Livio

          Tijdens mijn dagelijkse gezondheidswandeling zag ik op een dag een man op een bankje zitten.
          ‘Beetje fris voor de tijd van het jaar misschien maar al bij al toch een mooie dag vandaag,’ groette ik opgewekt. Op een goede dag kan ik het ijs breken als de beste. Goede dagen helaas komen even vaak voor als sneeuw in april.
          ‘Hmm,’ deed de man. Poolijs, dik en weerbarstig.
          De man keek voorovergebogen naar het uitgestrekte weiland aan de andere kant van het wandelpad. Zijn schedel zo kaal een naaktkat met in het midden een rode wijnvlek, zijn gelaat dichtbehaard: sik van Lenin, knevel van Stalin, wenkbrauwen van Brezjnev. Toen hij langzaam naar me opkeek, meende ik in zijn ogen te lezen dat hij de dood meer beschouwde als een welkome vriend dan een te ontwijken vijand.

          In de wei stonden vier hoefdieren van een mij onbekende soort plukken gras uit de grond te rukken, hun kaken malend als molens.
          ‘Lama’s,’ zei de man ongevraagd alsof hij mijn gedachten lezen kon.
          ‘Lama’s? Hier? Horen die niet in …’
          ‘Zuid-Amerika? Iran? Vroeger, ja. Vroeger, toen alles nog een eigen tijd en plaats had. Welkom in de eenentwintigste eeuw, jongen. De wereld is een dorp vandaag.’ Jongen, hij zei het echt terwijl hij toch niet zo heel veel ouder leek dan ik. Ook bleek hij spraakzamer dan je van iemand met op zijn gezicht de drievoudige haargroei van een oppersovjet zou verwachten.
          ‘Mensen, dieren, gewassen, iedereen en alles reist de wereld rond. Vroeger leefden we in hokjes, netjes van elkaar gescheiden, vandaag loopt alles door elkaar. Kop noch staart krijg je eraan. Daar komt dan weer al verwarring vandaan, misverstand en trammelant.’ Die verzuchting liet ik voor wat het was. Ik speel niet mee in het vroeger-was-alles-beter orkest. Een verhaal van alle tijden. Als het vroeger zoveel beter was moesten we ons maar weer gaan tooien in dierenhuid en bij de beren in holen gaan leven.

          ‘Waarom zijn ze hier dan?’ vroeg ik.
          ‘Ha!’ zei hij opgewekt, ‘dat is de vraag van één miljoen.’ Kleine vuurlichtjes flikkerden in zijn ogen, op de rozige middellijn tussen snor en sik verscheen een zweem van een glimlach.
          ‘De lama,’ hij vertelde fluisterend en gewichtig als een voorleesouder aan een kinderbed, ‘draagt het kleine geheim van het grote geluk in zich.’
          ‘Het geheim van het geluk!’ herhaalde ik ietwat ontdaan.
          ‘Kom mee en leer,’ zei de man. Hij stond op, opende het poortje van de weide en stapte op de viervoeters toe.
          ‘Livio,’ sprak hij tot een gevlekte herkauwer, ‘deze jongen hier is …’
          ‘Schrijver,’ lispelde ik beduusd.’ Livio keek naar me met de grote, kastanjebruine ogen van een exotische prinses in een Disneyfilm, ontwapenend onschuldig. Veel indruk maakte mijn verschijning blijkbaar niet, onverstoorbaar bleven zijn kaken malen.
          ‘Als hij je niet mocht, spuwde hij zijn lunch wel in je gezicht,’ glimlachte de man. Toen stopte hij een touw in mijn handen.
          ‘Ga maar,’ zei hij, ‘je zal wel zien.’ Ik stapte naar het poortje, mak en inschikkelijk stapte Livio met me mee. Volslagen vreemden voor elkaar waren we, we woonden in andere werelden, communiceren konden we enkel met onze ogen, de spiegels van de ziel. Toch voelde ik meteen: wij begrijpen elkaar. Er groeide gestaag verstandhouding tussen ons. Livio stapte trager dan ik, had hier en daar meer tijd nodig. Ik paste mijn tred aan zijn tempo aan. Wanneer hij halthield, wachtte ik geduldig. Zij aan zij gingen we dan eens rechts, dan weer links, het touw bungelde als een slappe koord tussen ons in. Wie wie leidde? Wie zal het zeggen?
          Lama’s zijn van aard nieuwsgieriger dan bijbelse vrouwen. Alles wilde hij zien, elk geluid in zich opnemen, elke geur opsnuiven. Wanneer iets zijn aandacht trok, maakte hij pas op de plaats, stak de neus in de lucht, spitste de oren, zoog door de brede neusgaten de reuk naar binnen. Ik liet hem, tot hij klaar was of ik het genoeg vond. Dan stapte hij zonder tegenstribbelen weer gedwee naast me mee. Ik gunde hem zijn pleziertje en hij mij het mijne. Leven en laten leven, ik ben een lama in het diepst van mijn gedachten.

          ‘Het grote geheim van het kleine geluk, of was het omgekeerd? Hoe moeilijk kan het zijn?’ vroeg ik de man toen ik hem het touw weer overhandigde.
          ‘Wij mensen praten te veel en luisteren te weinig. We zijn doof en blind voor wat de natuur ons voorleeft,’ bromde hij vanonder zijn knevel. Hij sloot het poortje, zette zich weer op zijn bankje, liet zijn hoofd zakken op zijn borst.  In diepe gedachten verzonken wandelde ik weer naar huis.
          Hoewel wat frisjes voor de tijd van het jaar, was het waarlijk weer een mooie dag geworden.

Laat mij uw Herder zijn

Eerwaarde Kardinalen

          Om maar meteen de kelk te laten rondgaan: met deze bescheiden encycliek wens ik mij kandidaat te stellen voor de vrijgekomen plaats op de stoel van Petrus, gods gezant op aarde, vader van alle schepselen. Een kinderdroom gaat in vervulling: nog voor ik devoot met de ogen toe de eerste hostie in mijn leven liet smelten op mijn tong, droomde ik er al van hoeder te mogen zijn van armen en verdrukten, trooster van bedroefden, heler van klein en groot verdriet.

          In het bijzonder trof mij in uw vacature het aanbod van levenslang gratis kost en inwoon. Als een bruidegom naar het bruidsbed kijk ik uit naar mijn intrek in de pauselijke paleizen. De in de loop der eeuwen vergaarde kunstwerken zal ik bewonderen en bewaren als een goede huisvader, nederig zal ik smikkelen wat de pot mij schaft. Culinair veeleisend ben ik niet. Een zachtgekookt eitje, vier minuten op de kop in tegen het kookpunt borrelend water bij het ontbijt. Een gebraden kippetje op zijn tijd. Af en toe iets van de Thai of de Chinees. Immers, van alle schapen wil ik herder zijn, op alle weiden wil ik grazen (beschouw dit laatste beeld als een metafoor). Daarbij een vraagje: bepaalt de paus zelf het menu of kiest de kok voor hem? In het tweede geval zag ik graag Johan Segers als chef de cuisine in de Vaticaanse keuken. Bloemkool met witte beuling, lekker.

