Geen mening

               ‘Wat vind jij?’ vraagt ze.
               Ik weet perfect wat Het Ideale Antwoordenboek voorschrijft: ‘Heel mooi. Echt. Staat je beeldig.’ Daarbij de minzaamste glimlach en koosnaam naar keuze.
               ‘Rood? Of groen?’
               Met een ernstig gezicht doe ik of ik nadenk. In de paardans van het leven is dit een beweging die finesse en uiterste fijngevoeligheid vereist. Voor je het weet heb je op een lange teen getrapt.         ‘Of toch maar ecru? Zal ik deze nog gauw proberen? Rood is toch mijn kleur niet.’ Ze verdwijnt weer achter het gordijntje. Op de stoel naast me speelt een jongeman Candy Crush op zijn gsm. Dadelijk is ook hij aan de beurt. Even monsteren we elkaar. Lotgenoten.
               Ze vraagt me naar mijn mening maar die heb ik niet. Rood, groen, ecru, mij is alles best. Een man zonder mening ben ik. Standpunten, bedenkingen, overtuigingen, ik doe er niet meer aan. Iedereen heeft er immers al, over alles. En iedereen vindt het ook nog eens nodig om er als een middeleeuwse heraut van markt naar markt mee te lopen zeulen om ze daar met veel klaroengeschal luidkeels uit te bazuinen. Hoor Hoor! Ik heb er de buik van vol. Het enige dat ik zeker weet, is dat een lekker gekoelde Duvel er vlotjes in zou gaan.

               Bart vindt wat over woke en Tom vindt het tegendeel. Siska laat zich ontdopen en een kerkjurist evalueert een schoonheidswedstrijd. Jeroen heeft een mening over kindermisbruik in de kerk. Meningen vliegen je om de oren als sneeuw in een lawine. En nergens kijk je nog van op. Oude wijn in nieuwe zakken. Nooit hoor je eens iets waarvan je zegt: nou, die had ik niet zien komen. Niemand zegt eens een keer: ja, dat gefoefel aan de misdienaar, lekker, daar ben ik werkelijk helemaal voor. Niemand kleeft een sticker op zijn achterruit: Ik ♥ doofpot. Iedereen toetert hetzelfde. Heeft die hele mening van Jeroen mijn denken aangescherpt? Als u het mij vraagt nee, dat lijkt me niet.
               Marnix fulmineert over wandelaars die op zondag in het Ardense bos de hond niet aan de leiband houden. En passant wil hij ook nog wat kwijt over dames op een racefiets, het zogeheten Kopecky-effect. Voel ik mij, nu Marnix in mijn krant zijn frustraties van zich heeft afgeschreven, plots zoveel beter? Als u het mij vraagt, nee, dat lijkt me niet.
               Hilde vindt, houd u vast, dat we te veel betalen voor energie. En dat het moeilijk soebatten is daarover met de jobstudenten in het callcenter. Zo, denk ik. Vindt Hilde dat? Hm, een scherp mes, die Hilde. Zelf zou ik zulke diepe gedachten nooit kunnen bedenken. Blij dat zij daarover een column (haar woorden) mag schrijven. U vraagt het me natuurlijk niet echt, u kent het antwoord. Dat Hilde me met haar opstel een nieuw inzicht heeft verschaft, nee, dat lijkt me niet.

               Met de blik van een koningin die het volk groet stapt het meisje dat bij de Candy Crusher hoort uit haar pashokje.
               ‘Wat denk je?’ vraagt ze. De jongen keurt haar als een veekoopman op de ossenmarkt.
               ‘Eerlijk?’ vraagt hij. De overmoed van de jeugd. Eerlijk duurt het langst. Ik kuch, luid, drie keer. Hij geeft geen krimp. Ik laat opzichtig mijn notitieboekje vallen. Schraap demonstratief mijn stoel over de vloer. Niet doen, fluister ik. Maar hij is zo jong nog, hij gelooft nog in de waarheid. Hij ziet alleen maar vorm, veel te weinig staat hij stil bij de inhoud.
               ‘En?’ dringt ze aan.
               ‘Eerlijk gezegd vind ik je gat in deze rok een beetje…’ Vind je in geen enkele editie van Het Ideale Antwoordenboek, geloof mij.
               Ogenblikkelijk wordt het in de ganse pasruimte stiller dan een graf. Als gestoken door een wesp schiet de verkoopster, een kleine vrouw met de geur en de kleur van kaneel, als een Zwitserse garde te hulp.
               ‘Blauw is écht wel uw kleurtje, nietwaar mevrouw? We hebben dit modelletje ook nog in het zwart. Of misschien draagt u het liever wat losser? Is heel erg in de mode, vandaag de dag. Haal ik gauw een XL’etje voor u?’

               Terwijl ze wegholt, gaat de jongen naast me langzaam dood onder de bliksems van zijn aanbedene. Dat krijg je, wil ik hem zeggen. Soms houd je beter je diepste gedachten voor jezelf. Enfin, dat is mijn gedacht. U mag daar gerust een andere mening over hebben.
               ‘Ik ben klaar,’ zegt een mij bekende stem. Om haar arm drie beeldige jurkjes: een rode, een groene, een ecru. De Duvel lacht me toe.

Nooit Vergeten

            Vorige week schreef ik een stukje over een meneer die een uitroepteken zette achter zijn carrière. Vanwege beginnende Alzheimer, dat weet hij nog, zette ik er schalks bij. Ik weet dat nog.

            En nu dit. Karma, het kan niet anders.
            Het vocht is uit de pot. Op de bodem van de pan een pulp van plat gekookte groenten. Fijn versnipperde uien, netjes in brunoise gesneden prei, selder en wortelen en talloze kleine gehaktballetjes vormen een ondoorzichtige brij, als de hoofdstraat van een dorp na de doortocht van een orkaan. Stomweg vergeten het vuur uit te draaien.
            Exact zoals mijn moeder zoveel jaar geleden. Ze was wel wat ouder toen dan ik vandaag, maar toch. Meteen trokken we destijds met de ganse familie in conclaaf om een oplossing te zoeken voor een probleem dat niet langer houdbaar was.
            Ik smeek u, geen woord hierover aan mijn kinderen. Ik mag dan misschien wel al langer een probleem zijn, voor die oplossing ben ik nog niet klaar.

            Het overkomt me vaker, de laatste tijd.
            Ik vergeet de lichten uit te doen. Ik zie gezichten maar kom niet op de namen die erbij horen. Ik vertel een verhaal en weet halfweg niet meer waar het naartoe gaat. Staan er meer dan drie artikels op de boodschappenlijst, ik krijg hem niet meer uit mijn hoofd geleerd.
            Het kleine vergeten is begonnen, aan de einder ligt het grote op de loer.

