Honky Tonk Woman

               Soms wou ik dat ik iemand anders was. Iemand die niet altijd over alles een mening had. Iemand die hetzelfde denkt als iedereen en meedrijft met de stroom.  
               Want dat is mijn probleem. Dan vraagt iemand: ‘Wat vind jij daar nu van?’ en dan schiet ik terstond in overdrive. In geuren en kleuren licht ik mijn gedachten toe, karrenvrachten argumenten sleep ik aan en vrijwel altijd is mijn mening tegengesteld aan wat de vraagsteller graag wil horen. Stemmen klimmen hoog, passies laaien op, al heel gauw is het eieren lopen om de valstrik van de polemiek te mijden die deze tijdsgeest zo eigen is. Of mijn gesoebat en gediscussieer aan de wereld veel verandert, daar heb ik zo mijn twijfels over. Wat ik honderd procent zeker weet, ik word daar zo verschrikkelijk moe van.

               Veel liever was ik iemand die gezelschap gewoon gelukkig maakt. Iemand die altijd wel een leukigheidje in de groep kan gooien dat er verder niet toe doet. Iemand die tijdens het wegwerken van de lunch langs zijn neus weg vraagt:
               ‘Wist je dat Andy Summers, de gitarist van The Police, ouder is dan Keith Richards?’ Dan vallen monden open en gesprekken stil. Geen mens is ouder dan Keith Richards. Een veertiger scharrelt naar de telefoon, wie immers is Keith Richards? De dinosaurus onder de mensen. Keith was al de oudste mens op aarde toen ik hem leerde kennen. Met Honky Tonk Woman was dat. Wist u overigens dat Honky Tonk Woman oorspronkelijk een countrynummer was? Dat het uitkwam in de maand juli van dat bijzondere jaar 1969, dezelfde maand dus waarin Neil Armstrong als eerste mens de maan opstapte en Eddy Merckx zijn eerste Ronde van Frankrijk won? Iemand die zulke dingen weet, zo iemand wil ik zijn.

               De man die tijdens een wandeling in pakweg het Rivierenhof in Deurne nonchalant weet te vertellen dat dit domein ooit nog aan de paters Jezuïeten toebehoorde. En dat die paters toen de pest woekerde in de stad, hart en poorten openstelden om de stedelingen binnen hun heerlijkheid een beetje gezonde lucht te laten inademen. Kerkoversten bekommerden zich nog om de mensen toen, zou ik zeggen. Of misschien beter niet, dat is toch eerder een opinie.  
               ‘Hoe weet jij dat toch allemaal?’ vragen dan verwonderd mijn gezellen.
               ‘Ach,’ zeg ik dan enigszins afwerend, ‘ik weet nu eenmaal dingen. Dat zit in mijn natuur. Veel stelt het allemaal niet voor.’ Wat verderop wandelen we dromerig voorbij de vijver waar in het midden de fontein welig zilveren waterstralen sproeit. Dan vraag ik speels:
               ‘Wist je dat de fonteinen voor het kasteel van Versailles door een Belg ontworpen zijn?’ Wist je dat, vraag ik, terwijl ik natuurlijk het antwoord al wel weet. ‘Terwijl België nog niet eens bestond,’ voeg ik er verder nog aan toe. Natuurlijk stelt een of andere slimmerik de vraag of die zogenaamde Belg zich in dat geval wel Belg noemen mag. Van mij mag het. Maar dat is een mening, dus dat zeg ik niet.      
               Passeren we een weiland, bezaaid met hopen omgewoelde aarde. Een tikje schoolmeesterachtig vraag ik:
               ‘Hoeveel mollen zitten hier onder de grond, denken jullie?’
               ‘Honderd,’ roepen spontaan de allerkleinsten.
               ‘Vijftien,’ gokken aarzelend de volwassenen.
               ‘Eentje maar,’ zeg ik genoegzaam. Geduldig vertel ik dat de mol een solitair wezen is. Dat het de vrouwtjes zijn die de gangen graven, vooruitziend als ze zijn, wat je van een mol niet meteen verwacht. Ik laat even een pauze om de grap te laten indalen en zeg dan:
               ‘Mollen en mensen gelijken meer op elkaar dan je zou vermoeden. Door het graven van een gangenstelsel rond een centrale ruimte bakent het vrouwtje haar territorium af, zodat de man haar tijdens de paartijd makkelijk kan vinden.’ Monkelend voeg ik daaraan toe dat de mollenman in de illusie leeft dat hij de jager is terwijl het vrouwtje al veel eerder haar lijn naar hem heeft uitgegooid. Dat zien mollenmannen niet, blind van lust en drift als ze zijn.
               ‘Helemaal zoals bij ons mensen, dus.’ besluit ik ietwat overmoedig, ‘Bij de diersoort mens gaat het er precies zo aan toe. Het mannetje denkt ook dat hij zijn prooi kiest, in werkelijkheid gaat het precies andersom. Het is alleen, mannen beseffen dat niet zo. En dit vaststaand feit erkennen willen ze al helemaal niet.’
               Dat is bij menig man tegen het zere been. Voor ik het goed en wel besef, ontstaat een gloeiende discussie tussen believers en non-believers. Daar word ik dan weer geweldig moe van. En besef ik ook dat ik uiteindelijk toch alleen mezelf maar kan zijn.