          Werkkledij en wagen op kosten van het werk. Dankzij de vaste lijn van mijn troon naar de provider in de hemel is er geen nood aan een mobiele telefoon. Geen Orange, Proximus of Telenet, een zegen. Het scheelt een flinke slok op de wijn en een hoop gedoe. Voor boodschappenlijstjes, afspraken en agenda zorgen de zusters, mag ik hopen. Er bestaan, de heer zij geloofd, gelukkig ook nog kwezels die belangeloos willen dienen.
          Mijn zomers laat ik gaarne doorgaan in het Apostolisch Paleis van Castel Gandolfo, lekker dicht bij Rome. Verre reizen op kosten van de zaak maakt een paus voor zijn werken immers al het hele jaar door.

          Waarom mijn kandidatuur uw beraad in afzondering wellicht tot hooguit een weekenduitstapje zal inkorten? Mijn 67ste geboortedag staat voor de deur, veel te pril nog om onbekommerd vrij te luieren en te potverteren, ik ben het hier met ’s lands bestuurders eens. Het leven is lijden en luiheid des duivels oorkussen. Net als mijn op tweede paasdag naar de hemel opgestegen voorganger wil ik ernaar streven mijn roeping te vervullen tot mijn laatste snik.

          Ervaring in het herderschap vergaarde ik in de jaren die ik wijdde aan het onderrichten van kennis en vaardigheden en het voorleven van normen en waarden aan opgeschoten jongelui die er geen graten in zagen in volle klas hun puisten uit te knijpen of neuskeutels weg te schieten. Dat deed ik met bezieling, geduld en overgave. Waar iemand de draad verloor, raapte ik hem op. Wie doolde wees ik de weg. Wie met de duivel verkeerde, leidde ik naar maagd of engel. Dat pad mag ik vandaag beschouwen als een leerschool, een opstap voor de zware opdracht die de heer op mijn schouders legt, te weten het leiden van gods kudde door dagen van twijfel aan mensheid en geloof.

          Beknopt ontvouw ik u mijn herderlijke ambities. Het moge in uw oren klinken als oude wijn in nieuwe zakken, niet alle puin werd al geruimd, niet alle schuld beleden, niet alle zonden zijn vergeven. Ootmoedig buigen van de kerk voor alle mannen, vrouwen en kinderen die in de loop der eeuwen in naam van de heer werden mismeesterd, misbruikt, vermoord. Een penitentie is hier op zijn plaats, het mag wat meer zijn dan drie keer een rozenkrans, tien onze vaders en evenveel weesgegroetjes. Eveneens een knieval voor het vaak wat dubieuze standpunt in tijden van vuurhaard en conflict zoals halfweg de voorbije eeuw in onze contreien hier en heden ten dage in het Midden-Oosten.
          Waar ook de pauselijke vlucht landen zal, ik zal er knielen en mijn lippen op de aarde drukken. Elke grond is even heilig, wie er ook wandelt, woont of werkt, elkeen is voor de vader een kind van god.
          Met vuur en zwaard en een tong als een machete zal ik strijden tegen de zeven ondeugden die van oudsher onze vijand zijn, tegen afgunst en hoogmoed, tegen hebzucht, gulzigheid en wellust, tegen woede en de hang naar nietsdoen en lanterfanterij. Niet alleen binnen de gemeenschap van ons geloof maar ook ver daarbuiten wil ik weer de vlaggen hijsen waarop de oude waarden prijken zoals de heer ze in de oudheid in stenen heeft gebeiteld: de hongerigen zal ik spijzen, een boterham met kop of kaas, de dorstigen laven, een rondje kan er altijd wel af, de naakten kleden, tweedehands eventueel of uit de Kringloop, de vreemdelingen herbergen, maar dan écht, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken en, ook in Gaza, de doden begraven.

          In de hoop, beminde en geëerde leden van de clerus, dat u deze kandidaatstelling in volle vertrouwen wil overwegen, toon ik me graag bereid mijn ideeën en ambities oraal te komen toelichten opdat spoedig uit uw schouw vrank en vrolijk witte rook moge kringelen.

          Met ingetogen groet

Boulevard Nostalgie

          Als koorknaap zong ik als sopraantje ooit mee het Hooglied in de paasmis. Met passie en met overgave loofde ik de werken van de heer. Doe alles wat je doet met hart en ziel, het zat er heel vroeg bij mij al in. Aan die dagen moest ik denken bij Joan Osborne, What if God was one of us (632). Goede vraag, dacht ik. Hij zou zich vast ook enige vragen stellen bij zijn schepping.

          Veertig dagen eerder al bereidden we ons voor. Op een woensdagochtend wipten we voor school even snel de kerk in waar een oude priester zijn duim in een zwart goedje doopte en die smurrie met twee ruwe vegen uitsmeerde op je voorhoofd. Zonder kruis van as kwam je niet in de klas. Als boetedoening voor je pekelzonden beloofde je god in de hemel en je moeder aan de haard veertig dagen niet te snoepen, te liegen of te bedriegen tijdens Mikado of Mens-Erger-Je-Niet.  

          Het sopraantje werd een barse bas. Ook gingen de liturgische feesten een toontje lager zingen. Kerst en Pasen verloren hun hemelse klanken. Wie staat nog stil bij het verraad van de apostel op Witte Donderdag? Wie hoort nog het luiden van de klokken, het scheuren van de tempel op Goede Vrijdag? Wie verzaakt op de sterfdag van Jezus nog aan alle vlees? Wie viert nog de verrijzenis voor het rapen van de eieren? Zeg maar niets meer. The Times they are a Changing, staat vast ook wel ergens in de lijst.

          De heilige week is nu gewoon de tweede week van de Classics 1000 op Radio 1. Veertien dagen geleden dansten Martha Reeves and The Vandellas in The Streets (1000) en begon het aftellen naar paasavond. Elk liedje brengt een memorie met zich mee, vormt een stipje op de tijdlijn van je leven, was een stapsteen in je bestaan. 
          Hoeveel tijd verdoen we met terugblikken naar wat voorbij is? Father and Son (462) was een  lijflied toen mijn vader nog een issue was en werd het een tweede keer toen ikzelf issue werd voor mijn zoon, inmiddels even oud als Jezus toen hij opstond uit de doden en net als zijn vader even goddelijk.
          Joe Cocker teleporteerde me naar de wei van Woodstock waar ik vanzelfsprekend nog nooit was maar die ik vanuit mijn bed kon ruiken bij het bulderende With a Little Help from my Friends (458) in de dagen dat baard- en schaamhaar donzig gingen groeien, dat waren nog eens tijden. Waar is die oermens toch gebleven, vroeg ik me af bij het stukje pottenbakkersmuzak N’Oubliez Jamais (633). Ach, vergeet het.

