoon aimabel man. Naast mij zit een kleine vrouw uit Berlijn met slimme oogjes en een snelle tong en tegenover haar een jonge vrouw die hier in Pilzen woont. Van wat ze zegt begrijp ik niets, haar gezicht evenwel leest als een boek. Aan het einde van de tafel hebben een man uit Hamburg met een slepend been en een vrouw uit Budapest met rood krullend haar alleen maar oog voor elkaar.
               Hoe ben ik hier beland, vraag ik me plots af. Op deze plek, tussen deze mensen, in de herfst van mijn leven? Vierentwintig uur eerder hadden we elkaar nog nooit gezien, morgen zeggen we alweer vaarwel en wie weet tot nooit weer.

               Allemaal drinken we bier, daarom zijn we hier. De mannen praten over voetbal.
‘Kompany als coach bij FC Burnley was completely rubbish,’ zegt de Engelsman. Hij schreef ooit nog voor The Daily Mail en schuwt de harde woorden niet. Zijn stem schuurt als een stalen borstel op een ijzeren plaat. Elke vorm van nationalistisch sentiment is mij volkomen vreemd, toch voel ik me geroepen mijn landgenoot te verdedigen.
               ‘Wel een wereldvoetballer geweest,’ werp ik op en meteen daarop met een knipoog, waar het vandaan komt weet ik niet, ‘godverdikke , it’s good to be a Belgian.’
               ‘Daar klinken we op,’ roept de Hollander uit. Hij grijpt zijn bierpul bij het oor, hijst hem hoog de lucht in en proost: ‘Op dat absurde kleine land van grote mensen: Ensor, Magritte en deze fijne Belg in ons midden. Na zdraví!’ De glazen klinken, bonzen op de tafel en we drinken.  

               De vrouwen praten over het weer. ‘Zet een reporter in een plas water en een camera in de juiste hoek en de ramp stroomt zo je woonkamer in,’ zegt de Berlijnse. De omvang van de watersnood in de rest van het land is nog niet ten volle tot deze stad doorgedrongen. Kelners nemen gehaast bestellingen op, diensters lopen af en aan, uit de luidsprekers klinkt muziek. Buiten zwiept de regen als een woeste schilder dikke strepen hemelwater op de ramen.
               Dat ik hier en nu aan tafel zit, op een doordeweekse septemberavond achthonderd kilometer ver van huis, warm en droog terwijl verderop steden en dorpen onder water staan, is dat geluk? Toeval? Heb ik daar verdienste aan? Ik mijmer over vanwaar ik kom en wie ik zoveel jaren later geworden ben, welke wegen ik heb gewandeld, over mijn zegeningen en mijn fouten. Net als ik in mijn boekje wil noteren dat het leven rare kronkels maakt, roept de raspende nicotinestem van de Engelsman me weer in het heden:
               ‘Ooit trok ik met de rugzak door de States.’ vertelt hij. ‘In Idaho logeerde ik twee maanden bij een aardappelboer die mij prees om mijn kennis van het Engels. Ik kom dan ook uit Manchester, legde ik hem uit, in Old England, het land van Shakespeare. De aardappelman bleek van bard noch land ooit te hebben gehoord. Allemaal mooi, zei hij, desondanks spreek je uitstekend Engels. Alleen je accent klinkt vreselijk.’ Iedereen lachte luid behalve het koppeltje aan het andere eind dat zich in een ander universum leek te bevinden.
               ‘En dan zijn wij verbaasd dat Donald Trump in november misschien opnieuw verkozen wordt?’