Piemelportret

               Het was alles één groot misverstand. Hoe welgemeend ook de voornemens, eens te meer bleken ze plaveisel naar de hel.

               De Sprekershoek zou vorige week haar tweehonderdste publicatie vieren. Een feestelijk verhaal leek in de maak, een ode aan de lezer die elke zaterdagochtend bij de koffie vier minuten tijd in ons gezelschap doorbrengt. Hoe bescheiden onze redactie ook, één enkele werknemer slechts telt de Schrijverij, des te groter onze dankbaarheid. Wij zouden u trakteren op een bijzonder stukje, teder, ontroerend en een tikje geestig, helemaal zoals u dat van ons gewend bent, maar dan beter.

               Wat een feest moest worden, werd een nachtmerrie. Die begon bij de minister.
               Voor een schrijver, dat weet u, is alles materiaal. Een struikelende president, een fotoshop van de prinses van Wales, een betraande Bart De Wever, een schrijver ziet er inspiratie in. Dat een futiel feit ook omgekeerd kan werken, de artistieke bron doen uitdrogen, dat had ik me dus onmogelijk kunnen voorstellen.
               Ik keek op het avondnieuws naar Vlaams Minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme, Zuhal Demir. De eerlijkheid gebiedt mij te erkennen dat in mijn hart weinig sympathie woont voor de politica, noch voor de ideeën waar ze voor staat, noch voor de boude toon waarop ze die verwoordt. Omgekeerd evenredig heb ik het grootste respect voor de vrouw die haar nek uitsteekt.

               De minister profileerde zich als slachtoffer. Niks nieuws leek mij. Ik heb ze niet gelezen, maar volgens mij staat de Calimero-rol gewoon in de partijstatuten. Daar gaan we weer, dacht ik, het is weer de schuld van god weet wie.  Ik had ongelijk. De minister had recht van spreken. Een anonieme pipo had haar een afbeelding bezorgd van zijn hoogstpersoonlijke jongeheer. Over wat er op dat beeld zoal te zien was, bleef de minister vaag. Alle begrip, wat je privé wordt toegestuurd, geeft je niet zomaar aan de openbaarheid prijs. Veel verbeelding heeft een mens ook niet van doen om zich hiervan een voorstelling te maken.
               Geen vrouw hoeft zulks te accepteren, ook geen man, wat mij betreft. Dat de minister bij de politie klacht neerlegde, vond ik dan ook terecht. Wat bezielt zo een man ook, vroeg ik me af. Wat denkt hij te bereiken? Bestaan er echt mannen die geloven dat een vrouw gelukkig wordt van een foto van zijn piemel? Geen vreemder beest dan de mens, denk ik soms.
               Ook vroeg ik me af hoe dat praktisch in zijn werk gaat. Zelf krijg ik mijn hoofd niet op een selfie, hoe moet dat dan met die kronkel onder een bolle buik? Er dienen fotogenieke keuzes gemaakt. Vogelperspectief of kikker? En face of en profil? Slaperig, half wakend of paraat voor de strijd? Zwart-wit of kleur? Mét decor erbij of een naakte obelisk voor een zwarte achtergrond? Scherp, flou artistique of sepia? Een hele onderneming, lijkt het wel.  

               De minister zelf bracht me weer bij de les. Een lelijk woord voor een lelijk ding, moet ze hebben gedacht, want dat doen ministers soms, denken. Een dickpic versturen moet hard worden aangepakt, zei ze. Dat schoot bij mij, excuus, toch in het verkeerde keelgat. Onverwijld kroop ik in de pen, een onhebbelijkheid die ik met meerdere schrijvers deel.  