          I still haven’t found what I’m looking for (823). Nog altijd niet. Het zoeken is meer waard dan het vinden. Ik waan me weer in mijn antieke Renault 6 op weg naar een waterpolowedstrijd, kant A van de cassette U2’s The Joshua Tree, kant B Automatic For the People van R.E.M. met Losing My Religion (83). Dat deden we dan samen.
          Ik monkel bij Every Breath you Take (826). Een collega koos het ooit als openingsdans op zijn trouwfeest. Waar je gaat, waar je staat, wat je zegt, wat je doet, ik houd je in de gaten. Klinkt als een vrijbrief voor Blok C, cel 14 in de Begijnenstraat.

          Ach, hoe lichtvoetig hitte ik de vloer op Tainted Love (817) in ’t Wilgenhof of de Parochiezaal van ’s Gravenwezel, dertig kilogram minder en evenveel jaren geleden? Ze draaiden elke keer ook La Bamba toen, de kuskesdans. Dat zie ik ze vandaag in Club Lima niet meer doen. Vast grensoverschrijdend.
          The Doors riden on the storm (komt vast op de laatste dag) naar mijn vervallen zolderkamer in het ouderlijk huis waar ik een artiestenleven wilde leiden, compleet met matras op de grond en van zelfgerolde peuken uitpuilende groene Tigra-asbak. Van onder een ruwe dikke deken zou ik er de Vlaamse Dostojewski worden. Niet gelukt. Ik ben gewoon geworden wie ik blijkbaar worden moest. Dromen zijn bedrog, dat hoeft niet eens in de lijst.

          De Classics is veertien dagen lang in rode schoenen de bleus dansen. Meer nog dan nectar en ambrozijn voor het oor, is het balsem voor de ziel. Een weemoedige wandeling langs Boulevard Nostalgie. Een paternoster van herinneringen. Vaak zitten daar glinsterende parels tussen, soms doffe bollen. Straks, wanneer het einde nadert en het gordijn gaat vallen, kennen we de nieuwe nummer 1.
          Mijn psalm zal dit jaar van Frank Sinatra zijn.  

For what is a man, what has he got?
If not himself, then he has naught
To say the things he truly feels
And not the words of one who kneels
The record shows I took the blows
And did it my way

          Ik hoop voor u hetzelfde.

Mijn gedacht

          Laat me gerust.
          Waag het niet.
          Vraag me niet wat ik denk over dat vonnis van die rechter over die dronken jongen en dat nog meer dronken meisje. Ik kan niet met kennis spreken, ik heb het dossier niet gelezen.
          Vraag me niet mijn mening over de veroordeling van die populaire Franse politica. Meer dan wie zijn gat brandt moet ook op de blaren zitten kan ik niet meteen bedenken.
          Vraag me niets over invoertarieven, Tom Waes of de spurt van Wout van Aert. In tegenstelling tot de rest van de bevolking, heb ik over weinig zaken echt een mening. De dingen gaan zoals ze gaan.
          Et alors?

          Rechtspraak weer in opspraak. Iedereen edelachtbaar: de rechter doet zijn taak niet, dat vonnis is te mild, justitie is corrupt. Elkeen heeft zo zijn gedacht en moet het aan de wereld kwijt.
          Ik kom uit andere tijden. Toen ik nog in korte broek liep, eerlijk en oprecht geloofde in Sinterklaas en ooievaars en je voor drie smoelentrekkers één enkele Belgische Frank betaalde, gebeurde het weleens dat mijn moeder me een onleesbaar lange boodschappenlijst in de handen drukte, een draagtas om de nek hing waar ik zelf in verdwijnen kon en een briefje van honderd frank in mijn broekzak propte met de vraag die niet echt als vraag bedoeld was: ‘Ga jij voor mij even naar de winkel?’
          Met zware voeten slofte ik dan naar de kleine kruidenier op de hoek. Daar diende ik de lijst te overhandigen aan de altijd nors kijkende winkelierster, tien minuten doelloos te staan dralen, het bankbriefje op de toonbank te leggen waarbij ik vooral niet vergeten mocht het wisselgeld te incasseren om dan mijn zware vracht als het sleepnet van een visser achter me aan naar huis te slepen.

          Honderd frank was in die tijd veel geld en al zeg ik het zelf, ik was niet het botste mes in de la. Op een dag bedacht mijn rechtvaardigheidsgevoel dat tegenover zware arbeid evenredige verloning hoort te staan. Loon noch zakgeld keerde mijn moeder uit, van haar zou het niet komen. Zelfzorg dus. Ik kende dan misschien het woord nog niet, diep vanbinnen voelde ik er wel de noodzaak van. Waarom mijzelf niet van de vele wisselgeld een bescheiden toelage toebedeeld teneinde me voor dit bovenmenselijk labeur te belonen met een zwarte nestel, een colalolly of drie smoelentrekkers? Plus, één of twee frank, dat zou mijn moeder vast nooit merken.

          Ach, hoe schoon toch de onschuld van een kind.
          Mijn moeder leidde haar gezin als een generaal zijn leger. Orde moest er zijn, discipline. Alles hoorde ze, alles zag ze, alles wist ze, ook dingen die zij onmogelijk weten kon. Zij kende van elk product precies de prijs, wist exact wanneer de aardappelen het goedkoopst waren en de rode bieten het duurst en boven alles besefte zij heel goed tot welke snode daden de vruchten van haar schoot capabel waren. Appelen, met hoevelen ze ook mogen groeien, vallen nooit ver van de boom. Over de boom die deze appelen had afgeschud kon ze boeken schrijven waarvan je oren spontaan blozen gingen. Toch bleef ze ondanks alles om haar vinger trouw de ring dragen die mijn vader daar jaren eerder met twinkelende ogen en brandend buikgevoel overheen geschoven had.

          Wie zijn kinderen liefheeft spaart de roede niet.
          Zij heeft haar kinderen innig liefgehad, mijn moeder. Na een gesprek dat geen gesprek mag worden genoemd – ‘Is dat alles?’,  ‘Ja.’, ‘Je weet het zeker?’, ‘Euh …, ja.’, ‘Leugenaar,’ – kon ik in de spiegel van de badkamer door mijn tranen heen de afdruk van haar trouwring op mijn wangen zien. Twee ringen links, twee ringen rechts. Mijn moeder was onderzoeker, rechter en beul in één persoon. Een drievuldigheid, in moeders wonen massa’s mensen.
          Ik had mijn straf kritiekloos te aanvaarden. Ik droeg schuld, ik moest boeten. Moeders wil was wet, zoals die van de gendarme op straat, de meester op school, de rechter in de rechtszaal.
          Aan gezag werd niet getornd.