            Soms zie ik een visioen van mijn toekomst. Als een hersenloze kip scharrel ik door een doolhof van gele en roze post-its in mijn huis. TV, kleeft er op een afstandsbediening. Vuilnisbak, staat op de trommel waarin ik mijn klein volkoren wil opbergen. Een briefje wijst me naar de koffiezet, ik weet alleen niet waar de koffie staat. Dat dit hier de vaatwas is, lees ik, waarvoor al die knopjes dienen staat er niet bij. Een ei hoort in een eiskast, logisch. Maar wat is in ’s hemelsnaam een microgolf? Een warm jasje voor een baby? Wat moet ik met een baby?
            Dat beeld maakt me bang.
            Konden we maar al die kennis en wetenschap, die enorme voorraad aan wijsheid en ervaring opgedaan tijdens dat lange leven, bewaren in de opbergkast van ons geheugen, op elke lade een roze of geel etiket, zodat we tot het einde van onze dagen altijd zouden vinden wat we nodig hadden.

            Toen keek ik naar Godvergeten, die serie over mensen die niet vergeten kunnen. Ook al willen ze zo graag. Anders dan ik onthouden zij. Alles, tot in het kleinste detail. Als kind mismeesterd. Gebruikt en vernederd door paters, priesters en broeders, gezanten van de heer op aarde, machthebbers die zich beschermd wisten door pij en status en een kerkelijke overheid die in naam van de heer al die vunzige strapatsen oogluikend door de vingers liet glippen. Een eindeloze stoet gekneusden en gekwetsten, slachtoffers, maar ook moeders en vaders, broers en zussen van kinderen die nooit volwassen zijn geworden. Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld, hamerde het elke dag in die eenzame jongens- en meisjeshoofden. De ene raakte er overheen, de ander ging eronderdoor.

            Mijn geloof verdampte in de tijd van mijn Plechtige Communie, na een smeekbede aan de heer. Hij aanhoorde me niet. Ik vroeg hem mijn lot tot op de dag van het laatste oordeel te verbinden aan dat van de mooie Suzanne met de reebruine ogen. Zijn wegkijken deed pijn. Hij en ik, we gingen uit elkaar. Geen Suzanne, dan ook geen liefde voor god. Vandaag breekt nood wet. Nog één keer wil ik het erop wagen. Op mijn blote knieën:

            Heer
            Ik smeek u om een teken van uw liefde en uw goedertierenheid
            Voor u een klein mirakel, voor ons een groot gebaar
            U leerde ons blinden weer te laten zien, doven weer te laten horen
            U leerde ons harten transplanteren, tanden implanteren, organen te doneren en van geslachtelijkheid changeren
            Wil nu dan alsjeblieft ook met onze hersenen jongleren en onze geheugens manipuleren
            Neem weg bij de ene wat hij in overdaad heeft en schenk het aan de ander die te weinig heeft.
            Opdat wij in onze hoofden weer rust zouden vinden.
            Opdat zij die u destijds in de steek liet, zouden kunnen vergeten.
            En opdat ik weer wat beter kan onthouden.

Ik mis ze zo

            Laat ik maar meteen bekennen, ik heb een zwak voor het Nederlandstalige lied. Dus vlijde ik me voorbije zaterdag languit op de bank voor de Lage Landenlijst op Radio 1. Thermos koffie erbij. Voor een gepensioneerde is zaterdag een dag als een ander. De krant op de bijzettafel blijft ongeopend. De strapatsen van dronken politici die ons nu ook letterlijk in de zeik nemen laat ik graag aan me voorbijgaan. Het moraalridderschap is niet zo aan mij besteed. Dat fatsoensrakkers het met hun eigen normen wel vaker niet al te nauw nemen, weet ik al sinds Malle Babbe, die aanstekelijke meezinger die overigens niet voorkomt in de Top 100 van het Nederlandstalige chanson. Vraag me niet waarom. Ik kan echt niet alles zelf doen.

            Wel in de lijst, nieuw op 63, Will Tura. Ik lip de tekst geluidloos mee.

De regen stroomt als tranen langs de ruit
’t Is of de ganse hemel om je huilt
Ik voel me zo mistroostig als het weer
Ik mis je zo ik mis je meer en meer

            Niet bepaald Shakespeare. Toch reis ik met elke noot en elke lettergreep wat verder terug in de tijd. Voor ik het doorheb, baadt de dag in die behaaglijke, oranjerode gloed van weemoed die vertrouwd voelt maar ook een beetje pijn doet, als een wonde die nooit helemaal toegaat.

‘k Herinner mij de tijd van jij en ik
Van d’ allereerste tot de laatste blik
‘k Zie je nog altijd als verslagen staan
Toen ik vertelde dat ik weg moest gaan

            Onlangs zag ik op televisie Luc Alloo in gesprek met Arthur Blanckaert, zijn schoonvader. Arthur Blanckaert bekt niet als artiestennaam, vandaar dus Will Tura. Arthur Blanckaert is tweeëntachtig nu. Hij lijdt aan beginnende Alzheimer, dat wist hij nog. Tijd voor Will Tura om ermee op te houden. Ten afscheid blikte hij nog een laatste plaatje in. ‘Als ik terugkijk,’ heet het. Aan vooruitblikken doe je niet meer als je tweeëntachtig bent.

            Ik hoor mezelf zingen. De woorden ken ik uit mijn hoofd. Will Tura, Eddy Merckx, zat zijn op zaterdag en pistolets op zondag, dat zijn de bloemen op het behang van je leven. Je beseft nauwelijks nog dat ze er zijn, tot ze op een dag verdwenen zijn. Martine Tanghe.
            Toen ik in korte broek liep, was Will Tura mijn idool. Eenvoudig mee te zingen melodietjes, niet al te ingewikkelde rijmpjes en verhalen die mateloos mijn fantasie prikkelden. Wat vond ik die Linda een gemeen serpent, hoe ze daar lag te kronkelen in de armen van een andere man! Wat zielig ook voor die arme Joe! En wat had ik graag een El Bandido willen zijn. Ook ik werd verliefd op een airhostess waarmee ik op maandag landde in Moskou en op dinsdag in San Fransisco stad. Ook draaide ik op Wills advies 79 72 04. Ik belandde bij een man in Nederland, hij bleek niet bepaald gelukkig me te leren kennen.
            Ik gaf een recital in onze huiskamer, sober gekleed in een wit katoenen onderbroekje. Mijn oude oma was mijn publiek, haar houten wandelstok mijn gitaar. Een weergaloos optreden, oma en ik zijn het nooit vergeten: Aan mijn darling, Wat je diep treft, Eenzaam zonder jou. Ongevraagd bisnummer werd het vrolijke Zonneschijn. Oma zat de hele tijd enthousiast te schuifelen op haar stoel. Zonder hulp van mijn gitaar kon ze niet naar het toilet. Dat kreeg ik pas door toen het te laat was.

