Duupjes

               Toen hij nog een kind was, mocht de man graag verdwalen in verhalen. Zijn helden kampten tegen onrecht en streden voor de zwakken. Hij speelde ze na, was de ene keer d’ Artagnan, de vierde musketier, dan weer Winnetou, het dappere opperhoofd van de onderdrukte Indianen. Ach, wat droomde hij ervan een Robin Hood te worden, van de rijken te stelen en te delen met de armen en van al die goede daden te bekomen in de armen van een of andere wellustige Marianne.
               Met hartstocht verbond hij zijn lot aan dat van de paupers en het plebs. Hij huilde mee met Rémy, een kind nog alleener op de wereld dan hijzelf. Hij plonsde naakt als een kikker met De Witte in de Nete en trok samen met den ondeugenden Pietje Bell stiekem aan een bel. Ook bloedde droef zijn hart bij het lot van Oliver Twist, verstoten wees, misleid en meegelokt in de klauwen van de valse Fagin. Een straatrat, die arme Oliver, een zakkenroller en een dief. Uiteindelijk loopt alles nog goed af en leeft Oliver alsnog lang en gelukkig, zoals dat in verhalen gaat.  
               Omgekeerd evenredig met zijn mededogen groeide bij de man ook het wantrouwen tegenover wie heeft en daarvan weigert te delen, wie elk ongelukkig lot aan eigen falen wijt, wie vindt dat ieder maar de eigen boontjes doppen moet, dat wie toevallig zonder boontjes zit er maar moet zien te verwerven. Precies daardoor, bedacht de man, treden soms mensen wetten met de voeten.

               Nu is de man oud. Hij loopt samen met een vrouw door de grote stad. Wat snuisteren op een vlooienmarkt, smakelijk tafelen, weldadig borrelen. Natuurlijk voelt hij het lijden in de ogen van de dakloze die op kartonnen flappen slaapt, onder de blote hemel die nog altijd maar weinig warmte biedt. ‘Maar,’ sust hij zijn geweten, ‘wij kunnen toch ook niet iedereen zomaar onze centen geven, aan het slot eindigen ook wij met zakken zonder duiten en wie wordt daar dan beter van?’ Hij vindt een plek op een terras, geen schuldgevoel dat niet met een gekoelde Picon en witte wijn kan worden weggewerkt.
               Argeloos dwalen ze tijdens hun wandeling af van de geijkte paden. Weinig oog hebben ze voor de knaap in de achterafwijk die op een gammele fiets een kasseihelling opknalt. Wel gniffelen ze even bij zijn vreemde klederdracht: sneakers, trainingsbroek, donkere dikke jas, bandana over mond en neus, zonnebril, over de hoodie nog een pet. Geen millimeter vel dat de zon mag zien, als vertolkte hij een bendelid in een Amerikaanse gangsta-movie. ‘Die gaat zeker naar het voetbal,’ meesmuilt de man. Hij is de geestigste in huis en staat er niet bij stil hoe snel een mens het lachen kan vergaan.
               Even later zien zij deze jongen weer, pratend in de deurtelefoon van een huis. Onoplettend keuvelend stappen zij hem voorbij, achterdocht ligt nu eenmaal niet in hun aard. Ze zoeken op het grondplan waar ze zich precies bevinden. Als de knaap een derde keer aan ze verschijnt, drie keer kraait ook de haan, zien ze van hem alleen nog maar de rug. En dat dan pas na de schrille gil van de vrouw: ‘Mijn hals! Mijn ketting!!!’ Soepel en veel te snel voor hun oude knoken danst deze stadse struikrover de steegjes in, in zijn hand het glinsterende gouden juweel dat net nog haar hals sierde en dat hij routineus heeft mee geritst.  

               ‘Tja,’ zalft agent 1, ‘veel mensen in deze stad bezitten letterlijk niets. In hun ogen zijn jullie, toeristen, de rijken. En zij hebben honger.’ Hij haalt zijn schouders op en steekt zijn handen in de lucht. Oliver Twist, denkt de man. Hij probeert over zijn walging voor de misdaad heen toch enigszins te begrijpen. Het is moeilijk.
               ‘Ratten zijn het,’ is agent 2 helder. ‘Crapule. Die ketting is al lang de stad uit, het is louter hebzucht, met vijf euro is dat tuig tevreden. Zij zijn roofdieren en jullie hun prooi. Galg en rad wordt dat gajes, let op mijn woorden. Vroeg of laat pakken we hem bij het vel, dan is hij nog niet jarig.’
               Jaja, knikken de vrouw en de man.

               In verhalen, denkt de man op de trein naar huis, komt het aan het einde altijd goed. Hij denkt aan Robin en Marianne, aan de arme Oliver. Het echte leven echter kent geen winnaars. Hier verliest iedereen. Die jongen, nauwelijks dertien, veertien, al zo ver afgedwaald, wordt dat ooit nog wat? Weinig kans.
               En voor de man en de vrouw zelf? Hoe lang ettert zulk voorval verder onder de huid? Het gemis van dat juweel, eens een geschenk, gaat dat ooit over?
               Soms wou ik, denkt de man, dat ook het leven niet meer was dan zomaar een verhaal. Dat je na het lezen het boek gewoon maar dicht te klappen had en aan een ander kon beginnen.

HipperdeHip

Heden zijn wij allen blij
               jochei, jochei, jochei
               heden zijn wij allen blij voor mij

               Vandaag is geen gewone een dag. Het is ver-jaar-dag. En niet zomaar eentje. Vandaag is een mijlpaal. Een scharniermoment in mijn nu toch wel lange leven. Ik kan zeggen poeh, zoveel doet het me niet meer. Ik zou liegen.
               Op de tijdlijn van het leven kleuren sommige haltes cursief en vet. De dag waarop ik acht werd, staat gemarkeerd met rood. In de plenzende regen fietste ik die ochtend blij en welgemutst naar school. In mijn boekentas achtentwintig Coca Colalolly’s, verpakt in een witte papieren zak. 1 kind 1 lolly, wat waren wij nog vrolijke Vrolijke Vriendjes toen. Helaas! Onderweg weerstond ik niet aan de drang nog een laatste keer mijn traktatie na te tellen, stel dat er één te weinig was! Het doorweekte papieren zakje scheurde, als Mikadostokjes stuiterden mijn lolly’s in de groezelige modder van de Gruisweg. Wat mijn geheugen nog vertelt: rode konen, gebulder uit zevenentwintig ondankbare monden en een misprijzende blik van de onderwijzer toen hij zijn pakje Groene Tigra Filter in ontvangst nam terwijl hij zware Gauloises rookte.
               Dat ik toch zo’n olijkerd gebleven ben, verbaast ook mijzelf hogelijk.