               ‘Laten we daarop klinken,’ roept de Hollander weer, ‘dat wij hier in Europa van de Amerikaan niets begrijpen,’ We klinken, laten met een klap de glazen op de tafel neerkomen en drinken.
               Zo is dat, bedenk ik terwijl ik het gouden vocht in mijn keel voel glijden. Wij denken te weten maar we weten niets. We doen maar wat. Dat ik hier ben is louter toeval, het lot. Ik ben niet meer dan een druppel uit de bron waar de grote rivier ontspringt die vandaag dit halve land onder water zet. Ik ben willoos meegedreven met de stroom, voorbij boerderijen en kastelen, bossen, koren- en bloemenvelden, langs dieren en mensen en lange lappen onbewoond land, samen met triljoenen andere anonieme druppels, allemaal in dezelfde richting, door een onbekende kracht vooruit gestuwd tot op een dag ook ik zal monden in de zee en opgaan in een eindeloze Oceaan van Stilte.

               Een dienster heeft intussen onze lege glazen weer voor volle ingeruild.
               ‘Op de golfslag van het leven,’ proost ik, ‘na zdravi!’ Het gezelschap lacht, mijn toost moet in hun oren klinken als een absurde Belgenmop. We klinken en we drinken.
               Mooi, het leven is mooi, denk ik nog en dan spontaan er achteraan: let the beast go.

De reis van de held

               Andere kinderen blonken uit in tekenen, hardlopen of blokfluit spelen, ikzelf excelleerde in Bewondering. Ik kon opkijken naar mijn helden als geen ander. Meer dan gewone sympathie koesterde ik voor De Eenzame Cowboy Lucky Luke en de onversaagde Rode Ridder, ik adoreerde Robin Hood, de voorvechter der verdrukten, Winnetou die vocht voor de vrijheid van zijn volk en D’Artagnan, de vierde musketier.
Mijn helden waren allen mannen, gehouwen uit graniet, die hun woorden voor zichzelf hielden en hun daden lieten spreken.

               Een held achtervolgde de slechterik tot in de verst gelegen uithoek, bevrijdde weerloze vrouwen uit de klauwen van de onbehouwen bruut waarop de veelal rondborstige deerne hem trouw beloofde tot het einde van haar dagen ook al wist zij net als hij diep vanbinnen dat hij ook bij haar niet blijven kon. Helden domesticeren slecht. Een held moet zwerven, nieuwe avonturen tegemoet. Hoog gezeten op een gevlekte schimmel, sneller dan een weerlicht en angst noch vermoeidheid kennend, colt, zwaard of kruisboog binnen handbereik, trekt hij ten strijde tegen onrecht. Onverschrokken en eigenzinnig bewandelt hij het pad waarvan hij beter dan de gewone sterveling weet dat dit het enige juiste is. Een held reist alleen maar is nooit eenzaam. Hij verdraagt als het moet tijdens een pragmatisch bondgenootschap voor een wijle een medestander, hij weet dat ook dat op een dag weer voorbij zal zijn.
               Een held vecht met open vizier en blote handen. Magische krachten bezit hij niet, hij kan vliegen noch op muren lopen, een held is net als u en ik een mens van vlees en bloed, alleen heeft hij een ijzeren karakter.
                Later, dacht ik, als ik groot zal zijn, ga ik worden zoals zij.

               In de jaren die volgden ging ik grote-mensen-boeken lezen. Mijn helden veranderden van queeste. Zij bestreden niet langer het onrecht maar het leven zelf. Zij waren schrijvers zonder lezers die leefden in de marge van de gemeenschap. God noch gebod erkenden zij, aan zeden of normen lieten zij zich weinig of niets gelegen. Ook zij gingen, net als de helden uit mijn kindertijd, onverstoord hun eigen weg. In afwachting van De Grote Doorbraak voerden zij de kippen met etensresten uit de smoezelige keukens van Oosterse restaurants waar zij nachtenlang de borden wasten, de glazen spoelden en toiletten dienden uit te kuisen.
               Ik verslond de werken van Charles Bukowski en John Fante. Hun verhalen waren opwindend, hun levens spannend. Dronkaards allebei, vechtersbazen, berooid als een straatrat, strompelend van job naar job, kroeg naar kroeg, vrouw naar vrouw, hier een bar uitgegooid, daar door een jaloerse echtgenoot in elkaar geslagen, elders kerfde een ladderzatte vergane schoonheid met de hak van haar stiletto een blijvend litteken in hun hart. Het weerhield ze er niet van door te gaan, onvervaard en eigenzinnig, de bluts aanvaardend met de buil, de hoogste toppen scherend om dan weer te belanden in de diepste dalen der droefenis. Rauw en ruw was hun taal, roekeloos en woest hun leven, onvermijdelijk hun lot. Ze dienden te gaan waar niemand hen was voorgegaan.
               Later, dacht ik, als ik echt groot zal zijn, wil ik worden zoals zij.