            Mijn zingen is nauwelijks nog zingen meer. Toen kwam het verraad. Ik kreeg de baard in de keel. Mijn muzikale smaak overschreed de grenzen van taal en grondgebied. Hoogmoedig keerde ik de rug naar de West-Vlaamse minnestreel. Die kinderlijke teksten. Die flutmelodieën. In mijn caravan ben ik Superman, Jezus! Ik was dan wel een puistenkop, maar wel een puistenkop met goede smaak. De Clement Peerens van mijn tijd was ik, popkenner, vrouwenliefhebber, aanhanger van de Diepste Poëzie. Ik ruilde Tura in voor Dylan. Je verstond geen woord van wat hij zei, maar het was goed voor je imago. Het leven is Mooi? Vergeet Barbara? Het Leven was Lijden en wie the fuck was Barbara?

            Ik schreeuw de longen uit mijn lijf nu. De ruiten trillen. Er loopt nat over mijn wangen.

Ik mis je zo ik mis je meer en meer
Ik zie je in mijn dromen keer op keer
Wie zegt me hoe en waar zie ik je weer
Ik mis je zo ik mis je meer en meer

            Een karamellenvers. Natuurlijk. De zoveelste treurzang om een liefde die niet kon zijn. Maar niet vandaag. Vandaag huilt de ganse hemel niet om een gemiste liefde. Vandaag ben ik mistroostig om een wonde die nooit heelt. Keer op keer zie ik in een oranjerode gloed de bloemen op het behang van mijn leven verbleken. De ruiten tranen om dat kind in korte broek dat liedjes speelt op de houten wandelstok van zijn moeizaam haar plas ophoudende oma. Om die puistenkop die verwaand met Dylan dweepte. Om al die jongens die ik ooit geweest ben en nooit meer worden zal.
            Ik mis ze zo. Ik mis ze meer en meer.

Een hamster in de woestijn

               Die ochtend valt de regen met bakken uit de lucht. Uit de hemel, dacht ik te zeggen, maar ik betwijfel of die bestaat.
               Op mijn rug in bed geniet ik met de ogen toe van het ritme van de regen op het vensterraam. Mijn oren suizen, een late uitloper van mijn wilde jaren waarin ik tijdens fuiven en feesten voornamelijk danste met mijzelf en driftig de luchtgitaar bespeelde met mijn oren tegen de luidsprekers. Hoe gaat dat? Je bent jong, je wil wat, liefst een lief, lawaai, leven. Later wordt dat anders, nu is algehele stilte mijn beste vriend. Veel wil je op mijn leeftijd ook niet meer, je bent blij met wat je in de schoot valt.

               ‘Nu de vakantie voorbij is, ga ik vrolijker in het leven staan’, zeg ik zacht tegen mezelf. ‘Al die mistroostigheid, die negatieve gedachten, ze vreten aan een mens als een rat in een keukenkast en leiden verder tot helemaal niets.’ Moe maar voldaan over deze eerste diepzinnigheid van de dag, trek ik de deken nog wat verder over mijn hoofd. Goede voornemens bedenken, het is een gave, ik maakte er in mijn leven genoeg om de Chinese Muur mee te plaveien.
               Ongevraagd onderbreekt de radio mijn blijmoedige gedachten. Een verhaal over een Bekende Vlaming. Een onderzoek. In het kader van. Op verdenking van. Meer wist het journaille ook niet. Iets voelt niet lekker, ik kan er niet meteen de vinger op leggen. Daarom herkauw ik het bericht alsof ik zes ben: Men (wie) onderzoekt (kijkt na) of Bekende Vlaming (Naam en Toenaam) betrokken is bij iets (vaags) dat mogelijk (misschien wel, misschien niet) strafbaar is. Genoemde Bekende Vlaming is vast geen lid van een studentenclub, bedenk ik. Stel: morgen blijkt dat deze mijnheer werkelijk nergens mee te maken heeft, kan hij dan op zondag weer vrolijk in de rij staan aanschuiven bij de bakker om warme broodjes?

               Kan iets dat letterlijk elk kind al zijn ganse leven weet nog nieuws zijn? De radioman laat weten dat een nieuw schooljaar voor de deur staat. Dat is even schrikken! Die hadden we tijdens de laatste week van augustus niet zien komen.
               De bevoegde minister riedelt zijn bekende liedjes. Mijn darmen spelen op. Ik onderdruk de aandrift om minister met radio en al de regen in te keilen. Ik doe het niet, de kracht van het positieve denken, ik sta nu immers goedgemutst en welwillend in het leven. O kijk, de minister heeft een plan. Lieve god in de hemel, geef ons een teken. Schenk ons een bewindsman die minder doet aan plannen en beloven, aan ideologie en populistisch gezwets, iemand (m/v/o) die gewoon aan beleid doet. Meer vraag ik niet, god. Ik ga prompt in u geloven en vertrek vandaag nog met de fiets op bedevaart naar Compostella. De Heer hoort mij niet, misschien was ook hij in zijn jonge jaren een fervent luchtgitaarvirtuoos.

               Vanzelf dwalen mijn gedachten naar mijn voornemens aan het begin van de vakantie. Ik zou een meesterwerk maken, u herinnert zich dat nog, u kocht een staatsbon minder om dat magnum opus te kunnen bekostigen. Ik moet u zeggen: er is nog wat werk aan. Praktische bezwaren wrikten zich tussen droom en daad, zeg maar. Ik diende te reizen om te leren, feestjes en partijen te vermaken met spitse humor en scherpe witz, te schransen en te dansen, bier te drinken en wijn en talloze oesterschelpen leeg te slurpen. Maar het komt goed, op een dag. Denk positief.
               Veel tijd vergde ook mijn niet aflatende, diepe bekommernis om de planeet en haar bewoners, zoals daar in de eerste plaats zijn de wolf en de wilde hamster. De wolf kweekt te veel. Dat is bedreigend nieuws voor geit en schaap. De wilde hamster daarentegen is minder wild dan zijn naam ons wil doen geloven. Hij paart nog minder dan de panda en is daardoor met uitsterven bedreigd. Daarover moeten we ons grote zorgen maken.
               Die tragedie vernam ik op dezelfde dag dat in een woestijn de uitgedroogde lichamen werden gevonden van een moeder en haar kind. Hun zoektocht naar een beter leven spatte uit elkaar op de muur rond het fort van onze rijkdom. We zijn, geloof ik, in de rangorde der prioriteiten de weg een beetje kwijt.