          Dat ligt vandaag dus anders. Voor de ene is een straf te licht, voor een andere te zwaar, wie het niet zint komt de straat op.
          Ik doe niet mee. Ik weet te weinig van de wet, ken de finesses van al die zaken niet.
          Daar staat tegenover: hoe ongelovig ik ook ben, ik geloof.
          In de wetten die onze verkozenen in onze naam hebben uitgevaardigd.
          In de rechtschapenheid van zij die over feiten moeten oordelen en weten waar ze over praten. Dura lex, sed lex. Dat rommelt weleens in de onderbuik.  Precies daarvoor dient dan ook die wet, denk ik dan, om boven de emoties recht te spreken.

          Mijn moeder had meer dan eens gelijk, ze had vaak ook ongelijk. Zij deed wat zij dacht te moeten doen, naar best vermogen, volgens de zeden van haar tijd, met de middelen die het lot haar had toebedeeld.
          Daar moest ik de voorbije week vaak aan denken.
          En aan die ring die ze in haar graf heeft meegenomen.

Nabijkijker

          Het leven is een strijd, verzuchtte mijn oma vaak. Een angstaanjagende gedachte, vond ik als kind. En iets om over na te denken. Ik wist toen nog niet dat oma haar wijsheiden haalde van de wit met blauwe tegeltjes op de muren van haar salon. Of blauw met wit, kan ook. Het leven is naast strijd ook twijfel.
          In een wat laffe poging de veldslag van het bestaan even te ontvluchten trok ik me enkele dagen terug. Tijd had ik nodig. En ruimte. En rust in mijn hoofd.  

          Dikke trui, warme sjaal, stevige schoenen. Een onzichtbare gezagvoerder drukte op Start en als vanzelf zette ik de ene voet voor de andere. Gezellig kuieren op het strand, zoals dat heet. Therapeutisch uitwaaien, zegt de psycholoog.
          De milde bries dolde lichtvoetig met het korrelige zand. Plagerig spoelden golfjes over mijn naakte voeten. De oeverloze zee deed onverstoord wat ze al miljoenen jaren doet. Als het god en de mens belieft zal ze dat nog miljoenen jaren blijven doen.

          Moedig voorwaarts stapte ik. Mijn gedachten namen intussen als kippen op een erf de vrije loop. Een mens is niet meer dan een druppel in de oceaan van de geschiedenis, filosofeerde ik. Diep lijkende aforismen verzinnen is toevallig één van mijn specialiteiten. Links van me wiegde onvermoeid het helmgras op de duinen, rechts ruiste monotoon de branding, ver voor me schemerde een badstad waarvan de naam me niet te binnen wilde schieten in een doorzichtig negligé van mist. Onvermoeid dansten onderwijl op het ritme van de golven mijn gedachten de Tango der Zwaarmoedigheid. Soms moet je de wind eens stevig door je hersens laten waaien, vond mijn oma destijds al.

          Na enige tijd waren mijn hersens suf gewaaid. Ik probeerde nergens nog aan te denken. Ook daarin faalde ik. Naar het schijnt bestaan er mensen die dat kunnen, aan helemaal niets denken. Er bestaan naar het schijnt ook mensen die de Lotto winnen, in aliens of Donald Trump geloven of een leven lang gelukkig zijn. Als ik nergens aan wil denken, kan ik alleen maar denken dat ik nergens aan wil denken. Daar denk ik dan meteen ook bij: ik denk, dus ik ben. Terwijl, soms ben ik liever niet. Vermaarde filosofen relativeren is ook één van mijn specialiteiten. Wat een luxe zou het zijn toch, mocht het leven je af en toe een time-out toestaan. Even bijkomen op een bankje aan de zijlijn en dan weer hela hola hopsasa.

          Twee uur later keerde ik op mijn stappen terug. Een mens keert altijd weer terug naar zijn bron, komt dat van mijn oma of is dat naar het schijnt?  Vast staat dat na elke nacht een ochtend volgt, na de winter de lente komt, na de storm altijd de lucht weer klaart. Drie blauw op witte tegeltjes aan oma’s muur, het zal dus wel de waarheid zijn. Ik hief het hoofd, staarde niet langer in het diepste van mezelf maar richtte de blik naar de wijde wereld. Moedige zonnestralen spietsten door het negligé. Het strand kleurde glinsterend goud. Opgewonden krijste boven mijn hoofd een meeuw. Een jonge hond kwispelstaartte naar me toe, hij wil alleen maar spelen, glimlachte verontschuldigend een vrouw, niet de jongste meer maar mooi gebronsd toch, blonde krullen, in haar ogen nog altijd de mysterieuze blik van een meisje.

          Ietwat vermoeid struinde ik op de dijk voorbij de doodse etalages en gesloten restaurants. Achter het raam van een gelijkvloers appartement prijkte parmantig een verrekijker van welhaast telescopische omvang, het zwarte oog starend naar het strand. Wtf, schoot het door mijn hoofd – ik probeer immers wanhopig bij de tijd te blijven – wat doet dat ding daar? Voor de Belgische kust zal je niet gauw een dolfijntje vrolijk een buiteling zien maken en happen naar het schuim op de golven. Er dobberen hier niet als op een oud schilderij pittoreske vissersboten voorbij. Aan de einder passeert niet statig een cruiseschip. En de wondere wereld der vissen in de Noordzee bestudeer je vast met ander materiaal.

          Hier woont, bedacht ik toen kwaadaardig, en eenzame mijnheer. Bij mooi weer speurt hij het strand af op zoek naar schaars geklede vrouwen, richt hij misschien wel het vizier op hun borsten of hun dijen waar hij zich dan likkebaardend aan verlekkert. Wie weet wat daar nog allemaal komt bij kijken. Verhalen verzinnen zonder grond is ook een specialiteit.
          Voor ik het zelf goed en wel besefte hield ik mijn vinger aan de deurbel. Foei mijnheer, zou ik zeggen. Op uw leeftijd! Foei, foei, foei. Schamen moet u zich! Stop daarmee, zonder dralen! Wees blij dat ik niet de ordediensten alarmeer, pers en media informeer, u op X en Facebook exposeer. Dit is wat u hic et nunc gaat doen. U richt uw lens naar binnen, naar de krochten van uw hart. Exploreert u maar een keer wat daar zoal gaande is. En leer. Ik zeg het u geen tweede keer. Als ik hier op een later tijdstip weer passeer, staat uw kijker omgekeerd.

          Dat alles zou ik zeggen. Dat deed ik echter niet. Ik liet de bel voor wat ze was. Ik was immers nooit een held, ik zal er ook nooit een worden. Als ieder voor zijn eigen deur veegt, zei oma altijd, is gans de straat proper.
          Ik had nog wel wat veegwerk voor de boeg.  