               Geachte Mevrouw Minister

Bij deze wens ik mijn medeleven te betuigen met de goorheid die u is ten deel gevallen. Het zou niet mogen zijn. Ik deel uw verontwaardiging en steun uw initiatieven om aan dit soort walgelijkheden paal en perk te stellen.
Toch moet mij ook dit van het hart: dient een vooraanstaand minister van de Vlaamse regering, boegbeeld van een partij die de Vlaamse taal hoog in het banier voert, niet ook op talig vlak vreemde invloeden te allen tijde uit haar discours te weren? Helemaal als er daarvoor valabele Vlaamse alternatieven bestaan? Enkele suggesties? Wat dacht u van mijn piemelfoto? Mijn Penisportret? Mijn lulkiekje of flieterbeeld? Mooi, toch?

Graag zou ik een en ander aan u persoonlijk toelichten op uw kabinet.

Met de meeste achting

Meteen al de volgende dag ontving ik volgende reactie:

Mijnheer Schrijvers

Als u denkt grappig te zijn, dan vergist u zich terdege. Ik heb uw piemelfoto, penisportret of hoe u uw wansmakelijke beelden ook wenst te omschrijven, overhandigd aan de bevoegde instanties. U mag zich binnenkort verwachten aan een bezoek van onze justitiële diensten.
Ten persoonlijke titel nog dit: wat mij betreft, omkadert u uw piemelbeeld met een vergulde lijst, kleeft u er een pittig prijskaartje onder en hangt u hem te kijk in een dure galerij. Een eerste deel van een tweeluik, ernaast een foto van die ene cel in uw hoofd die u uw hersenen noemt.

Zonder achting

Sindsdien, ik zweer het, kreeg ik werkelijk geen letter nog op papier en konden derhalve vorige week de feestelijkheden niet doorgaan.
Excuus daarvoor.

Bewaren

               Er is iets vreemds aan de hand met de doden. Sinds ze verdwenen zijn, zie ik ze vaker dan toen ze nog in leven waren. Elke dag duikt er wel iemand op die er niet meer is, mijn moeder of mijn vader, de ene broer of de andere, soms ook allebei maar zelden samen, vrienden, vriendinnen, soms ook ouders van vrienden of vriendinnen tot zelfs onze Duitse herder Cheeta die onder een auto liep toen ik negen was. Je bent pas dood als iedereen je is vergeten, ik ken het liedje. Echt dood zijn mijn doden helemaal niet, in een lange stoet schuiven ze elke dag voorbij.

               Dat laatste zeg ik verkeerd. Stoet is niet het juiste woord. Eerder vormen ze samen een foto die in een Harry Potterfilm ergens in een trapzaal hangt. Stom, bewegingloos decor, je loopt er duizend keren achteloos voorbij, zo gewend ben je eraan geraakt, tot plots, het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen, één eruit naar voren springt, een duivel uit een doos, een geest uit een graf, en pal voor je neus gaat staan. Je kan er niet omheen. Geen woord zegt de verschijning, geen ander teken van leven geeft hij dan zomaar voor je te staan en je in de ogen te kijken. Ik ben hier, schijnt hij te zeggen, zie mij. Tijd kent de dode niet, na een seconde kan hij weer verdwenen zijn, evengoed verkiest hij een kwartier bij je te blijven of een hele dag met je mee te lopen. Jij hebt het niet in de hand, de dode zelf evenmin. Vermoed ik. Zeker weten doe ik dat niet, geen van hen heeft me ooit verteld hoe alles precies in zijn werk gaat aan gindse kant van het licht.

               Zo ontwaakte naast me vanochtend mijn oudere broer J. van wie we binnenkort zijn sterfdag herdenken. Drie jaar geleden alweer. Hij overleed in Covidtijd. Onze bewegingen waren beperkt toen, samenzijn diende als ongezond, zelfs gevaarlijk te worden beschouwd, betamelijk afscheid nemen was ons niet gegund. Het zij zo, je kan erom treuren en zeuren, het brengt de dode niet weer tot leven.
               Dit heb ik berekend: op deze dag leef ik exact even lang als J. op de dag dat hij doodging. Ik speel vanaf nu in zijn extra tijd, overleven begint nu echt. Misschien besloot hij daarom vandaag niet van mijn zijde te wijken, alsof hij zeggen wil: Broertje, een detail nog, als we dan toch voor altijd uit elkaar moeten gaan, laten we dat dan waardig en fatsoenlijk doen.’  Een herkansing voor zijn laatste dag, zoiets.