               Uiteindelijk gaan mijn ogen open. De lucht is uitgehuild. Stralen zon vlammen door de grijze wolken. Het wordt vast weer een mooie dag. Voor de spiegel valt mij in dat exact vandaag elf jaar geleden mijn vader doodging, meer dan tachtig jaar een van de vrolijkste jongens op de planeet.
Elke dag ga ik een beetje meer op hem lijken.

Zou een heel klein beetje afscheid

               Ik had vannacht een kwade droom.

               Ik zat opgesloten in een barbaarse gevangenis die was uitgehouwen in een rots, een warrige doolhof van gangen, middeleeuws donker, slechts zuinig verlicht door enkele brandende fakkels die spookachtige schaduwen wierpen in mijn cel waar op de grond enkel wat naar lijken meurend stro lag waarin het krioelde van de ratten.
               Zestien jaar zat ik daar al, precies een tiende van de mij toebedeelde strafmaat. Honderdzestig jaar ondergrondse dwangarbeid was de op een na zwaarste straf die de rechter in dit land volgens het strafwetboek mocht uitspreken. Officieel heette mijn misdrijf ‘Anti-Bestuurlijk Verzet en Weerspannigheid tegen het Regime’. Zelf vond ik mij eerder het slachtoffer van een pervers totalitair systeem.

               In mijn droom leven we in dictatoriale tijden.
               Geheel naar eigen willekeur zwaait het Opperste Gerecht te pas en onpas met de zwaarste straf: de dood. Door de kogel, ophanging, verbranding of het hoofd afgehakt door een willekeurige burger. Die laatste wordt door het lot aangeduid en dient zichzelf als uitverkoren te beschouwen. Het onthoofden van een subversief element is een door de Overheid verleende gunst, een kans om het land te zuiveren van elke vorm van weerbarstigheid. Met een houthakkersbijl de nek te klieven van een muitzieke opstandeling dient als een opperste dienst aan de Natie te worden beschouwd. Wie aan die eer verzaakt, verzet zich per definitie tegen het Hof en bij uitbreiding tegen de absolute onfeilbaarheid van de Staat.

               Ik ben niet als held geboren en zal het ook nooit worden. Ik vind het woord heldendom een uiterst accurate term. Toen het lot dus precies mij uitkoos om een staatsvijandig landgenoot een kopje kleiner te maken, voelde ik mij niet vereerd maar integendeel zelf voor het blok gezet. De veroordeelde was een jongen van zestien wiens enige misdaad erin bestond gespot te hebben met het nationale vaandel. In een dronken bui had hij de leeuw op de vlag, het symbool van Het Rijk, boudweg pussy genoemd. Die respectloze vrijpostigheid zou hij betalen met zijn leven.
               Ik scharrelde wat spullen bij elkaar, propte die in mijn plunjezak en vluchtte als een dief in de nacht. Lang duurde mijn escapade niet. Twee straten later werd ik gevangen door de verblindende lichtbundel van een van de schijnwerpers die vanop de daken alles capteerden wat zich na de avondklok nog buitenshuis bewoog. De stad bij nacht leek op een Duits strafkamp tijdens de tweede wereldoorlog.

               Ik wist mijn lot bezegeld. Op desertie staat Doodstraf door Verdrinking. Desondanks verleende de rechter mij alsnog clementie. Voor mij pleitte mijn ronduit uitstekende beheersing van de zwemkunst. Het Hof achtte de kans dat ik me onder water alsnog als een Houdini uit de touwen zou bevrijden niet denkbeeldig. In onderhavig geval zou ik mijn geluk kunnen beproeven op het grondgebied aan de andere oever, in Vrijland, waar alle dagen de zon gratis scheen, mensen vrank en vrij spirituele grassen rookten en de meisjes vrijpostig en losbandig waren.
               De rechter liet me dus het leven, zij het niet zonder voorwaarden. Het land kreunde onder een prangend probleem. De gehele bevolking morde en verdorde door een nijpend tekort aan kunst en schoonheid. Onder de ontelbare terechtgestelden bevonden zich voornamelijk dansers, muzikanten, schilders, schrijvers, acteurs. Een totalitaire staat heeft per definitie immers een ingewikkelde verhouding met eigenzinnige geesten. Door het elimineren van elke vorm van speelse creativiteit groeide onder de bevolking een niet te stillen honger naar beeldrijke geschiedenissen en sprookjesachtige verhalen.

               Aldus vermeldt het vonnis:

               ‘Bij deze veroordeelt Het Hof genaamde instelling De Schrijverij ertoe op dagelijkse basis ten minste een fragment of sequentie ener fictieve vertelling te verzinnen, uitmondend in de vorm van een novelle of roman, ter ondersteuning van de Natie in al haar Glorie en ter plezier ende vermaak zijner onderdanen.’
               Na deze uitspraak schoot ik zwetend wakker.

               ‘Het is maar een droom,’ zegt u, ‘dromen zijn bedrog.’
               ‘Dat mag dan wel zo zijn, deze heeft er toch flink ingehakt,’ antwoord ik dan. ‘Een verwittigd man is er twee waard.’
               Daarom, mijn lieve lezers en lezeressen, het zekere voor het onzekere. Dit stukje is voor enige tijd het laatste dat De Sprekershoek u kan bieden. Een Autoriteit veel hoger dan de mijne heeft het zo beslist.
               Ik dien de komende maanden verhalen te verzinnen die door mama’s en papa’s bij valavond zullen worden voorgedragen aan hun kroost, die kinderen op hun beurt zullen lezen voor hun indommelende ouders, zelf te zwak geworden om nog een laatste bladzijde om te slaan. Verhalen die zullen doen lachen en wenen, tot nadenken stemmen en naar adem happen. Verhalen die u tot aan het einde van uw dagen zullen heugen.
               Iemand moet het doen.

               Intussen, lieve lezers en lezeressen, drink, vecht, huil, zing, lach en bewonder.
               Laat het werken maar even.
               Prettige vakantie.