               Vanaf je achttiende mag je in je eentje autorijden, in het stemhok lekker zelf je eigen malloten gaan verkiezen en hoef je niemand nog ergens toestemming om te vragen. En ook, vanaf nu mag je rechtstreeks naar de gevangenis, je hoeft niet weer langs Start of in een of ander opvolgtraject.   
    Eenentwintig worden vierde ik in café Boerenkwartier. Ik verpulverde die avond het kroegrecord op de flipperkast een keer of tien en vierde elke nieuwe score met een Bolleke Coninck. Diep in de nacht zwalpte ik naar huis, een dronken en eenzame Pinbal Wizzard die voorzeker wist, met deze jongen wordt het nooit nog wat.
               En kijk nu! Ha! Zo immers gaat het in het leven. Soms ben je alleen en soms ook niet, soms ben je blij, soms heb je verdriet, terwijl geruisloos en zonder genade je tijd vervliedt.
               Kijk, dat rolt er zomaar uit. Het zal de wijsheid van de jaren zijn.

               Vijfenzestig ben ik nu. De leeftijd van het vijfde wiel. Niemand vraagt nog naar mijn sterke schouders voor een verhuis, niemand heeft me nog nodig voor een klus. Wel kan ik nog de huiswacht spelen die de deur openmaakt voor de mannen van het water, de gas of Proximus.
               Het leven als drietrapsraket. In de ochtend stijg je ten hemel, omringd door licht en liefde en vuur en veel poeha. Komt een schier eindeloze tijd van zweven door het zwerk en dingen doen waarvan je later niet meer weet dat je ze hebt gedaan en waarvoor het allemaal heeft gediend. Uiteindelijk land je weer, op en uitgedoofd, op een onooglijke golf in een onmetelijke Oceaan van Stilte.

               De toekomst oogt fleurig. Ik krijg nu korting in musea en mag voordelig met De Lijn. Ook met de trein maar niet voor negen uur, kwestie de actieven in hun haast niet voor de voeten te schuifelen. Jongeren staan spontaan hun zitje aan me af, in de groeven rond mijn moeë ogen lezen ze de slapte van mijn knoken. Bedankt zeg ik maar nee bedankt. Ik kan nog best op eigen benen staan. En aan de elektrische fiets ga ik ook lang nog niet. Nog veel te jong daarvoor, te soepel en te ijdel.
               Ha wederom! Winkelen mag nu tijdens het seniorenuur. Ik koop uitsluitend nog vetvrij, cholesterolarm en voedzaam. Fluks laveer ik van groenten naar fruit en yoghurt wijl vroegere klasgenoten hijgerig over hun rollator hangen. Ik mag luidop op ze mopperen, toch niemand die me hoort. Ik geef het toe, stiekem vraag ik me weleens af waar toch die zeurende pijn achter in mijn hoofd vandaan blijft komen. En ook mijn darmen doen soms raar. Het zal toch geen? Toch een keertje vaker langs de dokter dan.
               Het beste is er nu wel af. Lang gaat het niet meer duren, dan komen eens per week de kinderen langs. Ze schikken de deken op mijn schoot, vragen of ik nog wat kan genieten van de zomerbeelden op tv, of het geluid niet harder moet en de verwarming wat omlaag. Ze schenken een lekker kopje thee, vlierbloesem met kaneel, goed voor de bloedsomloop. De borrel waar ik zo vreselijk veel zin in heb, mag van de arts al lang niet meer.

               Ze zwaaien nog een keer, de plicht en druk druk druk, ik ken dat nog van vroeger, en laten mij in al mijn overbodigheid lekker nog genieten van mijn oude dag. Als ze de deur uit zijn, takel ik mezelf de zetel uit. Ik draai de kurk van The Glenlivet 18, Single Malt Scotch Whisky en kijk in de spiegel. Tjing, zeg ik en Hip Hip Hoi voor mij.
               En u?

Pimmetje

               ‘Kijk hem daar nou liggen,’ zei de vrouw.
               Wilma heette ze. Ze zat gelaten op het houten bankje tussen de kleine speeltuin en Bloc Sanitair Numero 1 en zoog de rook van een sigaret in haar longen.
               Hem was niet echt meer Hem. Hem was het lichaam van haar man, in een grijze zak op de koude grond naast de Fiat Ducato op Rij E, plek 10 van Camping de Lyon. Iets eerder die ochtend hadden wij in plek 10, rij D, de ideale staanplaats gevonden voor een week er tussenuit in het Zuiden. Ondanks de waarschuwende kilte van de ochtendbries hadden wij niet verwacht dat de Dood daar nog een opdracht te vervullen had.

               ‘Hij had er zich zoveel van voorgesteld,’ vertelde Wilma. ‘Urenlang alles voorbereid, tot in de details.’ Ze inhaleerde nog een keer. ‘En zie hem nou. Zie mij nou.’ Ze keek naar me. Of ze me ook werkelijk zag, is niet zeker. Ik was het toevallige oor dat alleen maar te luisteren had.
               ‘Kijk,’ zei ze. Ze hield een plastieken mapje in de lucht, geprinte bladen, dikke zwarte woorden achter gedachtestreepjes. ‘Voor elke dag een papiertje. Dag 1: 9u. Groningen – Nijmegen, 207 kilometer, camping Huppeldepup. Voor zes weken, inclusief tankplaatsen, bevoorradingswinkels en restaurants. Pietje Precies, hoor, mijn Pimmetje, wel net zo makkelijk. Ik liet hem maar, die camper was zijn lange leven.’
               Het orgelpunt had Barcelona moeten worden. Toen echter haar Pimmetje die ochtend de elektriciteitskabel om de haspel wikkelde, besliste het hart eenzijdig alle verdere samenwerking stop te zetten. Zonder stakingsaanzegging vooraf, zomaar, poef pardoes. ‘Net was ie er nog en nu niet meer,’ schuurde haar doorrookte stem.