In zijn hoofd

          De mare wil dat Anjet Daantje van haar omvangrijke oeuvre geen letter aan de straatstenen slijten kon tot op een dag haar Het lied van Ooievaar en Dromedaris doorheen de dijken brak. Meer dan honderdduizend exemplaren schoven over de toonbank.
          Zo snel kan het gaan. Heel lang is er niets en hupsakee, voor je het doorhebt zoek je in een Afspraak met Bart naar de meerwaarde in je werk, zit je vrolijk te wezen aan een tafel met Gert en Zoon of in de diepte van je hersenspinsels te graven met een schnabbelende letterkundige in een of andere stadsbibliotheek.
          Het was dus niet uit hovaardigheid doch louter en alleen ter voorbereiding op wat nog niet is maar onverwacht wel komen kan, dat ik voor de spiegel in de badkamer een vraaggesprek oefende met mezelf:

Beste mijnheer De Schrijver …
          Doe maar gewoon De Schrijver.

Gewoon De Schrijver. Vertelt u eens: hoe ziet een dag van een schrijver er doorgaans uit?
          Ach, weet u. Finaal is een schrijver ook maar een mens die zo omstreeks half acht krakend uit de bedstee tuimelt. Hij drinkt koffie met melk, smeert vier sneetjes witbrood met een velletje kaas, een fijne vleeswaar of een eitje op zijn tijd.

U spreekt over uzelf in de derde persoon?
          Waaruit enige bescheidenheid blijkt, vindt u ook niet? Johan Cruyff deed het ook. Geen schrijver weliswaar maar onmiskenbaar ook wel een talentje.

Hoe gaat de dag dan verder?
          Louter voor de spielerei murmelt de schrijver binnensmonds soms samen met de nieuwsvrouw op de radio de filelijsten mee. Een kleine hersenoefening, zeg maar. Het Vierarmenkruispunt, de Ring rond Brussel, de flessenhals aan de Craybeckxtunnel, de Echternachprocessie richting Nederland vanaf Sint-Anna Linkeroever tot Borgerhout. Ook een schrijver heeft soms nood aan zekerheden in het leven.

Wanneer zet u zich dan actief aan het schrijven?
          U moet rekenen, het pad van een auteur is met struikelstenen bezaaid. Enerzijds moet hij als een spons de berichten uit de wereld absorberen, anderzijds dient hij diezelfde wereld buiten de muren van zijn eigen universum te houden. Een intellectuele spreidstand van Olympisch niveau als u mij vraagt. Dat u dat niet doet, valt te betreuren.

Concreet: wanneer begint dan echt het schrijfwerk?
          Het is opdracht van de schrijver de wereld te begrijpen. Geen eenvoudige taak. Neem nu dat zogenaamde vredesvoorstel over Oekraïne. Geef je over, laat de bezetter wat hij veroverd heeft, verkoop ons de bodemrijkdommen van wat overblijft en we praten er niet meer over. Zoiets begrijpen vraagt diepgaand denkwerk. Daar kan zelfs de creatiefste uithoek van je brein maar moeilijk bij. Wie gelooft die mensen nog? Dit heeft deze schrijver inmiddels wel geleerd: de domheid van je medemens mag je nooit onderschatten.

De actualiteit belemmert dus uw werk?
          Troost biedt gelukkig nog de sport. Spelen voor het volk, maar kom. Club Brugge verlaat Champions League met opgeheven hoofd. Mooi is dat. Een opgeheven hoofd is heel wat waard vandaag de dag. De meeste mensen lopen met de blik al half in het graf. Dat doet een schrijver niet, hij gelooft als een rots in de maakbaarheid der dingen.

Daadwerkelijk schrijven begint zowat tegen de middag dan?
          Misschien eerst de geest nog laten warmlopen met een kruiswoordpuzzel. Anders blijft dat nieuws maar zeuren in je hoofd. Dat stremt het creatieve proces. Neem nu Amerikaans Milieubeschermingsagentschap steekt dolk door het hart van klimaatreligie en schrapt tientallen milieumaatregelen, zoiets hakt er echt wel stevig in. Een Zweeds raadsel verricht dan weleens een klein wonder.

De dag schuift intussen wel flink op.
          Gelijk heeft u. Helemaal. Omdat je dan eerst ook nog het wereldwijde web voorbij moet. Tijdens research stoot een schrijver weleens onbedoeld op een stukje Shakespeare door een acteur wiens gezicht hij vaag herkent. Blind van nieuwsgierigheid slibbert hij het konijnenhol in: wie is die man, waar heeft hij hem nog gezien? Aha! Ben Wishaw, Black Doves, Netflix. Met Keira Knightley. O kijk, een vraaggesprek met allebei over the making off. Kan je als schrijver natuurlijk onmogelijk laten liggen. Intussen verglijdt de tijd als water naar de zee, zoals de dichter zegt.

Laatste vraag alweer: wanneer zet u dan effectief het eerste woord op papier?
          Een schrijver die niet produceert, gaat zich al gauw schuldig voelen. Er moet gewerkt worden. Meer dan ooit regeert de middenstand het land, of zij dat beter doet dan ooit tevoren is nog maar de vraag. Hoe dan ook, nietsdoen als die krekel met zijn viool mag als schuldig verzuim worden beschouwd, minder erg nog dan roken in het openbaar maar kwalijker dan je schoonmoeder vergiftigen met eigenhandig bij elkaar geplukte paddenstoelen.

U noemt zich schrijver maar … schrijft u eigenlijk wel?
          Laat me zeggen: de meeste arbeid gebeurt in het hoofd. In het hoofd is alles heel eenvoudig. In het hoofd valt alles op zijn plaats. Er is tijd voor eender welke richting. Er is plaats voor eender welke stroof.

Dat zijn toch verzen van …
          Raymond, jazeker. Dichters dichten, grote dichters stelen. Picasso, als ik me niet vergis.

Mijnheer Gewoon De Schrijver, ik dank u voor dit gesprek.
          Geen dank. Met graagte gedaan.

          Voldaan kijk ik in de spiegel. Het komt wel goed bij Bart of Gert.

Klein Johanneke

          In de rubriek ‘Verschijnselen die niemand kan verklaren’, in willekeurige volgorde:

  1. Waarom in de Bermudadriehoek schepen spoorloos van de radar gaan.
  2. Hoe cirkels in het graan ontstaan.
  3. Waarom in de dag gebeurt wat je de voorbije nacht droomde.
  4. De wereld van Tom Wouters.