AI Eitje

               De vraag duikt op als ik de kip in de oven schuif. Terwijl ik de sla spoel, droogzwier en in sliertjes hak, er een versnipperd sjalotje aan toevoeg en alles kruid met een geut slaolie, peper en Sel Rose d’ Himalaya, blijft hij zeuren in mijn hoofd.
               Ik snijd de gele en groene paprika in kleine blokjes en bedenk dat we wél weten dat Neil Armstrong de eerste mens was die ooit op de maan wandelde en ook dat die andere Armstrong, Lance, zeven keer de Ronde van Frankrijk won en dan weer verloor, dat had ook nog nooit iemand hem voorgedaan. Maar wie zou de eerste persoon zijn geweest die ooit een kip heeft gebraden boven een vuur? Ook een Armstrong? Dát weten we dan weer niet.

               Ik snijd de tomaten in fijne plakjes, meng ook daar sjalot, bieslook, olie en kruiden bij en zet de glazen kom naast de sla in de koelkast. Ik bel mijn zoon. Hij is duizend keer slimmer dan zijn vader, hij weet echt over heel veel dingen heel veel. Maar dat van die kip, neen, dat antwoord blijft hij schuldig.
               Terwijl de wortels en erwtjes uitlekken in een vergiet snijd ik wat komkommer en rode biet in dunne schijfjes. Vervolgens stuur ik een bulkmail naar vrienden en kennissen. Sommigen reageren helemaal niet, anderen vragen bezorgd of ik niet beter wat uit de zon zou blijven, een onverlaat suggereert een afspraak met een neuroloog. Niemand echter die me kan vertellen wie de braadkip heeft bedacht.

               Doch ik wil weten. Het verleden kennen om het heden beter te begrijpen. Bij de medemens vind ik geen antwoord. God aanspreken wil ik niet. Hij schijnt dan wel alles te weten over alles, antwoorden doet hij nooit. En eerlijk gezegd, onze verhouding is ook niet zo best. Rest me nog het wonder van de technologie.
               Grote ontgoocheling bij dokter Google. Hij begint ontwijkend over kip Marengo. Dagelijkse kost, niet meteen relevant voor mijn onderzoek. Als tweede suggestie verwijst hij naar Annekekookt.nl waar ik instructies kan vinden hoe een kip te braden. Overbodige informatie, in mijn eigenste oven ligt een beboterde kip geduldig een krokant bruin jasje te kweken.

               In deze moderne tijden bestaat naar men zegt voor elk probleem een oplossing. Dus ik maak een account aan bij ChatGPT. Gehoorzaam voer ik naam in, paswoord en mailadres. Geen baby komt vandaag nog zomaar ter wereld. Vooraf dienen eerst persoonsgegevens ingevoerd, een paswoord aangemaakt en ingelogd. En cookies geaccepteerd.
               Het lukt. Ik heb nu officieel verbinding met Artificiële Intelligentie. Het voelt alsof er een ruimtemannetje in mijn laptop is komen wonen. Nieuwsgierig stel ik meteen een eerste vraag. Prompt tikken onzichtbare vingers lange zinnen op mijn scherm: ‘… Het exacte moment waarop iemand voor het eerst op het idee kwam om kip te braden, is moeilijk vast te stellen, …het gebruik van vuur voor het bereiden van voedsel gaat terug naar de prehistorie… Het is redelijk aan te nemen dat zodra de mens geleidelijk leerde hoe het vuur te controleren en te gebruiken voor het koken, het braden van kip een van de vele manieren was waarop kip werd bereid…’
               Veel blabla. ‘Redenen om aan te nemen’ vind ik weinig accuraat. Het zij zo. Ik begrijp het. Zelfs voor mijn generatie behoort de prehistorie tot een ver en schimmig verleden.

               Misschien weet de Alwetende op mijn tweede vraag wél een afdoend antwoord: ‘Wat was er het eerst, de kip of het ei?’
               Opnieuw hoef ik niet te wachten: ‘… Dit dilemma is eigenlijk een vraag over de oorsprong van soorten en de evolutie…. In dit geval zou de kip zijn geëvolueerd uit een voorouderlijke vogelsoort door genetische mutatie en natuurlijke selectie. Dus in deze context zou het ei er eerder zijn geweest dan de moderne kip … Dus de eerste kip zou zijn geboren uit een ei dat werd gelegd door een vogel die geen volledig ontwikkelde kip was, maar eerder een voorouder ervan.’
              
Enfin! Het ei dus! Prachtig toch, die wetenschap? Onze soort staat finaal op het punt alle mysteriën van het leven te ontsluieren. Dit is het moment. Ik moét ze gewoon stellen, de vraag der vragen, voor u, voor mij, voor iedereen.
               ‘AI, waarom leven wij?’ tik ik met verkrampte vingers.
               Weer groeien terstond letters uit tot woorden die zinnen worden. Hongerig glijden mijn ogen over een complexe uiteenzetting, voorbij sleutelbegrippen als religie, filosofie, wetenschap. Helaas, de pointe is teleurstellend: ‘… De vraag naar de reden van ons bestaan blijft een onderwerp van discussie en reflectie dat door de geschiedenis heen verschillende antwoorden heeft voortgebracht.’
               Ook AI weet het niet.
               Ik ga maar even kijken of mijn kip al gaar is.

Waarom ik niet van juni houd

               Er zijn mensen die niet van maandag houden. Dat zijn Boomtown Rats, wat dat verder ook moge betekenen. Voor mij is dat anders. Maandag, dat is blauw en wit. Maandag wasdag, alles rein en zuiver. Een nieuwe week, een nieuw begin, een nieuwe kans.

               Ik heb het dan weer niet met juni.
               Juni kondigt zich aan als een prachtig gedicht van dertig verzen. Prelude voor de zomer. De zon heeft de kilte nu echt voorgoed uit het land verjaagd. De truien liggen op het hoogste schap, de nagels van de tenen worden lila gelakt, elegante voeten schuiven in lichte sandaaltjes. Het is juni, het wordt zomer.