               Bedenkelijk monsterde ze de troosteloze camper en de bundel mens in grijze zak ernaast. Ze rilde. Ik rilde met haar mee.
               ‘Moet dat nou zo?’ verzuchtte ze.
               ‘Neen,’ zei ik, ‘dat zou beter moeten.‘ Er bestaan vast redenen voor en protocollen waarom ziekenbroeders geen dode mensen mogen vervoeren, toch had dit beter gekund. Vijf meter verderop keuvelden ontspannen onder de stilaan opwarmende zon twee gewapende agenten.  Ze lachten.
               Terwijl we samen naar dit verbijsterende stilleven staarden, bleven uit haar mond de woorden stromen. Ze praatte in het ijle. In het niets. Dat was ik. ‘Geen slechte man hoor. Wel eentje van de nauwgezetheid. Orde. Regelmaat. Elke dag twee biertjes, niet meer, niet minder. Een aperitiefje om vier uur na het werk en na het avondeten nog een afzakkertje. Elke dag hetzelfde.’ Dat ik er ken die er andere drinkgewoonten op na houden, hield ik voor mezelf.
               Ik keek zwijgend naar het pakket op de koude aarde. Zesenzeventig jaar geleefd, niet stokoud maar natuurlijk ook niet echt piep meer. Zesenzeventig jaar van liefhebben en ruziemaken, wat misschien nog niet eens zo ver uit elkaar ligt. Van werken en potverteren, vallen en opstaan. Getrouwd en gescheiden en weer getrouwd. Met Wilma – tweede keer goede keer, die hier met droge ogen zat te praten en roken en telefoneren. ‘Hoe moet dan nou allemaal? Hoe komt die thuis? En wanneer? Gelukkig komt straks mijn zoon.’

               ‘Koppige man, hoor, mijn stiefvader,’ vertelde die twaalf uren later, zelf nu ook een biertje in de hand. Hij bood er mij geen aan. Hoewel ik wars probeer te zijn van vooroordelen zag ik hierin toch typisch Hollands gedrag. ‘Zei altijd rechtuit wat ie dacht. Je hoefde het niet met hem eens te zijn, het voordeel van de duidelijkheid had ie wel.’
               ‘Gemakkelijke man,’ glimlachte ik tegen Wilma. Ik ben toch altijd meer iemand die voorzichtig in de slagroom spatelt zodat er ook wat lucht bij kan om het geheel verteerbaar te maken. Anders wordt het zaakje alleen maar meer kleverig en zwaarder voor de maag.
               ‘Nou, ‘ zuchtte ze. ‘Neen. Dat niet.’ Ik ken er ook, mannen uit één geheel, zeker van hun zaak, altijd voet bij stuk. Ze klampen zich vast aan hun grote gelijk als een drenkeling in open zee aan een stuk hout. ‘Mijn twee andere kinderen willen niet komen,’ voegde ze er hees aan toe. Nu glansden plots haar ogen wel.
               ‘Kijk,’ verlegde ze het onderwerp, ‘voor op het kaartje. Dood ben ik pas als jij me bent vergeten. Kennen jullie die in België ook, Bram Vermeulen?’
               ‘Of wij die kennen,’ verdedigde ik het vaderland, ‘reken maar. Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Bram en Freek! Neerlands Hoop! Was ik destijds nog fan van. Argentinië ’78: Bloed aan de paal!’
               ‘Tja. Al die dingen waar je je tijdens je leven zo druk over maakt. Wat heeft het uiteindelijk opgeleverd?’

               Nog lang bleef die avond het licht branden op plek 10 in rij D. Dat we toch allemaal zomaar wat doen, bedacht ik halfweg mijn fles witte wijn. Een steen verlegd. Had Pimmetje die misschien niet beter maar gewoon laten liggen? Was de rivier daar nu beter van geworden? Of hij? Of die kinderen?
               Ik nam een slok en staarde in het donker buiten. Dat zou ik nog een hele tijd blijven doen.

Handen wassen verplicht

               Kent u dat?
               Dat je gezellig op wandel bent en plots zo nodig moet? Dat je dan in de eerste de beste horecagelegenheid een koffie bestelt en terstond het toilet induikt op zoek naar verlossing? Mij gebeurde het enkele dagen geleden ook weer. Een bijzondere ervaring, zeg maar.

               Na de daad wil ik mijn handen wassen. In de spiegel zie ik het gezicht van een oude man, ingehaald door de tijd. Rimpelig, haren dun en grijs, vermoeide ogen. Het leven heeft sporen nagelaten.
               Aan de muur naast de spiegel zie ik een flacon met zeep. Het is altijd even zoeken hoe dat werkt. Soms moet je knijpen, soms op een pompje drukken, soms moet je er als een bedelaar je handen onder houden en begint het ding vanzelf te lekken. Zo gaat het hier. Amper heeft mijn hand het reservoir bereikt of een turquoise, naar lavendel geurende vloeistof glijdt over mijn vingers. Het ruikt naar zomer. Van puur genot houd ik ook mijn andere hand open. Als ik voor die ene koffie vier euro ga betalen, mag ik me wel een extra portie zeep veroorloven, vind ik zo.
               De kommetjes van mijn beide handen zijn gevuld maar de zeepstroom wil van geen ophouden weten. De flacon blijft lekken als een kapotte kraan, het goedje drupt al gauw tussen mijn vingers door op het tablet naast de wasbak. Ik kijk nerveus om me heen, nergens vind ik een handleiding om deze lavendelvloed te stoppen.
               Ten einde raad zwiep ik met een snelle ruk mijn handen naar de wasbak en o wonder, de zeepstroom verstomt. ‘Leven we niet,’ zo denk ik met de woorden van een wijze vriend, ‘in menig opzicht in een wonderbaarlijke tijd?’
               ‘Dat doen we,’ antwoordt de man in de spiegel. Hij zucht.

               Boven de wasbak wrijf ik de zeep omstandig over mijn handen en polsen, reinheid draag ik hoog in het vaandel, deze koffie zal met schone handen en veel smaak worden genuttigd. Ik ruik naar de Provence. Dan houd ik mijn handen afwachtend onder de kraan, een soort gechromeerde zwanenhals die uit de muur groeit en zwijgend in de wasbak staart. Nergens ontwaar ik een sierlijk vleugelkraantje, een drukknop of robuuste draaikraan met blauwe of rode stip. De zwanenhals blijft droog als een Zuiderse fontein tijdens een hittegolf in hoogzomer. Een lichte paniek bevangt me, met glibberige zeephanden wordt een kopje koffie drinken een clowneske circusact.  