          U kent Tom Wouters niet? Tom is een vriend van me. Een gewone jongen, bedachtzaam en bescheiden, partner, vader, een mens van vlees en bloed, beenderen en organen, bij elkaar gehouden door een vlies zo dun dat je er met een oognaald gaatjes in kan prikken. Belachelijk genoeg bepaalt de kleur van dat vel hoe jij jezelf ziet en hoe anderen naar jou kijken, doch dit geheel terzijde.
          Merkwaardig aan Tom is wat in zijn hoofd gebeurt. Het klotst en gutst en gist er. Het knerpt en knispert, klettert en knalt. Vuurpijlen van verbeelding spuwt hij van onder zijn schedelpan de ruimte in, zijn imaginatie is een heelal dat geen grenzen kent, zijn verzinsels reiken tot de verst gelegen uithoek van de Melkweg en daar nog een eind voorbij. Klikt u straks maar even door naar https://www.hetongerijmde.eu/ en laat u gidsen in een wereld die alleen Tom ontginnen kan. Bent u toevallig van professie uitgever van onbekende meesters, doe deze jongen een bod dat hij niet weigeren kan. Al weet je natuurlijk met Tom Wouters nooit, maar dat geheel terzijde.

          Eerder deze week verhaalde Tom over letters die hij miste in het alfabet. Ooit kenden wij er veertig, fabuleerde hij, ellendig genoeg kon hij zich de verloren letters niet meer voor de geest toveren waardoor hij naar eigen zeggen ook niet langer schrijven kan. Niet kunnen schrijven is voor een schrijver een verschrikking, hij wordt een wielrenner zonder fiets, een nieuwslezer zonder tekst, een dag zonder weer.
          Zo een dag bestaat natuurlijk niet, maar laten we dat terzijde houden.

          Tom is dus een vriend. Vrienden helpen elkaar. Daarom Tom, voor jou, het waar gebeurde verhaal van klein Johanneke, ter lering en vermaak.
          Klein Johanneke was een guitig manneke dat lang geleden mijn klaslokaal kwam ingewaaid. Ik was in die dagen klassenleraar – waarom men in het onderwijs verkeerdelijk doch hardnekkig blijft volharden bij dat afgrijslijke titularis is ook een verschijnsel dat niemand kan verklaren, ook dat geheel terzijde – van het eerste leerjaar B, de brugklas. Een kind dat om een of andere reden slechts moeizaam de basisschool had doorworsteld en daarbij matig tot geen succes geoogst had, kon via 1B alsnog proberen de waterval naar het buitengewoon onderwijs te ontwijken. Vaak torsten deze twaalfjarigen een rugzak met een te zwaar leven op hun rug, veelal hadden ze daarbij ook een flinke leerachterstand opgelopen en een nog grotere afkeer van school en leren opgebouwd terwijl ze hoe dan ook nog zes jaar secundair onderwijs voor zich hadden liggen. Secundair overigens vind ik even lelijk als titularis, een futiel terzijde tussendoor.

          Voor de leerkrachten was het dus in de eerste plaats zaak deze kinderen weer bij de les te krijgen. Ze te laten zien dat school naast nuttig ook leuk kan zijn. En dat niets onhaalbaar hoeft te zijn. Ja, ik pamperde mijn leerlingen. Ik was er zo eentje die meer gelooft in belonen dan sanctioneren. Die een schouderklop verkiest boven een ranseling met de karwats. Die gelooft in vriendelijkheid en vertrouwen meer dan in de harde hand. Dat doe ik nog altijd, u mag daarvan denken wat u denken wil. Een ei was ik, een softie, een mei ’68’er, een wokie. Daar ben ik overigens best wel fier op, doch dit geheel terzijde.

          De hoofddoelstelling van mijn eerste les Nederlands was succeservaring. Een lage lat leggen waar iedereen overheen kon en die dan langzaam hoger leggen. Mijn leerlingen waren in hoofdzaak meer handvaardig dan verbaal, dus presenteerde ik hen op een gulden schotel de bouwstenen van de taal: de letters van het alfabet. In les 1 legde ik drie vragen voor, in les 2 waren diezelfde vragen ook hun eerste toets:

  1. Hoeveel letters telt ons alfabet?
  2. Schrijf ze op in de juiste volgorde.
  3. Welke klinkers ken je?

Een tien op tien toets, goed begonnen is half gewonnen.

          Alzo antwoordde klein Johanneke:

  1. 40
  2. Van die veertig kreeg hij er zestien op papier, welke dat waren herinner ik me niet meer.
  3. Een klinker is een steen zoals thuis op de oprit.

          Op de toets in les 2 haalde klein Johanneke tien op tien. Zijn eerste tien voor taal ooit. Ik zie nu nog altijd voor me hoe hij straalde. In de jaren die volgden leerde hij moedig lezen en schrijven, rekenen, meten, passen en lassen.
          Ik kan niet zeggen wie van ons zes jaar later in de aula van de parochie het hardst glunderde: vooraan op het podium klein Johanneke die van de directeur zijn getuigschrift Lassen-Constructie in de handen kreeg gestopt of achteraan in het donker wij, dat korps van 1B.

          Om maar te zeggen, Tom, als je echt niet langer schrijven kan, je kan altijd nog voor lasser gaan.
          Of leraar, ook een mooi beroep.

2061

          Lang geleden jogde ik – sukkeldraafde is misschien een beter woord – op een avond door de straten van mijn dorp. Ik zorgde er wel voor de uit de ramen tuimelende lichtkegels te ontwijken van De Mus en De Nieuwe Lantaarn. Ik wilde liever niet worden gezien terwijl ik met uitpuilende buik in krappe legging en fluorescerend hesje met Dankzij Humo staat hier geen andere onzin op de rug voorbij kwam hobbelen als een nijlpaard dat net een poot heeft laten amputeren.

          Ik was altijd een matig loper maar in die dagen wel een verbeten sporter. Sporten zuivert de geest en stelt inzichten helder. De voorbije zomer was ik nog de Col de la Madeleine op gefietst, enkel en alleen omwille van haar naam die me als een Lorelei had gelokt. Voor dag en dauw was ik aan mijn tent vertrokken, de andere kampeerders nipten aan hun derde aperitiefje toen ik laat in de namiddag weer op de camping arriveerde. Het was een dag geweest van ploeteren en zwoegen, stoempen en klauwen maar ik had het wel gehaald.
          Veel woorden maakte ik daaraan toen niet vuil. Ik ben eerder iemand die zijn pijntjes liever voor zichzelf houdt. Dat zit ons in de genen. In onze clan worden wij als clown geboren. Wij witten ons gezicht, stiften onze lippen en lachen uitdagend naar de wereld. Meesters van het masker, dat zijn wij. Dat besefte ik daar en toen, bovenop la Madeleine.

          Terwijl ik daar zo liep, begeleid door hier en daar wat gelig licht van een lantaarn, af en toe knikkend naar een wandelaar met een hond, diep verzonken in gedachten, hoorde ik in mijn hoofd plots klaar en helder een stem waarvan ik niet meteen kon zeggen of ze een man dan wel een vrouw toebehoorde:
          ‘Weet, Gij Schrijver, en besef, op de tel dat deze woorden op u nederdalen  bevindt gij u waarachtig en exact, onomstotelijk en gewis op het absolute midden van de tijdlijn van uw leven,’ waarop de stem even snel verdween als ze verschenen was en in mijn hoofd een stilte liet die de mens alleen ervaren kan voor hij wordt geboren of na zijn sterven.