               Het is alles schijn.
               Juni is de maand van het slechte karma. Juni is de appel van Sneeuwwitje. Glanzend, verleidelijk, giftig. Natuurlijk zingen de vogels in de bomen hun hoogste lied. Natuurlijk laten we de auto makkelijker in de garage staan en grijpen we naar de fiets. Natuurlijk nippen nu ten elven al de gepensioneerden op de terrassen aan hun eerste Tripel van de dag.
               Maar wat hebben wij daaraan, u en ik, als wij aan onze bureaus onze uren kloppen? Wat hebben wij aan lonkende vijvers als het zwemmen wordt verboden? Wat hebben onze kinderen aan het mooie weer als zij in hun kamers wistjedatjes instuderen, in hun hoofden rammen om het de volgende dag weer uit te braken en voorgoed te vergeten? Dat januari louwmaand is en februari sprokkelmaand, april grasmaand en augustus oogst. Wist u dat nog? Dat een ooievaarsnest een ton kan wegen, hebt u dat onthouden? Dat bromrund een ander woord voor jak is, dat dat beest uitsluitend kruiden eet en daardoor drollen legt met een aangenaam geparfumeerd aroma? Kent u nog het onderscheid tussen een puntlipneushoorn en een breedlip? Nooit geleerd, zegt u? Vergeten, dat zeg ik. Onthoud nu maar voor eens en altijd: de puntlip is de zwarte en de breedlip de witte.
               Ook hun leerkrachten zijn niet blij. Prachtige dagen, ja, maar zie ons hier, gewapend met twee rode balpennen en een derde als reserve, onder de luifel op ons terras, voor ons stapels en stapels slordig gekribbelde papieren, uitpuilend van foute antwoorden op nochtans de eenvoudigste vragen. En we hadden het allemaal nog wel zo goed uitgelegd, met hand en tand en handen en voeten, parels voor de zwijnen zijn het, ach, de jeugd van tegenwoordig, komt het ooit nog goed met de wereld? Je zou van minder aan de witte wijn geraken.

               Er is één troost. Na deze maand volgt vakantie. Menige vrouw plaatst zich als de boze stiefmoeder uit het sprookje voor de spiegel:
               ‘Spiegeltje, Spiegeltje aan de wand, kan ik deze jurk nog aan op het strand?’ Vorig jaar nog maar gekocht, een koopje, echt, zonde om te laten liggen. Twee keer gedragen slechts, bewonderende blikken mee geoogst, maar vandaag voelt hij op de heup toch een tikje krap. Te warm gewassen misschien? Vier weken kleine yoghurtjes zonder suiker en gedaan met snoepen op het werk, dan kan hij misschien toch nog, in het verre Zuiden waar niemand ons kent.
               Hun mannen, ooit de liefde van hun leven, kennen minder schaamte. Dat bonte Hawaïhemd met korte mouwen dat zo lekker ruim zat vorig jaar en het jaar ervoor en het jaar daarvoor maskeert het uitdijende middel nog altijd prima. Uit de mode? Alles komt altijd terug. Deze jongen blijft helemaal niet steken in de tijd, hij is integendeel de nieuwste mode ver vooruit.

               Juni.
               De maand waarin het allemaal beter lijkt te zijn dan het in werkelijkheid is.
               De maand van duizend vragen en moeilijke antwoorden en een rapport aan het einde.
               De maand van afscheid van de vriendjes uit je klas, je school, je jeugd misschien.
               De maand waarin je ene broer jarig zou zijn geweest, mocht hij nog aan verjaren doen. Hij was iets ouder dan jij nu bent toen hij daarmee ophield.
               De maand waarin je andere broer een diepe slaap inging en er niet meer uitkwam.

               Was het al maar juli. Dan laten we alles los.

Als de buiken spreken

             Thuis heb ik nog een ansichtkaart
               Een hoopje jongens bij elkaar
               een zakje chips, een glaasje fris
               Vol verwachting voor de buis
               De grote show van Willem Ruis
               Want dat had moeder zo beslist

              Wat waren we onschuldig toen. Met open mond gaapten we naar de jongleurs en danseressen op hoge hakken. Mijn favoriet was de buikspreker, een keurige man met op zijn arm een houten pop die kon praten. Niet echt natuurlijk, dieren praatten toen nog wel maar poppen konden dat nog niet. De man legde de pop woorden in de mond. Dat beseften zelfs wij, en wij geloofden nog in Sinterklaas.
               Buikspreker is een ietwat misleidende benaming voor iemand die liever niet het achterste van zijn tong laat zien. Dat doet de pop in zijn plaats. Die mag vrank en grofgebekt, zonder blad voor de mond zeggen wat hij wil. Hij is maar een pop. Ons ging het vooral om de man. Hield hij de lippen stijf, dan gingen de duimen in de hoogte, zag je zijn mond bewegen, dan wezen ze omlaag. Romeinse keizers waren wij, slechts gekleed in ondergoed van wit katoen.
               Wat toen nog grof gevonden werd, ligt intussen lichtjaren verwijderd van de What-the-Fucks en Fucking Fuck-yous waarmee men je vandaag om de oren slaat. Wij hielden ons ver van elke verwijzing naar enig geslachtsorgaan (M/V). Enkel mijn vader veroorloofde zich weleens in beschonken toestand een brallerig Kust Mijn Kloten. Vaders mochten dat, zonen niet. Romeinse keizers in witte onderbroekjes waren ook maar platte seuten.

               Poppen kunnen niet alleen niet zelf praten, ook zelf denken doen ze niet. Ook buikspreekpoppen niet. Wat uit de buik komt, is zelden overdacht. Een buik voelt wat en laat dat merken. Als mijn buik van zich laat horen, wil hij van twee dingen één: of er moet iets in, of er moet iets uit. Ingewikkelder dan dat hoeft voor hem niet. Toch lag hij de afgelopen dagen met zichzelf in de knoop. Met dat arrest, u weet wel.
               In de jaren van de lange haren, de witte onderbroek ontgroeid en baard in de keel, had ik de barricaden beklommen. Mijn waarheid van de daken geschreeuwd. Gewapend met leuzen van kwikzilver en slogans van klatergoud door de hoofdstad gemarcheerd. Enkel en alleen vanuit mijn buik had ik me een mening gevormd en die luidkeels hebben geventileerd, zonder te veel kennis van de feiten. Later op de avond zou ik dan, u gelooft me vast, overlopend van zelfgenoegzaamheid mezelf op een biertje hebben getrakteerd.
               Maar nu, vandaag?

               Het zullen de jaren zijn.
               Ik ben milder geworden. Bedachtzamer. Gelouterd door het leven. Ik weet nu dingen die ik toen niet wist. Dat je naar hetzelfde punt kan kijken door een andere bril. Een bouwvakker ziet een ander huis dan de bewoners. De cel voelt voor de gevangene anders dan voor de cipier. De prostituee bekijkt haar klant vanuit een ander perspectief dan zijn echtgenote. Tenminste, dat denk ik zomaar. Ik ken gevangene noch cipier en voor zover ik weet ook geen prostituee. Dat moet u maar gewoon van me aannemen. Eén bouwvakker ken ik, maar die denkt geloof ik niet zoveel. Zijn naam noem ik niet, ik hoef niet zo nodig te scoren op You Tube of TikTok. Zonder likes is het leven al ingewikkeld genoeg.