               Ik wieg wat met mijn handen, op en neer eerst, dan van voor naar achter. Er gebeurt niets. Smekend richt ik de palmen naar de hemel, draai hoopvol rondjes boven het bassin. Dorre droogte. Ik wuif naar de spiegel. De zwanennek lost geen drup. Je handen wassen hier is een hindernissenparcours, ik moet denken aan de administratieve vereenvoudiging van mijn belastingaangifte, hoe eenvoudiger het schijnbaar wordt, hoe minder ik ervan begrijp. Deze wereld en ik zijn niet langer op elkaar afgestemd, denk ik mistroostig, mochten ze dat ooit al zijn geweest.
               Dan valt mijn oog op een zwarte lens in de muur, onder de spiegel, een boos oog dat me stiekem in de gaten houdt. Ik sta perplex. Dit is ongehoord. Gemeen! Misschien zit achter die spiegel een of andere veiligheidsmedewerker gniffelend toe te kijken, wellicht wenkt hij nog een collega waarop hij al weken een oogje heeft, kijk daar, dat oude ventje, kan niet eens meer zijn handen wassen, hahaha. De gedachte windt me op. Het oog kijkt naar mij en ik kijk terug, verbolgen, zonder verpinken, wie denkt hij dat hij is, de vlerk, de vlegel, de geniepigaard, als hij uit zijn schuilplaats durft komen, ik zal hem …

               Dan kreun ik. Nee, o nee, o niet met mij. Nee, o nee nee nee.
               Ik behoor dan wel tot de wierookstokjes- en geitenwollen sokkengeneratie, het leven heeft ook mij een ruggengraat gekweekt, kijk maar de groeven in mijn gezicht. Ik accepteer dit niet langer, dit achterbakse gespied, dit ik zie, ik zie wat jij niet ziet. Dit spel houdt op, hier en nu en voor altijd. Ik heb mijn buik vol van al die camera’s altijd en overal, op de weg, in het warenhuis, op het toilet. Gedaan ermee!
               ‘Algehele Blindheid Weze Uw Lot,’ zeg ik hardop en net als ik mijn zeephanden wil uitsmeren over het spionnenoog in de muur, plenst onverwachts uit de zwanenhals een woeste waterval, over mijn handen, mijn polsen, de mouwen van mijn wollen trui. Verschrikt deins ik achteruit, water drupt op mijn broek. Vanuit mijn mouwen lekt het op de punten van mijn schoenen. Mijn dijen kleuren donkerblauw, alsof ik het urinoir niet tijdig heb gehaald. ‘Een handdoek,’ ik roep het nu, ‘mijn koninkrijk voor een handdoek,’ maar een handdoek is er niet, er is enkel maar een eiwitten bakje van plastiek, volgepropt met flinterdunne papiertjes waar je zo met je vinger doorheen prikt. Veertien neem ik er, voor vier euro kan er wel een extra velletje af.

               In de gelagzaal sla ik gauwgauw mijn koffie achterover, leg een briefje van vijf op de tafel en vlucht de deur uit. Nog de hele dag achtervolgt mij de schaterlach van de jongen achter de spiegel en o wat heb ik het gehad met al die moderniteit en wat verlang ik weer innig naar de waterpomp in de achterkeuken van mijn oma die alleen maar koud water gaf maar waarvan je tenminste wist hoe ze werkte.

Als een vis

               Elke ochtend na het ontbijt ga ik even buurten bij de vissen in de tuin. Hun badje stelt weinig voor, een bakstenen rechthoek, vier meter op twee, diepte een meter of wat, te bescheiden voor een volwassen karper of een bontgekleurde koi. Onze vissen zijn van eenvoudige komaf maar gelukkig, dat valt ze aan te zien als ze glanzend in hun gouden badpak vrolijk door het water glijden, zonder zorgen, zonder doel.

               Als nog maar een glimp van mijn schaduw over het water valt, schuift nieuwsgierig de een na de ander uit een van de zeemanskruiken op de bodem waarin zij schuilen voor de nacht. Vrolijk wiegend met hun staart onthalen ze me als een vriend. De geest van de Carassius auratus auratus is geslepen; aan mijn dikke poten, de ronding van mijn buik, mijn brede nek en de warrige plukken haar op mijn hoofd merkt hij meteen dat ik niet de vraatzuchtige reiger ben die in hem alleen maar een schubbig hapje ziet.

               ‘Goedemorgen vissen,’ zeg ik dan, ongeacht welk been het eerst uit bed stapte.
               Dan is het even wachten. Vissen, weinig mensen weten dat, denken diep na over de dingen, daar nemen ze graag de tijd voor. Vissen zijn karig met woorden doch wat ze zeggen komt van diep achter de kieuwen. Hun stemmen klinken vast maar zacht, je moet aandachtig naar ze luisteren.
               ‘Goedemorgen mens,’ fluisteren ze.
               We tutoyeren elkaar en bewaren tegelijk toch ook enige afstand. Ik noem hen hardop geen Flipper, Nemo of Sprotje en zij zeggen tegen mij ook nooit bonjour Tristesse of Schrijvertje. We respecteren elkaars wereld, een vis is geen mens en een mens geen vis, al heeft deze mens er ooit nog naar gestreefd een vis te zijn, als een dolfijn te klieven door het water, soepel, lenig, snel, alleen. Het heeft niet mogen zijn, een mens blijft een mens, beperkt in doen en gedachten en een vis een vis.

               Praten met de vissen brengt rust in mijn hoofd. Dat heeft met hun karakter te maken. Vissen zijn luisteraars, je kan je verhaal aan ze kwijt. Ze laten de woorden die ik uitstrooi een wijle achteloos drijven op het water tot plots een Sprotje of een Nemo zin krijgt, er eentje wegplukt, ermee naar de bodem duikt en het daar bedachtzaam gaat verteren. Daar beneden immers is het water kouder en werkt het brein scherper.
               Zelden zal een vis je onderbreken, terechtwijzen of het beter weten. Een vis verwacht niets van je, hij gaat nooit in de polemiek en probeert je niet te overtuigen van het eigen grote gelijk. Vissen leggen je geen woorden in de mond die je niet hebt gezegd, verdraaien geen feiten en praten niet over je achter je rug. Vissen accepteren je onvolmaaktheid, precies zoals jij die van hen te accepteren hebt. Velen onder ons kunnen van ze leren.

               ‘Wat fijn dat jullie er deze ochtend weer allemaal zijn,’ zeg ik opgewekt als ook de vermoedelijk laatste gouden zwemmer de kruik verlaten heeft. De ene dag tel ik er elf, dan weer eens twaalf, soms dertien. Vissen tellen is ingewikkeld, je kan goed met ze praten maar ze kunnen slecht stilzitten. Ze wriemelen de hele tijd door elkaar, ze kunnen het niet laten, het is de aard van het beest.
               Ook als dikke regendruppels brede kringen tekenen op het water, blijft de toon van ons dagelijks onderhoud goedgemutst. ‘Veel zuurstof in de lucht vandaag, jongens,’ zeg ik dan. Jongens, zij hebben daar vrede mee, vissen verliezen geen tijd met uitzichtloze hij-zij-hen-discussies, voor de vis is een vis een vis, punt. In eendracht maar niet simultaan trekken zij hun baantjes, van kruik naar kruik, soms schichtig, soms traagzaam, zij zijn baas over de tijd. Ach, verzucht ik een tikje jaloers, hoe heerlijk toch een vis te zijn.
               In de stilte die op mijn woorden volgt, hoor ik hun gedachten malen. Ze spoelen de woorden tot ze helemaal doorweekt zijn en bubbelen dan hun reactie naar het oppervlak van hun zwemparadijs.
             ‘Het wordt vast weer een heerlijke dag,’ fluisteren ze, ‘zwem er maar lekker door,’ elf keer, twaalf, soms dertien, de een na de ander zwemmen ze onder mijn schaduw voorbij.
               Voor wat dan met me gebeurt bestaan geen woorden. Door mij heen schiet als een vuurpijl een warme gloed van vreugde en genegenheid, een intense golf van liefde voor dit leven. Dan tel ik mijn zegeningen en prijs mijzelf de hemel in, blij omdat het mij ook vandaag weer zomaar in de schoot valt, dit vluchtig en ongrijpbaar ogenblik van Eenvoudig Klein Geluk.