               In mijn lijfkrant las ik deze week een voorpublicatie uit een boek over mensen die tijdens het leven van de schrijfster zijn doodgegaan. Dood doet het goed in de wereld van de kunsten. Liefde en Dood, Eros en Thanatos, u kent uw klassieken. De auteur heeft het zijdelings over sibling rivalry, de rivaliteit die zou bestaan tussen broers of zussen. Dat hadden J. en ik niet. Helemaal niet. Onze levens lagen daarvoor te ver uit elkaar. Wij verschilden in ongeveer alles, al hielden we wel allebei van een pittig glas op zijn tijd. We zagen elkaar zelden, telefoneerden vrijwel nooit, een overigens aan te bevelen remedie tegen levenslang aanslepende familievetes. Ook die hadden wij niet. We stonden niet meteen onverschillig tegenover elkaar, we lieten elkaar gewoon met rust.
               Dan werd het weer nieuwjaar en liepen we elkaar tegen het lijf in de van sigarettenrook vergiftigde woonkamer van mijn moeder waar we dan samen dronken werden. Tot volgend jaar maar weer, lalden we aan het eind met dikke tong. We moeten echt toch eens een keer, dit jaar moet het er zeker van gaan komen, voor het te laat is, haha, je weet maar nooit. Nu is het te laat, zou ik kunnen zeggen, maar dat doe ik niet. We ontmoeten elkaar vaker dan weleer.

               Ook nu, wanneer ik het boek dichtklap dat ik net heb uitgelezen, moet ik aan hem denken. Verloren, heet het boek, Ingrid Vander Veken heeft het geschreven. Het vertelt het leven van Liesje Andriesse, ongelukkige Joodse vrouw uit het midden van de vorige eeuw, overleden in Auschwitz. Omdat ik de auteur toevallig ken, ik verkeer in literaire kringen tegenwoordig, kon ik mijn exemplaar door haar laten signeren.
               ‘Omdat bewaren zo belangrijk is en schrijven dat kan.’ schreef ze met vulpen in sierlijke, zwarte letters vooraan in mijn boek.
               Omdat bewaren belangrijk is en schrijven dat kan, dit stukje voor J.

Pingen in Blogland

               Alle woorden zijn gelijk, maar sommige woorden zijn meer gelijk dan andere. George Orwell zei het al. Of iets van die strekking.
               Hoog op mijn gelijkheidsladder staat het woord Deining. Daarbij beeld ik me rimpelingen op het water in en een vrouw drijvend op een luchtbed. Of de vleugelslag van die fameuze Amazonevlinder die aan de andere kant van de wereld tot een storm leidt. Deining veroorzaken deed ook een woord dat op een dag vanuit mijn hoofd en hart via mijn toetsenbord de wereld in trok. Het deinde ver, voorbij woestijnen, zeeën en continenten.
               Dat woord was Twijfel, de titel boven een stukje enige tijd geleden, toen ik even de grond onder mijn voeten niet meer voelde. Ik kende een ogenblik van onzekerheid, aarzeling en dubio. Ik weet het, het zijn zotten die werken, Jules Kabas zei het ook al, en dwazen die zichzelf nooit in vraag stellen. Mijn tekstje wilde niet meer zijn dan de individueelste expressie van een individuele emotie, zoals Kloos het zou verwoorden. Een lichte vleugelslag van een onooglijke vlinder.

               Het begon bij Koen die mij pingde. Pingen in Blogland wil zeggen dat iemand je tekst oppikt en daarbij je naam vermeldt. Koen is geen dwaas, hij twijfelt ook, af en toe, vandaar dat pingen. Dat Koen mijn tekst gelezen had, berust eerder op toeval. Toeval is wat ons steeds weer bindt.
               Toevallig volgden we in dezelfde periode dezelfde opleiding. Toevallig ook doodden we allebei graag de vrije momenten met een potje kaart. We speelden om geld dat ik nooit had. Op een dag zou dat veranderen, in mijn handen brandde een Miserie op Tafel die me driehonderd Belgische Frank zou opleveren, vandaag een schamele zeven en een halve euro, toen mijn volledige weekgeld. Toevallig zaten alle kaarten tegen in dezelfde hand. Die van Koen. Ik betwijfel of ik mijn speelschuld ooit afloste. De feiten zijn inmiddels vast verjaard, maar Koen, bij leven en welzijn, als we ooit, de eerstvolgende pint is op mijn kosten.