               De voorbije week luisterde ik dus voornamelijk naar mijn buik. Hij gromde: ‘Ergens (waar?) gaat iets (wat?) fout (hoe?)’. Hij benoemde niets. Dat doen buiken niet. Zij voelen alleen maar. Dat toetsen zij niet af aan verifieerbare gegevens, want ook dat kunnen buiken niet. Buiken volgen emoties. Mijn buik rommelde, gromde, boerde, volgevreten van de idee dat justitie twee maten en gewichten hanteert, dat alles allemaal zo vreselijk fout en onrechtvaardig is, al vriendjespolitiek, favoritisme, bedrog. Dat en nog veel meer schoot als bliksems in een onweer door mijn hoofd.

               Daar kwamen ze precies op de plek waar ze hoorden te zijn. In mijn hoofd rusten de gedachten. In mijn hoofd, zegt vriend Raymond, valt alles op zijn plaats. Alles wordt er eenvoudig, het is er prettig toeven. Het is daar waar de Rede woont. Het Gezond Verstand dat zegt dat ook de rechtspraak in dit land aan regels en wetten is gebonden. Dat recht wordt gesproken op basis van afspraken die vooraf door de wetgever in dikke boeken werden gebeiteld en waarop niet zomaar lukraak kan worden teruggekomen. Dat daarin ook strafmaten zijn bepaald en argumenten om die te ondersteunen. Dat er daarenboven instanties bestaan die erop toezien dat die wetten worden nageleefd, in eer en geweten.
               Daarom, zegt mijn hoofd, geloof ik dat recht gesproken is.
               Mijn buik echter blijft op zijn honger zitten.

Camping Zeezicht

               We krijgen plek M45, in de hoek van een grasveld. Het terrein is omzoomd door een dichte haag van hazelaars en esdoorns en er zijn vier staanplaatsen. Drie ervan zijn al ingenomen, ik zie drie auto’s met Duitse kentekenplaat. Bij het oprijden van het pleintje tel ik drie vrouwen, twee honden en één man. De vrouwen zijn van bovengemiddelde leeftijd en weldoorvoed. Een maatje meer mag, twee ook wat mij betreft, als een mens maar gelukkig is.
               De zon schijnt warm en weldadig. Ik trek mijn T-shirt over mijn hoofd. Alle drie de vrouwen volgen mijn bewegingen met meer dan gewone aandacht. Hun ogen twinkelen. Een magneet blijft nu eenmaal een magneet.

               Vijftien minuten later lig ik languit op mijn strandstoel. Op mijn schoot een boek van David Sedaris, ‘Gestolen voorwerpen, dagboeken 1977 – 2002’. Er staan ook mopjes in. Twee kutten zitten op een terras. Zegt de ene: ‘Wat eet jij vanavond?’ Antwoordt de andere: ‘Worst. En jij?’ Zegt de eerste: ‘Het is vrijdag, dan staat er tong op het menu.’
               Ik ga strijk. De Duitse vrouwen kijken nieuwsgierig mijn kant op. Mijn Duits is te ontoereikend om de grap te vertalen. Misschien kennen we elkaar daarvoor ook nog niet goed genoeg.
               ‘Oh my God,’ gilt wat later plots één van de vrouwen. Dat blijft ze herhalen: ‘Oh my God, Oh my God!’  Ze lacht daarbij zo opvallend schril en luid dat ook mensen vanop andere grasvelden toeschieten. Niemand weet waarom ze moet lachen en ze vertelt het ook niet. Misschien is daarvoor haar Nederlands niet goed genoeg. Weldoorvoede vrouwen van bovengemiddelde leeftijd die Engelse puberkreten slaken met een Duits accent, ik moet me in de arm knijpen, ik weet even niet helemaal zeker op welke planeet ik me bevind.
               Als ze ons zien avondeten wensen de vrouwen Guten Appetit. Hun mannen zijn er nu ook bij komen staan, alle drie een biertje in de hand. Guten Appetit. Dat hoor je nooit eens een keer van een Fransman of een Nederlander. Niet alleen praten die geen Duits, ze zeggen het gewoon niet, ook niet in het Frans of Nederlands.

               Er is ook een warenhuis op de camping. Je kunt er alles kopen wat je thuis vergat. Haarshampoo, wasknijpers, gasbidons, wijn. Een sandwich noemen ze hier een puntbroodje. Ik moet daarbij meteen denken aan spitse wapens. Degens, bajonetten, rapieren. Er woont een woesteling in mij. Ik probeer hem de hele tijd onder controle te houden, dat lukt vooralsnog, zalig de gave van het woord en lang leve de lach.
               Alom rust en vrede in de winkel. De mensen schuifelen geduldig aan in een lange rij voor de kassa. Intussen schreeuwt André Hazes zijn wanhoop uit de luidsprekers. Hij neemt gloedvol afscheid van de vrienden waarmee hij vele avonden heeft gesleten in de kroeg. Je kan horen dat het hem pijn doet, ook zonder dat je de woorden verstaat. André Hazes is één van mijn Schuldige Pleziertjes. Mocht ik er nog hebben, dan houd ik die voor mezelf, ik ben niet gek. Ik vraag me af waar mijn eigen kroegvrienden zijn gebleven. Stuk voor stuk verdwenen ze in stilte. Of ben ik het zelf die geruisloos van hen is weggegaan?
               Terwijl we ontbijten, wandelt er een vrouw voorbij op teenslippers. Haar haren zijn nat, ze draagt een toiletzak onder haar arm en loopt gekleed in een donkerbruine, harige poncho. Ze heeft wat van een beer waarvan de huid heeft losgelaten. Wel een leuke beer voor zover ik het kan zien. Ik heb het wel met poncho’s, ze kriebelen je fantasie.
               Hoewel de dag nog moet opwarmen, lopen alle meisjes in topjes. Hun platte buiken tonen aan de wereld wordt ook deze zomer hun hoofdbekommernis, terwijl mannen als ik er alles aan doen de onze zoveel mogelijk weg te moffelen.