De Laatste Skilift

               Het boek is uit en dan overvalt het je, zomaar, je verwacht het niet, er is ook geen ontsnappen aan, die golf van Weemoed, Weltschmerz in het Duits, een accurater woord, je proeft er het verdriet doorheen, de Sehnsucht, het verlangen naar wat geweest is en voor altijd voorbij zal zijn.
               Dan kijk je op en vraagt je af of er de voorbije zes weken nog iets belangwekkends is voorgevallen in de echte wereld, leeft je kat nog, hoe warm is de aarde inmiddels, heeft de burgemeester nog wat verstandigs gezegd, ja, even warm en neen, natuurlijk niet, en je bent danig in de war. Dan kijk je droef weer naar het boek op je schoot.

               John Irving is al je hele leven een van je lievelingsauteurs en het dikke boek waar liefkozend je vingers over strelen alsof het je geliefde is, heet De Laatste Skilift. Je begrijpt niet zo best waar plots die dip vandaan komt, zo geweldig vond je het deze keer allemaal niet, al kostte het lezen je toch zes weken van je leven. Het schrijven nam zes jaar van het zijne, prijs je gelukkig dat jij meer iemand van de korte afstand bent. De Amerikaanse penvoerder is eerder een marathonman, deze keer waagde hij zich zelfs aan een ultraloop.
               Of dat wel een goed idee was, vraag je je af want, eerlijk is eerlijk, je hebt het trucje nu wel door, zinnen die veelvuldig terugkomen, de roman binnen de roman, deze keer het scenario voor een film, het kind zonder vader, de sterke vrouwen, de genderproblemen, de wereld van de worstelaars, de boeken schrijvende personages, de verwijzingen naar Dickens, Moby Dick en Wenen, je las het allemaal al eens eerder in andere lijvige werken van dezelfde hand.
               Natuurlijk blijf je bewonderen. Irving plant geen plot, hij bouwt kathedralen. Ook nu wil je graag verdwalen in het buitenissige universum dat hij voor je ontvouwt, ga je houden van personages die hij dan op soms groteske wijze met het grootste plezier laat doodgaan, je stapt graag mee op de lift naar de top van de berg, het hoogtepunt, de wereld aan je voeten, bont, betoverend, bloedstollend en toch, de waarheid heeft haar rechten, je vond het zwoegen soms, arbeid, je wroette je doorheen de pagina’s, rekende uit hoeveel je er nog te gaan had, zeker ogenblik vreesde je neer te storten uit je stoeltje, de top niet te zullen halen, het boek opzij te leggen.

               Dat deed je natuurlijk ook weer niet. Respect! Er staat haast een meter Irving op je boekenplank, zeventien titels, negenduizend driehonderd pagina’s, pakweg achtenzestig leesweken, je herinnert je de euforie die je voelde na De Wereld volgens Garp, je kon er niet over zwijgen, moedigde andere mensen aan het ook te gaan lezen, je werd vrolijk van De Watermethodeman, op een middag verscheen je te laat voor je klas, was blijven plakken in De Regels van het Ciderhuis en weet je nog hoe je treurde met Treurnis, de opgezette hond uit Hotel New Hampshire die altijd weerkeert en hoe de tranen over je wangen liepen na Als Ik Jou Vind, het verhaal over die zoon die zijn vader zoekt? Tja, de Freuds van deze wereld zouden daar vast wel raad mee weten.

               Je Weltschmerz, besef je nu, is de pijn van het afscheid. Deze De Laatste Skilift zou weleens het ultieme kunstje van je idool geweest kunnen zijn. Je meent tussen de regels woorden van afscheid te hebben gelezen, het is mooi geweest, de man is eenentachtig inmiddels, aan het einde van het boek verzucht het hoofdpersonage te willen sterven met zijn hoofd op zijn bureau, halverwege een zin, zijn laatste dan, want voor schrijvers, schrijvers als John Irving, is er alleen maar dat, een laatste zin.
               Wat je voelt is de opgezette hond uit Hotel New Hampshire, Treurnis die altijd weerkeert, om de vreugde, de passie, het leesplezier dat deze schrijver je gedurende veertig jaar heeft toebedeeld, helemaal vanaf de verwekking van Garp en mocht je er de tijd voor vinden en ophouden met zelf nog van alles te willen doen, je zou er weer helemaal opnieuw aan beginnen.
               Je buigt het hoofd. Een diepe zucht. Je fluistert, je stem zacht en ingetogen: ‘Dank u wel, mijnheer Irving, voor alles, we hadden een heerlijke tijd samen.’
               Je wil een ander boek beginnen, maar dat gaat nog even niet.     

Al wat je zegt

               Wat een mallemolen toch weer deze week! Denk Delhaize! Denk stikstof! Denk mijn blauwzwarte hart! Denk… of nee, denk maar niet.

               Dat ene dingetje met die Buitengewoon Belangrijke Persoon blijft nog wel even aan me kleven. Amper een week geleden glunderend als een communicant in pakweg een studio of vier voor de promotie van zijn laatste boekje, u weet nog wel, over Woke, en dat daar nog eens burgeroorlog van komt. Die andere probleempjes, denk klimaat, denk kansarmoede, denk oorlog, zijn er kleintjes tegen. Een Waarlijk Leider herkent het Echte Gevaar, alle hulde voor Hem. En dan dit.

               Als een hazewind op speed hupte hij de trap af, in zijn zog een handvol getrouwen en daar weer achteraan de hyena’s van de pers, camera op scherp, microfoon in de aanslag, vervelende vragen roepend. Het journaille kwam er bekaaid vanaf. De Keizer van het Vrije Woord keek op noch om en hipte zonder opkijken gezwind van trede naar trede. Toen liet achter hem een volgeling per abuis een reactie vallen, ik herkende mijn vriend Ben, eveneens een Alleskunner, houdt moeiteloos vijf balletjes in de lucht, hij is naast Vicepresident van de Vlaamse Regering ook Minister van Onderwijs, Dierenwelzijn, Sport en Vlaamse Rand, schuift dat ook vijf keer de volle pot? – denk Siegfried! Denk Herman! Of nee, denk maar niet.