          De stem had gesproken op een toon doordrenkt van overtuiging en gezag. Wie behoorde ze toe? Wie of wat in dit heelal kan mij met autoriteit vertellen wanneer mijn uur van gaan zal zijn gekomen? Dat kon voorwaar alleen toch maar … Ik voelde meer dan ik het werkelijk wist, ik was bezocht door een engel, de aartsengel, Gabriël, eerste gezant van god, hij die de maagd destijds berichtte dat ze onverwacht een kind zou baren.
          Dat de tweeslachtige zich verwaardigde een eenvoudig man in strakke legging te bezoeken met een boodschap, verbaasde mij geenszins. Zelfs Google Maps vindt heden ten dage vrijwel nergens nog een maagd en niemand wordt nog onverklaarbaar zwanger, eenieder heeft tegenwoordig overal een uitleg voor.

          Belangrijker nog dan wie was de vraag: waar had die gast het over? Als dit exact de helft van mijn leven is, berekende ik – rekenen uit het hoofd kon ik altijd al veel beter dan hardlopen of een Alpencol opfietsen, hoe verleidelijk ook haar naam, dan loop ik mijn finale ronde in 2061. 2061! Dan ben ik 103!
          Is dat werkelijk wat ik wil?

          Ik herinnerde me de jaren waarin ik nog niet volwassen hoefde zijn. De jaren waarin ik geloofde dat wanneer ik later groot en sterk zou zijn, de auto’s zouden zweven door het zwerk, de mensen in vrede leven, er weelde en overvloed zou zijn voor iedereen. Niemand hoefde nog te werken, als krekels zouden we dansen en zingen en fiedelen met de viool. Computers en machines zouden alle werk verrichten, ze zouden dat goed doen en met de beste bedoelingen voor iedereen, ongeacht afkomst, kleur, geloof. Niemand zou nog boosaardig zijn, afgunstig of gewoon maar ontevreden. We zouden blij en vrij zijn en reizen naar maan, Mars of liefst van al naar Venus. De minder begoeden onder ons waartoe ook ik behoorde konden minstens toch ook voor veertien dagen naar de zee of de Ardennen.

          In 2061, dat weet ik nu aan volwassenheid nauwelijks nog te ontsnappen valt, is de planeet gemiddeld vier graden warmer dan vandaag en moet hij elf miljard mensen voeden. In de Balkan spreekt men Russisch. Canada, Panama en Groenland zijn Verenigde Staten en Gaza is een populair vakantieoord. In 2061 moet je minstens 103 zijn om nog het verschil te kennen tussen Filistijn en Palestijn, om te weten dat Taiwan ooit geen China was, je te herinneren dat de Zoute Zeeën lang geleden Lage Landen waren.

          2061. Ik zie me in een stoeltje, voor het grote raam op de eerste verdieping van RVT De Oude Knook, een katoenen deken op schoot en uitzicht op het kerkhof, denkend aan wat eens was en nooit meer worden zal. Daarbij voel ik ook die onmacht, dat onnoemelijke spijt en het knagen van de vragen: waarom hebben we toen niet, had ik maar dat.
          En ik vraag me: is dat werkelijk wat ik wil?

Te doen of niet te doen

          In de gezellige bistro waar ik die middag een koffietje ging drinken, praatten de vrouw en haar vriendin aan het tafeltje naast het mijne zo luid dat ik niet anders kon dan hun discours beluisteren.
          ‘Voor ik aan de dag begin maak ik elke ochtend een to do-lijstje,’ zei de vrouw. Ze schreeuwde het haast uit opdat zowel de ober als ikzelf toch zeker zouden begrijpen hoe belangrijk en druk-druk-druk haar dagelijks bestaan wel was. ‘Daar zet ik dan klusjes op die op een mum verwerkt zijn, een bevestigingsmail sturen, een verjaardagskaart voor een collega schrijven, mijn balpennen rangschikken op kleur. Taakjes die ik dan meteen kan afvinken. Dat geeft extra stimulans voor wat ik allemaal nog te doen heb.’
          ‘Slim,’ antwoordde haar vriendin. Er klonk in haar stem iets droevigs door.
          ‘Sorry,’ zei de eerste vrouw,  ‘ik stond er niet bij stil. Misschien moeten we over wat anders praten, nu jij zo zonder werk …’
          ‘Nee hoor,’ antwoordde de vriendin, ‘Ik zat alleen te denken, wat wil ik in dit leven nog écht graag gaan doen. Niet zo heel veel, vrees ik.’

          Doe dan maar niets, dacht ik, dat is ook een actie.
          Onlangs had ik gelezen dat het mentaal gezonder voor een mens zou kunnen zijn een overzicht op te stellen van dingen die hij liever niet wil doen. Dat je van dingen niet doen misschien wel veel gelukkiger wordt.
          Bovenaan mijn lijst: ’s nachts niet langer met ogen open liggen piekeren tot de schaapjes met meer dan duizend zijn. De ochtend zou zich vast minder somber aandienen.
          Bij het ontbijt niet de radio aanzetten, een goede nummer twee. Geen onheilsberichten over importtarieven en handelsoorlogen, daar begrijp ik toch geen jota van. Ook geen doemverhalen bij je boterham over de belabberde toestand van het land, de torenhoge staatsschuld en werken tot je neervalt.
          Ook van de aan-knop van de laptop blijf ik af. Ik wil niet langer lezen over oude mannen die per se de wereld willen tonen hoe machtig en viriel ze nog wel zijn, over welk land nu weer moet worden aangehecht, welk volk nu weer geknecht, welk dispuut nu weer met bruut geweld beslecht. Geen woord meer wil ik horen over de zakenman die een volk van haar geboortegrond verjagen wil om op de puinhopen en ruïnes van een weggevaagde stad een aards paradijs neer te poten.  

          Ik ga vandaag niet scrollen op mijn socials, wil niet weer verdwalen in de doolhof van verleiding, verdrinken in de stroom van advertenties voor producten die ik niet eens ken, ga geen tijd verdoen aan spelletjes die mijn brein beledigen. Ook wil ik deze dag niet kwijt aan hartjes tellen bij mijn laatste post. De lezer lust het of hij lust het niet, daar heb ik weinig op te zeggen. Ik houd me ver van domme commentaren van domme mensen over doodgewone dingen, dan hoef ik me ook nergens over op te winden. Dat iedereen over alles een gedachte heeft, mij best, ik hoef het allemaal niet te weten, het kleurt mijn dag alleen maar grauw.