               Ik ga mijn tanden poetsen. Naast me spoelt een man twee thermoskannen uit in de wasbak. Straaltjes koffie lopen weg in het afvoergaatje. Achter ons is een afwasruimte met zeven eilanden.  Slechts twee daarvan zijn bezet en hij spoelt zijn thermossen hier? Misschien kijkt hij graag in de spiegel naar zichzelf als hij een keer iets nuttigs doet. Een woesteling, ik zei het al, met een slecht karakter bovendien.
               Er is geen haakje voor mijn handdoek, dus ik leg hem gewoon naast de wasbak. Als ik me wil afdrogen, is hij doornat. Ik had de plas water niet opgemerkt. Ik zou het goor kunnen vinden, maar ik wind me niet op. Ik ben met vakantie, ik wind me af.
               Intussen weet ik ook hoe Duitse mannen hun dagen doorbrengen. Ze staan op, ontbijten, draaien hun stoelen naar de zon en doen hun ogen toe. Geen slecht idee. Naast een woesteling met een slecht karakter woont er ook een Duitser in mij, geloof ik.
               Guten Appetit.
               En Zum Wohl!

Toffe Jongens

               Dat we toffe jongens zijn dat zullen we weten. Daarom komen wij overal. Vroeger was dat overal waar de meisjes waren. Vroeger dus. Vandaag komen wij nog altijd overal, maar dan eerder omdat we een 65+ abonnement hebben gekocht bij De Lijn. #straffeweggebruiker staat op het kaartje, en zo is het maar net. Met mijn hoedje in de hand, bus en tram ik door het ganse land. Ja, ja, dat voelen wij aan ons hartje.  

               Ik scan mijn MOBIB-kaart en wurm me op het vrije zitje naast een oude man. Borstelige wenkbrauwen, gegroefd gelaat, donkere blik maar niet gevaarlijk, vermoed ik.
               ‘Handig hé,’ zegt hij, ‘die kaart. Heb er zelf ook eentje, net gekocht.’ Een mededeling die niet meteen antwoord vereist.
               ‘Vandaag voor het eerst gebruikt,’ gaat hij door. Wat fijn, denk ik, dat er zelfs voor MOBIB-kaartgebruikers nog altijd eerste keren bestaan. Dat zeg ik vanzelfsprekend niet. Oude mensen die spontaan tegen je beginnen praten, moet je hun zegje gunnen. De Dirk De Wachter in mij ruikt er het parfum van eenzaamheid in. Misschien heeft zijn eega onlangs de eeuwige rust gevonden, volgde hun enige dochter Haar Ware Liefde tot in Perth of Timboektoe en zakte onlangs ook de trouwe Sloeber moedeloos door zijn vier poten. Alleen de koi in de vijver leven nog. Praten met koi ligt moeilijk, ze doen er al te vaak hautain het zwijgen toe. En het ziet er ook wat vreemd uit.

               De man draait zich naar me toe. Grijze plukjes haar groeien uit zijn neus. Een schaar, denk ik, een schaar, mijn koninkrijk voor een schaar.
               ‘Ja ja, het is me wat,’ zucht hij. Weer een mededeling die niet om een antwoord vraagt, ook geen flauw idee wat hij precies bedoelt.
               ‘Hier ben ik lang geleden nog naar school geweest,’ wijst de man op de oude kloosterschool naast de kerk. Daar versleet ook ik destijds mijn korte broek. Onlangs werd de school helemaal gerenoveerd, samen met het nabijgelegen park. Niets rest nog van de kille kazerne van weleer.
               ‘Ik kreeg er nog les van … ’ vertelt de pluizige man en ja, ook ik herinner me nog de Bokser die ons tijdens de middagpauze leerde typen, ‘hij klopte met een ijzeren liniaal op je knokkels, weet je nog?’ en de Pingpong, die hoge populier van Lichamelijke Opleiding met de wel zeer levendige adamsappel.
               Kok wilde de man toen worden, dat was zijn Grote Droom. Het mocht niet van zijn ouders. Wat schuift dat, mopperden die, en altijd die lange avonden en nachten, dan een gat in de dag slapen zeker, hoe moet dat dan met vrouw en kinderen, en ook nog dat gedoe met dronken mannen en losbandige vrouwen die graag weleens een ander hapje proeven, nee, niet meteen de ideale bodem om een robuust huwelijk op uit te bouwen. Ontgoocheld had hij dan maar zijn kinderdroom ingeruild voor een meer acceptabele beroepsbezigheid.

               ‘Landmeter,’ zegt hij gelaten, ‘ik heb dat eerlijk gezegd nooit met veel liefde gedaan.’ Wat zonde toch, wil ik zeggen, je lange leven iets doen tegen je zin. Hoewel de gedachte me een beetje droevig stemt, zeg ik er niets van. De jaren leerden me mijn wijsheden voor mezelf te bewaren. Het is niet nodig mensen te wijzen op het falen in hun bestaan, ze weten heus zelf wel hoe en waar het allemaal is fout gegaan.
               ‘Leraar,’ zeg ik, ‘ook niet bepaald mijn grote ambitie. Al heb ik me wel vaak uitstekend geamuseerd.’
               Landmeter, Leraar, we beklommen niet bepaald de hoogste treden op de ladder van het beroepenalfabet. Onze bezigheden bezaten niet de importantie van een Advocaat, Beroepsdanser, Criminoloog of Componist, stelden maatschappelijk heel wat minder voor dan Minister of Notaris en droegen ook niet de luchtige speelsheid in zich van een Xylofoonspeler, Yoga-instructeur of Zaalvoetballer. Saai en dor bleven we beiden halfweg steken, bij de L. Hij werd geen Master-chef, ik geen Romancier.
               ‘Succes,’ wens ik hem nog als hij uitstapt bij het bushokje met het bordje PIVA op. ‘Volwassenenonderwijs,’ mompelt hij, het lijkt haast een verontschuldiging.

               Verder wiegend op de rails denk ik aan de Grote Dromen van de kleine jongen die ik ooit was, vliegende reporter, acteur, schrijver, aan zijn Ambitie later, een meesterwerk dat zijn gelijke niet kent en aan zoveel wat niet geworden is.
               Spijt is een nutteloze emotie, bedenk ik, het verleden kan toch niet worden veranderd. Maar stel, mocht je het allemaal nog eens een keertje overdoen, ruilde je dan niet wat avonden vol Duvel en gebral in voor het mysterie van het onbeschreven blad, bij schemerlicht, met bonzend hoofd en krassende pen?
               Aan de eindhalte moet ik lachen om mezelf. Natuurlijk niet. Ik zou ook in een tweede leven willen weten dat ik een toffe jongen was en alleen al daarom overal willen komen.
               Overal. Daar immers is het bal.