               De Strijder voor de Vrije Meningsuiting riep Ben tot de orde: ‘Hij vraagt het aan mij, dan moet jij niet antwoorden!’ Ben deed er prompt het zwijgen toe, hij kent zijn plaats, de journalist daarentegen dramde maar door.
               De Wokebestrijder hield het niet langer:  ‘Ze worden steeds vijandiger,’ sprak hij. Zijn apostelen bogen het hoofd en knikten zwijgzaam.
               ‘Antwoord dan gewoon,’ reageerde de reporter waarop een collega ietwat overmoedig inhaakte met een nog gedurfder vraag.
               ‘Deze probeert de ander nog in vijandigheid te overtreffen,’ de Leider probeerde een glimlach maar dat wilde niet echt lukken. De vertoning werd gênant, al een geluk heeft elke trap uiteindelijk ook een onderste trede. Nou nou, dacht ik, iemand is behoorlijk snel op de pik getrapt.

Ik weet het, een mens doet het beter niet, maar ik dacht na. Was dit dezelfde man die een week geleden nog nadrukkelijk poneerde dat te veel mensen te lange tenen hebben, dat minderheden stilaan de wereld gijzelen, dat men ons de mond probeert te snoeren? En nu een journalist afkatten die doet waarvoor hij wordt betaald, een vreemde kronkel, leek mij.
               Zoals zo vaak meanderden mijn gedachten naar mijn jaren van onschuld, naar dat vrolijke jongetje met blonde haren, grote tanden, flaporen en een loensend oog. Daarover wilde menig olijkerd weleens een grapje plegen: ‘Hey Flapoor, staat de wind gunstig?’ of ‘Hey Schele, pas op, een paal,’ of men draaide beide ogen tegelijk richting neusvleugels. Waarlijk lachen, gieren, brullen.
               Wat ik toen deed? Niets. Geslagen kroop ik in een hoekje en verbeet mijn tranen want bovenop al die onvolmaaktheden was ik ook nog eens een hoogst gevoelig kind. Mijn dapperste respons moet iets geweest zijn als: ‘Al wat je zegt ben je zelf,’ en dan hard rennen want dat kon ik als de beste. Later leerde ik dat precies in zijn onvolmaaktheid de schoonheid schuilt van de mens, maar dat is een ander verhaal.

               Vandaag is alles anders. Scheelogen en Flaporen zijn opgestaan. Zij laten zich horen en zien: wij zijn als elk ander, met dezelfde rechten, het maakt niet uit of je wit bent of zwart, kaki of blond, man of vrouw of iets daartussenin, de zon schijnt voor iedereen.
               Daar heeft blijkbaar niet iedereen vrede mee. ‘En wat dan,’ hoor ik pruttelen, ‘met ons recht om te beledigen? Mogen wij dan niks meer zeggen?’ Daarop zeg ik: ‘Maar natuurlijk kinderen, het is hier Iran of Noord-Korea niet, niemand steekt je hier de gevangenis in voor een scheldpartijtje meer of minder. Al mag je jezelf wel even vragen waarom dat zo nodig moet, dat n-woord, dat kwetsen, dat neerhalen van wie anders is dan jij?’

               Toen dacht ik weer aan dat boekje over woke. Waar gaat dit eigenlijk helemaal over, vroeg ik me af. Woke is toch niet meer dan de simpele vraag om rekening te houden met de gevoeligheden van een ander? Wie kan daar aanstoot aan nemen? Wie daar een excuus van maakt om zichzelf als slachtoffer te presenteren, genre ‘Mama, dat lelijk wijf is boos op mij omdat ik zeg dat ze een lelijk wijf is,’ zou weleens meer probleem kunnen zijn dan oplossing. Als je dan niet tegen de reactie kan, zeg het dan niet. Zeg je zulke dingen tegen je moeder ook? Denk overigens ook een keer aan de gevleugelde woorden van onze eigenste Minister-President: ‘Wat een lelijk wijf is, da gade gij ni bepalen!’
               Ik had het destijds al luidkeels van de daken moeten schreeuwen, het is gewoon waar: ‘Al wat je zegt ben je zelf!’

Onze Nicky

               Soms loop ik door het leven als een wild zwijntje in een donkere nacht door het grote bos dat elke voeling met de rest van de wereld is kwijtgespeeld. Dat doe ik ook wel eens op een fiets, als om me eraan te herinneren dat ik tot een andere diersoort behoor. Echte zwijnen, zo leert ons de wetenschap, fietsen niet.

               Onlangs verzeilde ik zo op een verloren zondag in de late namiddag in de buurt van het Kiel. Naast me aan het verkeerslicht stopte een man met op zijn hoofd een muts en rond zijn hals een sjaal met afwisselend mauve en witte strepen; ook droeg hij een gewatteerde winterjas in dezelfde kleuren. Prompt tikte tegen zijn achterwiel een andere fiets, een jongen van pakweg een jaar of tien, zelfde rozige wangen, zelfde paars-witte attributen. Het Kiel, die kleuren, meer hints had de Sherlock in mij niet vandoen, ik herken een Beerschotsupporter als hij naast me staat.
               ‘Gewonnen?’ vroeg ik.
               ‘Gelijk,’ antwoordde de man gelaten, ‘slechte match.’ Tja, voetbal in Antwerpen, dacht ik.
               ‘Vooral erg voor onze Nicky,’ wees de man met zijn duim over zijn schouder. De jongen achter hem bleef treiterig met zijn voorwiel tegen de fiets van zijn vader aantikken. ‘Voetbal is zijn uitlaatklep, het wordt weer een moeilijke week voor hem.’ Supporters lijden harder dan de spelers van het team zelf, dat is bekend. Supporters geven elke week alles, hun centen, hart en ziel, de club is hun leven, al helemaal als ze nog maar tien zijn.
               ‘Dat wordt vast weer vastbinden op zijn stoel,’ mompelde de man, naar ik aanvoelde meer tegen zichzelf dan tegen mij. Het viel me op dat de lippen van de achterwieltikkende jongen helemaal stuk waren gebeten. Ook knipperde hij als een op hol geslagen flikkerlicht voortdurend met zijn ogen. Een zenuwpeesje, noteerde mijn inwendige Sherlock. De man naast mij echter hield zich onder al dat getik stoïcijns kalm.