               Later is nu haast voorbij. Ik ben inmiddels groot genoeg geweest om langzaamaan weer klein te worden. De opstap naar het heldendom is aan me voorbijgegaan, ergens onderweg heb ik een afslag gemist.
               Die gedachte schoot me door het hoofd toen ik helemaal alleen de trein opwachtte die me doorheen de nacht naar de hoofdstad van Bohemenland zou rijden. Welke onverlaat zou mijn pad kruisen, vroeg ik me af, welke obstakels diende ik te overwinnen, welke prinses zou ik gaan bevrijden?
               De held in mij heeft nog groeimarge, leerde ik. Echte helden maken zich geen zorgen over de stiptheid van de trein, vragen zich niet bezorgd af waar op het perron zij moeten wachten, of zij hun coupé zullen moeten delen, of het toilet wel smetteloos proper is. Echte helden vragen geen hulp aan mannen in azuurblauw uniformhemd, controleren niet ontelbare keren of ze hun paspoort en kredietkaart niet vergeten zijn.

               Bij het vallen van de avond kwam de treinbegeleider nog even kijken of ik het naar mijn zin had. Of hij nog wat voor me kon betekenen, vroeg hij. Als u wat nodig hebt, dan roept u maar. Slaap lekker. Morgenochtend bezorg ik uw ontbijt. Ei zo na tekende hij een kruisje op mijn voorhoofd.
               Ze keerden zich bij bosjes om in hun graf, mijn helden. Lucky Luke, Robin Hood, De Rode Ridder. Winnetou en D’Artagnan. Charles Bukowski en John Fante. Aanbidder zijn kan iedereen, het heldendom daarentegen is niet elkeen gegeven.

Zomerslaap

               De winterslaap van de grondeekhoorn duurt acht maanden. Dan rinkelt de wekker, tenzij hij op zijn eekhofoon Viva la Vida als ontwaaktune heeft ingesteld. Of Lovely Day. Of Wake me Up. Begin april is het dan, niet vroeger, niet later, de klok van de natuur staat fijner afgesteld dan de nullijn in het Royal Observatory in Greenwich.
               Anders dan vaak wordt aangenomen houdt de bruine beer niet echt een winterslaap. Hij rust, intussen wellicht peinzend over de dingen des levens, zoals beren en schrijvers nu eenmaal doen. Soms moet hij even het nest uit, voor een plasje of een drol, beren zijn ook maar dieren. In het voorjaar warmt op de vrolijke tonen van Viva la Vida het berenlijf zich weer op, kriebelt de geur van ontluikend blad de snuivende neus, begint de maag te grollen en jagen hormonen hem vanuit zijn grot de jachtvelden in op zoek naar vis en honing.

               Begin september schudt ook De Schrijver de slaap uit zijn leden. Zoals de bruine beer heeft hij de voorbije zomer niet echt geslapen maar gerust. Een negen weken durend feest van ledigheid dat zoals dat met feesten gaat op een dag is leeggebloed.
               Wat heb ik met mijn leven toch gedaan die hele tijd, vraagt zich De Schrijver droefgeestig af. Hij rommelt in papieren, luistert naar de diepzinnige gedachten op zijn telefoon die toen hij ze insprak uitermate belangrijk leken en voor de eeuwigheid bestemd.