          Wat ik nog meer niet ga doen?
          Ik ga niet somber voor het raam wat voor me uit gaan zitten staren, mijmerend over wat is en wat had kunnen zijn. Beter trek ik een jas aan, trek het park in, maak een ommetje langs de kapster en laat haar mijn haren föhnen volgens de nieuwste mode. Terwijl ik wacht blader ik niet in het nieuwe lifestyle magazine dat me vertelt hoe ik beter leven moet, me voeden met avocado’s, granola en veel noten, superfijn voor je buik en darmen en daarbij een fikse scheut gemberthee met kokos en jasmijn. Oneindig veel bewegen, ik word al moe als ik het lees. Vandaag maar even niet. Een dag zonder kudo’s op Strava is daarom geen verloren dag.

          Ik kijk straks ook geen tv. Hoe weer een blik Bekende Vlamen een hoge berg over moet, in een gammel bootje dobbert op een oceaan of bepakt, gezakt en door camera’s omzwermd een potje gaat lopen huilen in een woestijn om het onheil dat het leven hen heeft toebedeeld, het interesseert me echt geen hol. Dat is nu eenmaal wat het leven doet. Ik heb ook zelf mijn portie weleens gehad, hoort u mij klagen? Ik dacht van niet. Zoals die Kreuner ook al zei: ik dans wel met mezelf.

          Dat alles dacht ik dus, die middag bij die koffie, naast twee druk koutende vrouwen. Ik wenkte de kelner, rekende af, trok mijn jas aan.
          ‘Een fijne dag nog dames,’ zei ik opgewekt.
          Buiten prikte een straaltje zon een gaatje door het wintergrijs. Op de kale takken van een boom hupte een roodborstje, tussen de wortels staken schuchter de eerste krokusjes hun kopjes uit de koude grond.

Pitch

VOOR

          Jij hebt een gedachte, een overtal aan woorden, een vlotte pen, de tijd. Je schrijft en schrapt zoals je het op school hebt geleerd. Je valt en staat weer op. Je vijlt en schaaft en op een dag ben je waarlijk de god die ziet dat het goed is. Het kan de deur uit zeg je, als was het je oudste zoon. De wereld in. In gedachten zie je jezelf achteloos voorbij etalages kuieren, de zon als een aureool om je hoofd. Hoe dichter bij de boekhandel, hoe trager je pas:
          ‘Kijk,’ wijs je naar de hele wereld, ‘daar, die harde cover.’ Dagen van Stof staat erop en daaronder in grote, sierlijke letters jouw naam.

          En als het niet zo gaat, dan maar niet, zeg je tegen jezelf. Geen kat overboord. Dit doe je immers toch alleen maar voor je eigen lol? Wat moet je anders? De Col du Galibier beklimmen lukt al lang niet meer, voor een hele dag kookprogramma’s kijken voel je je nog te jong.

          En inderdaad, zo gaat het niet.
          Je ontdekt de diepgang van bekende woorden: boekenvak, boekenmarkt, boekhandelaar. Je leert dat een vis niet zomaar zwemt vanuit de zee naar de boter op je bord. Dat wat jij maakt vanuit jouw hart met jouw zweet en jouw twijfels in jouw cocon in de grote wereld een product wordt. Jij, onwetende, naïeve schepper denkt: ik ben de bron, de as, van dit werk toch de kern. Het is al ijdelheid. Het gaat niet om jou.
          Stel: jij knutselt nauwgezet en met veel geduld ambachtelijk een negentiende-eeuws zakhorloge in elkaar. Je steekt er nachten van je leven in, koopt de delicaatste instrumenten, gebruikt de zeldzaamste en dus duurste materialen, je schept een werk van kunst, nergens en nog nooit gezien. Helaas voor jou, in deze tijden denkt men digitaal.

DE PITCH

          Dus je moet de straat op, je werk moet verkocht.
          Je blinkt je schoenen, studeert je praatje in. Waar je woont, wat je doet, wie je bent, wie je kent. Iets literairs ertussendoor: ‘het zaadje waaruit dit boek kon groeien,’ een grapje: ‘heel vaak schreef ik voor de liefde, met wisselend succes’, je dropt op tijd een naam: ‘ik volgde les bij die en die, ik drink weleens een glas met die of dat talent.’ Jij geeft het beste van je zelf en hebt er alle vertrouwen in: na jou neemt je werk het van je over.

NA

          Dat het er allemaal niet toe doet, houd je jezelf voor. Er was een leven vóór, er is een leven na. Jij bent gezond, ook je kinderen, je geliefden. Je komt rond, leeft in een land van vrede, er is melk en honing in overvloed. Wat je lang vooraf al wist: velen geroepen, weinigen uitverkoren. Het is beter te proberen en te falen dan helemaal niet te proberen, die gebruik je ook. De clichékast puilt nu stilaan uit. Dat de markt groot is, de kansen legio, er nog heel wat braakland kan worden afgeschuimd.

          Alleen, dat praatje echoot in je hoofd. Die jonge vrouw van die grote uitgeverij waarop jij stiekem hoopte, ze had gelijk. Je voelt het, je wéét het, het knaagt.
          O, wat begon ze mooi: ‘Een sterke pen! Echt bij het betere dat ik onder ogen kreeg! Hoe je de lezer je verhaal inleidt, je zoog me helemaal mee. Ik voelde spanning, dreiging, wilde meer.’
Je voelde hoe je opsteeg uit je geblonken schoenen. Nog terwijl jij zweefde ging zij door, vriendelijk, beslagen in haar vak, helder in haar communicatie. Hoe ze de spanning had voelen ebben uit je vlakke verhaal, hoe het banaal werd, hoe ze zich vragen was gaan stellen. Je werd langzaam zwaarder weer en landde naast je stoel.
          Met een glimlach spietste ze twee gepunte vragen in je weke schrijvershart: ‘Waar zit de noodzaak voor de lezer jouw vertelling te willen lezen,’ vroeg ze, en: ‘Waarom zou ik erin investeren?’

          Ze deed niet uit de hoogte, was in geen geval pedant, ze was gewoon degene aan het stuur. ‘Wat jij moet doen,’ zei ze als een koning die zijn ridder opdracht geeft op zoek te trekken naar de Heilige Graal, ‘is het verhaal te vinden dat de lezer lezen wil. Zoek het, Vind het, Schrijf het. En doe dat onverbloemd. Onbeschaamd. Bevrijd van de ketenen van voorspelbaarheid en medeleven. Wanneer je daarmee klaar bent, kom je bij me terug.’

          Wellicht zag je eruit als die bokser die net een linkse directe heeft geïncasseerd en pretendeert niet geraakt te zijn. Weer op straat schudde je je hoofd, eenmaal, tweemaal, scheepsrecht, haar woorden vielen waar ze wezen moesten.
          ‘Dit schrijf ik op,’ beloofde je jezelf, ‘want dat is wat ik doe.’
          Zo is het maar net.
          Je schrijft. Dus je blijft.