               ‘Zei u vastbinden?’ vroeg ik enigszins verbijsterd.
               ‘Onze Nicky is soms nogal druk,’ vertelde de man. Hij zuchtte. Het licht sprong op groen maar beiden bleven we staan. Terwijl zijn zoon opdringerig tegen zijn achterwiel zat op te rijden, kneep de man zijn remmen dicht. Fietsers die passeerden, wierpen ons onverholen boze blikken toe. ‘Vooral op school heeft hij het soms lastig, en geduld heeft hij al helemaal niet. Het is soms moeilijk, hé jongen?’, riep hij over zijn schouder. De jongen beet op zijn lip.
               ‘Hij zit nu bij juf Ellen, in het vierde. Een lieve juf hoor, daar niet van, ze bedoelt het goed. Zij kan het ook niet helpen, zevenentwintig kinderen in de klas, negen nationaliteiten, dus ja.’ Weer zuchtte hij. Intussen sprong het licht opnieuw op rood.
               ‘Vorige week moest mijnheertje te lang wachten naar zijn zin. Toen is hij ontploft. Roepen, schreeuwen, op tafel slaan, zijn stoel wegstampen want een lekker balletje trappen kan hij echt wel.’ Er klonk iets van trots door zijn woorden. ‘Toen heeft juf Ellen er zorgjuf Elke bijgehaald. Samen vonden ze er niet beter op dan met een rekker zijn been vast te binden aan zijn stoelpoot, om hem zogezegd immobiel te maken. Zijn rechter, zijn beste voet nota bene.’
               Ik stond perplex. Waren zulke pedagogische werkvormen al niet lang begraven in de vergeetputten van mijn jeugd? Blijkbaar niet, zo bleek.
               ‘Enfin,’ ging de man door, duidelijk blij dat hij zijn hart kon luchten. ‘Nu gaan we met hem naar de psycholoog, die schrijft wel wat voor.’ Het licht sprong weer op groen. Ik zette aan.
               ‘Succes nog,’ riep ik toen ik de pedelec op Turbo schakelde, ‘ook met jullie ploegje.’

               Terwijl ik naar huis sjeesde, zag ik dat ganse hulptraject voor me. Het niet-stilzittende kind, een kind dat wiebelt, graag speelt en lacht, wij noemden het vroeger druk, fixeren we vandaag met rekkers, we pompen er stilzitmedicijnen in zodat ze versuffen, we sturen ze op therapie opdat vooral ook zij zelf zouden doorhebben dat er iets mis is met ze, we zetten ze onder het vergrootglas, registreren elke beweging plichtsgetrouw op Smartschool, leggen dikke mappen aan en kleven etiketten, een op het dossier, een op het voorhoofd, ADHD, Borderline, ASS of gewoon ‘Onhandelbaar.’
               ‘Ja maar,’ zeggen wij dan, ‘we moeten wel,’ en we bezigen containerwoorden als ‘niveau’ en ’excelleren’ en schermen met internationale peilingen over Wiskunde, de Oppergod van de Heilige Vakken.
               Zou het kunnen, vroeg ik me af toen ik thuis de oprit opdraaide, dat er iets fout zit in ons systeem als het geluk van een kind afhangt van wat Beerschot er op zondag zoal van bakt?

Komaan Komaan

               De waarheid komt uit een kindermond, zei mijn grootmoeder altijd. Dan wezen wij treiterig naar onze vader: ‘Hij heeft de ganse dag op de zetel gelegen, hij is vast dronken geweest,’ en dan hij: ‘Een ganse nacht gewerkt, slavenarbeid,’ waarop zij: ‘Jaja, de waarheid komt uit een kindermond.’

               Vele waarheden uit kindermonden in de film C’mon C’mon van Mike Mills. Een reizende reporter (Joaquin Phoenix) houdt willekeurig gekozen minderjarigen een microfoon voor de lippen en stelt ze vragen als Hoe zie jij de toekomst, Over welke superkracht zou je graag beschikken of Als jij je ouders was, wat zou je dan je kinderen willen meegeven? Dat levert een boel buitengewoon intelligente en interessante antwoorden op, u zou het met uw kroost ook een keertje moeten proberen, dichter komen vinger en pols niet bij elkaar.

               Voor de replieken kijkt u best zelf. Laat mij u intussen verklappen dat er geen domme antwoorden worden gegeven, geen op school voorgekauwde ideale meningen, de jongeren spreken onbevangen met open hart. Achter de façade van opzichtig gecoiffeerde kapsels, zeven oorpiercings en de tatoeage van een rat op de buik is de jongere van vandaag even bang en onzeker voor de toekomst als wij destijds. Enfin, laat ik voor mezelf spreken. Zelfs hun idealen zijn dezelfde, ook vandaag willen jonge mensen Vrede en Liefde en daarbij meteen ook Honger en Oorlog de wereld uit. Dat onze dromen ook hun dromen zijn, houdt meteen ook in dat wij er zelf niet in zijn geslaagd ze waar te maken. De vinger op een pijnlijke wonde.
               Al sluiten we voor die waarheid graag de ogen. ‘Volwassenen denken altijd dat zij het beter weten’, zegt ergens in de film een meisje. Zuchtte een mevrouw bij het buitengaan: ‘Dat is toch ook zo, volwassenen weten het ook beter.’ Dat valt niet te zien aan de warboel die onze generatie van de wereld heeft gemaakt.     Stellen de jongeren in de film genuanceerd en helder pertinente vragen, de volwassenen maken er intussen wel een zootje van.

               Het leven van Jesse (Woody Norman), een jongen van negen, is een warboel. Zijn vader gaat gebukt onder striemende vlagen van paranoia, hij is geen anker waar een kind zijn bootje aan bindt. Zijn moeder, verscheurd door de keuze tussen de liefdes van haar leven, loopt wanhopig haar eega achterna. Niet echt verrassend dat de eenzame Jesse zich voor het slapengaan een alter ego bij elkaar fantaseert, hij waant zich dan een kind in een weeshuis en verzint verhalen die hij in bed aan mama wil vertellen. Negen jaar slechts en, zo weten wij, beschadigd voor het leven.

               De reporter, tevens Jesses oom, neemt de jongen mee op reportage. Zelf is hij een weifelende, gekwetste, eenzame man, Johnny heet hij, a common name, een gewone man. Zoals dat in relaties van liefde en hechting pleegt te gaan, lopen oom en neefje terwijl ze aan elkaar proberen te wennen een hobbelig parcours. Zij moeten leren praten met elkaar en luisteren, elkaars gevoelens respecteren, elkaars signalen lezen, u weet hoe het is, een intieme relatie is meer dan een boeket en opwindende lingerie voor Valentijn. Soms wordt het pijnlijk, als de oom zijn neefje weer naar zijn mama wil sturen, ‘geen tijd’, ‘ik kan dit niet’, soms ontwapenend, ‘roepen is ok, op de grond stampen is ok, boos zijn is ok. Bij mij mag jij dat.’