               Een mijnheer heeft tijdens zijn vakantie van twee weken tien boeken uitgelezen, hoort hij zichzelf zeggen. Hijzelf geen enkel. Met Marcel Proust ging hij Op Zoek naar De Verloren Tijd, de tocht is moeilijk en lang, het einde nog bijlange niet in zicht. Hij blaast het stof van Boekwerk 1, De Kant van Swann. Prousts levenswerk, leest hij op de achterflap. En ook: een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur.
               Smaken en Kleuren, denkt De Schrijver. Zoetjesaan beginnen nu ook zijn hersenen als een middeleeuwse molen rondjes te malen. Wat wil dat zelfs zeggen, grootste triomf? Meest verkocht? Beste boek? Kan je Kunst, Schoonheid, Ontroering in een rangorde schikken? Het mooiste liedje in onze moederstaal: Ruimtevaarder? Ploegsteert? Twee Meisjes? Of toch maar iets van Bram Vermeulen? Hoe moet je dat bepalen?
               De Schrijver weet het niet. Het beste boek van deze eeuw? Geen beginnen aan. Vraag je een moeder of een vader ook welk kind hun mooiste is? Zijn verzameling Schoonheid en Ontroering staat in de boekenkast alfabetisch gerangschikt op auteur. Een beetje Ordnung muss sein, het leven is al ingewikkeld genoeg.

          De bladwijzer in De Kant van Swann steekt op pagina 296. Meester Proust schildert met het fijnste penseel tot in detail en met de kleurrijkste verf elke nerf van elk blad van elke boom in het grote bos. Je ruikt de versgebakken madeleines, voelt de prille lentezon, kuiert doelloos mee over de velden. Dit kunnen er maar weinigen, denkt De Schrijver bescheiden. Hijzelf al helemaal niet. Maar toch ook vermoeiend soms. Langdradig. Meer dan een keer is hij tijdens het lezen ingedommeld. De eerste zin op pagina 296 telt tweeënzeventig woorden, de tweede tweeënzestig. De beer in De Schrijver grijnst kwaadaardig, de eerste zin van zijn eerste stukje na de zomerslaap is acht woorden lang, de tweede zestien. Vast geen triomf in de wereldliteratuur.    
Grappen over Proust wordt in literaire middens als heiligschennis aanzien, weet De Schrijver. Het zij zo. Een Schrijver heeft het vrije woord, al denkt de grote Grunberg daar blijkbaar anders over.

               Het tweede boek dat hij niet uitgelezen kreeg, was Alkibiades, door Ilja Pfeiffer. Een idool. Pfeiffer is de Nafissatou Thiam van de Nederlandse Letteren die hoog verheven boven de kleine letterprutser die De Schrijver is vanop de top van de Olympos minzaam neerkijkt op de wereld en zijn geschiedenis. Dit boek is groots en meesterlijk, een hoogfeest van taal en opzet. Een tikje ingewikkeld ook toch, vindt De Schrijver die verdwaalde in de talloze intriges, veldslagen en kampwisselingen. De kleine letters van de bijna tweehonderd pagina’s tellende reeks voetnoten dansen ook na zijn zomerslaap nog als glimwormen in het donker voor zijn ogen.

               Ach, denkt De Schrijver, de zomer is voorbij, het is het nu dat telt. Op zijn bijna versleten HP scrolt hij door de nieuwsberichten. Omgekeerd evenredig met het stijgen van zijn lichaamstemperatuur daalt zijn humeur. Voor aanvang van zijn zomerslaap had men beloofd alras nieuwe regeringen te vormen, de kaarten hadden er nog nooit zo gunstig bijgelegen. Vandaag zegt men te moeten wachten tot de kerst. Over bedwantsen in asielcentra leest hij. Over overbevolkte gevangenissen, mannen die hun vrouw ombrengen omdat ze succesvoller zijn dan zijzelf. Over nucleaire sites, scholen en crèches die worden gebombardeerd, steden die worden platgewalst.
               Mensen zijn ook maar dieren, denkt De Schrijver, net als beren. In de tuin zoekt hij de twee eekhoorntjes die in het voorjaar nog vrolijk in de bomen klommen. Ze zijn er niet. De winter komt eraan.