               Aan het eind interviewt Jesse zichzelf: ‘In het leven gebeurt nooit wat je hoopt of verwacht. Altijd gebeuren er dingen waar je nooit van had gedacht dat zoiets ook maar kon. Het enige wat jij dan kan zeggen is: ‘Komaan, Komaan!’.
               Bij het buitengaan voelde mijn maag als een loden bal, iets drukte achter mijn ogen, een zucht ontvluchtte mijn ziel. De oude mannenstem in mijn hoofd fluisterde: ‘En het houdt nooit op, lieve jongen. Ook al hoop je steeds weer van wel.’
               Het komt tenslotte toch allemaal wel goed, vraagt u. Ach, goed is een relatief begrip. De vader gaat in therapie en vindt rust, mama blij. Opgetogen belt ze haar jongen: ‘Morgen kom ik je halen.’ Moeder en kind herenigd, zo willen we dat toch graag, niet? Ikzelf verteerde het als een bedorven maaltijd. Oom en kind hadden elkaar gevonden, aangeraakt, een vorm ontdekt van, welja, een beetje Vrede en een beetje Liefde.

               In bed draaide en woelde ik een ganse nacht, toen het licht in de kamer viel had ik nauwelijks een oog dichtgedaan. Ik trok de deken over mijn hoofd en dook opnieuw in het donker.
               Toen zei een kindermond: ‘Komaan, jongen. Komaan.’
               Ik heb geluisterd.

Een vaarwel

               Het is op maandagavond. En het zou fijn zijn als jij er ook bij kon zijn. Dat zou hij zeker ook gevonden hebben.
               Vooraan de kist, de bloemen, de kransen. Geen wierook hier, geen kruizen, geen plaasteren gezichten die op droefenis staan. Hier geen god, geen gedoe. Hier wordt eer betoond aan de mens zoals hij was toen hij nog leefde, naar wat er daarna komt hebben wij te raden.

               De ruimte, de omvang van een sportzaal, zoemt als een theater voor de voorstelling.
               Vanwaar je zit kan je de gezichten op de eerste rij niet zien. Dat hoeft ook niet, je weet hoe het is. De plaatsen vooraan in de zaal zijn deze avond niet de beste. Laten we hopen dat wie daar zit de warmte voelt van de ruim duizend ogen die in hun ruggen prikken.
               Als je iedereen bij elkaar optelt die erbij was toen je moeder ging, je vader en je broers, dan nog kom je niet tot de helft van de aanwezigen hier. Hoe meer mensen bij je afscheid, hoe meer je betekende tijdens je leven, zeggen ze. Zou dat kloppen? Deze man heeft dan vast een steen of twee verlegd, links een dam opgetrokken of rechts een dijk gebouwd.
               Je maakt je geen illusies, bij jou zal het heel wat minder zijn. Je troost jezelf, niet de kwantiteit is het belangrijkst. Wie later liever niet voor jou uit zijn luie zetel komt, blijft er maar lekker zitten. Een gedachte voor je notitieboekje.

               De zonen nemen het woord. Verrassend rustig, hun stemmen onder controle, mooie woorden. Je stelt je de trots voor van de man in de kist. Hij heeft het goed gedaan, dat zeggen zij, dat willen ze laten weten. Of je het goed deed, weet je toch pas achteraf, als het voorbij is.
               In een flits zie je daar je eigen zoon en dochter, bedremmeld, bedroefd, hun best doend voor hun papa. Je tast naar je zakdoek. Misschien laten ze die kelk toch maar beter aan zich voorbijgaan. Of wat je ook kan doen, je doet het zelf. Schrijf een script, kies foto’s en muziek, maak er een podcast van. Regisseur van je eigen afscheid, er woont ook een narcist in je.
               De broer is een vat vol anekdotes. Hij worstelt met de microfoon, zet dapper door, het is het laatste wat hij nog voor zijn broer kan doen. Ach, je broers en zussen. Je hele leven kennen ze. Ze waren erbij, aten aan dezelfde tafel, sliepen in dezelfde kamer, speelden in dezelfde tuin. Jouw leven, hun leven. Toch voelden ze niet wat jij voelde, beleefden niet hoe jij het hebt beleefd. Deze broer schildert een kleurrijk portret, een grapje erbij, legt stukjes bij de puzzel van de man waarvan jij slechts een stukje hebt gekend.
               Ook de mensen van het werk hebben mooie woorden voorbereid: teamspeler, toewijding, inzet. Vertrouwen en Respect, tweemaal met hoofdletter. Ze roemen de goedlachse collega, de richtinggevende directeur. Je laat je gedachten even dwalen naar je eigen collega’s, je wuift ze meteen weer weg. Ze horen hier niet. Ze zijn een ander verhaal dat er hier helemaal niet toe doet.
               Na de mannen van de voetbal – hun kapitein!, is het slotwoord voor de geliefde. Pijn, zegt Van Dale, is lichamelijk lijden. Die omschrijving komt nog niet in de buurt van de breinaald in het hart, dat laaiende hellevuur vanbinnen, het missen, de onmacht, het verzet, en de onmogelijkheid om al die heftigheid in woorden te vangen. Pijn staat in het woordenboek, maar ook weer niet.

               Je mag achteraf mee in het achterzaaltje nog een laatste keer klinken. Voor de gelegenheid kies je Trippel Karmeliet, je zag het hem ook weleens drinken. Santé, zeg je, een keer, twee, drie, welaan dan, vier. Zo deden jullie het ook toen jullie op stap waren. Avonden zonder stiltes waarop elke keer weer jullie turbulente levens passeerden. Jullie draaiden er niet omheen, elk zijn gedacht en santé, voor wie is de volgende? In het diepst van het glas trokken jullie dan steevast hetzelfde besluit: wij weten het ook allemaal niet maar we hebben ons wel geamuseerd. Bedankt maat en dit moeten we nog doen.
               Net als je een vijfde glas overweegt, maant iemand je om mee de erehaag te vormen. Nooit eerder zag je drinkende mensen zo spontaan de gesprekken doven. Stilte als achtergrondmuziek. Een tokkelende gitaar, een kist glijdt in een auto. Zacht valt de achterklep in het slot. Handen gaan op elkaar. Het donker van de nacht slokt twee rode lichtjes op. Uiteindelijk rest niets nog dan het zwart.
               Het is tijd. Alles is gezegd.