               Toeval van een hogere orde. In de vakantie na ons afstuderen reisde ik samen met mijn gabber Filip en zijn vriendin met de trein Europa door. We sliepen in nachttreinen, op banken of de grond in stations en in parken onder de sterren. We overleefden op stokbrood en goedkope rode wijn. Het leven was lachen en vrijheid toen, regels en wetten alleen voor ouden en gehoorzamen.
               Op een snikhete dag botsten we aan de voet van de Akropolis tegen Koen en zijn kompanen. Hoe kon dat? Hoogzomer, een drukbezochte wereldstad, miljoenen toeristen, en dan dit treffen? Mijn verbazing steeg boven de kariatiden uit toen Koen vertelde dat zijn verblijf niet langer dan één etmaal duren zou, net lang genoeg om straks aan de rand van de stad in een amfitheater naar Hamlet te gaan kijken, door The Old Vic Company uit Londen. Derek Jacobi zou gestalte geven aan de getormenteerde Deense prins. Of wij ook niet gewoon zouden meegaan? Dat deden we. Haast vijftig jaar geleden inmiddels en nog altijd soest het zacht gefluisterde To be or Not to Be me af en toe als een kleine nachtmuziek in slaap.

               Toevallig snuisterde ik op een dag van twijfel en aarzeling wat doelloos door Blogland. Weer botste ik op Koen. Net als ik schrijft Koen ook korte stukjes over de gewone dingen des levens, vanuit duizend en een om ter origineelste invalshoeken. Hij heeft gezworven en gereisd, dit gedaan en dat en veel meegemaakt en is ten langen leste geland in Mozambique. Van daaruit heeft hij mij gepingd.
               Blijkt dat Koen veelvuldig en op vele plekken wordt gelezen. Mijn Twijfel reisde de wereld rond, door Nederland, Zweden, Ierland, de Verenigde Staten, tot Trinidad en Tobago. Trinidad en Tobago, weet u zelfs waar dat ligt? Vergelijk me niet met Taylor Swift, maar mijn cijfers piekten. Nieuwe volgers schoven aan. Er werd geliket en met hartjes gestrooid dat het een lieve lust was. Als u denkt dat ik hier schromelijk overdrijf, twijfel niet, u heeft gelijk. Maar weet ook, deze weifelaar voelde zich een koning, een held, al was het maar voor één dag.

               Gewoon dankjewel Koen, zou ik nu kunnen zeggen. Dat doe ik niet. Ik ping hem lekker terug. Gaat u eens buurten op https://koenschyvens.wordpress.com/, misschien wordt hij daar op zijn beurt ook wel weer vrolijk van.   Want dat is per slot toch van dit verhaal de moraal: dat we elkaar best wat meer mogen pingen allemaal.
               En Koen, twee dingen.
               Als we ooit, dan heb je niet één, maar twee pinten tegoed.
               En dat van die gouden pen, zeg dat nog eens. 

Twijfels

               Honderdnegentien pagina’s ver was ik, toen ik het boek met een diepe zucht finaal dichtklapte. Nog driehonderdentwee te gaan leek me van het goede wat teveel. Het is wel mooi geweest. Al hoor je me niet zeggen dat het geen goed boek zou zijn.
               Wat maakt een boek ook goed? In de media waar ik mijn mosterd haal, werd het alom bejubeld en geprezen maar hoe ik ook probeerde, mij kon het niet bekoren. Het thema lag me al niet zo, een moeder die doodgaat, een kind dat treurt. Diepdroef drama, dat wel, maar ook van alle tijden. Knappe schrijver die daar nog wat origineels aan weet toe te voegen. Dat gebeurde hier dan ook niet.

               Toch vond ik dat moeilijk, een boek ongelezen wegbergen. Afbreken voor het einde, ik kan dat slecht. Nog nooit wandelde ik halfweg een film de zaal uit, van elke toneelvoorstelling zag ik de acteurs na afloop groeten, eens miste ik zelfs na een werkelijk slaapverwekkende poëzieavond mijn laatste bus. Hardnekkig ploeteren doorheen een boek tot ik de laatste letter achter de kiezen heb zie ik als een soort morele plicht jegens de maker.
               Met enig schuldgevoel zocht ik voor dit niet uitgelezen werk een plek in mijn rek. Mijn oog viel op de foto van de vrouw op de achterflap. Een golf van empathie spoelde over me heen. Mocht ze dit zien, hoe zou ze zich dan voelen? Dit boek had haar voorzeker emmers zweet gekost, ze had de gewoonste gebeurtenissen uitgewerkt tot in de kleinste details, uren schrappen en herschrijven en verregaande research waren hier aan voorafgegaan. Medisch jargon werd in helder Nederlands uitgelegd, ingewikkelde procedures nauwkeurig toegelicht. Deze vrouw had het beste van zichzelf gegeven, zich dubbel geplooid, tijd noch moeite gespaard, vrienden en familie verwaarloosd en wat kreeg ze daarvoor terug? Een of andere minkukel zet het koudweg op de Niet te Behappen-plank. Mocht het mij overkomen, ik sprong op de koudste winterdag bij de vissen in de vijver en hield zo lang ik kon mijn adem in.

               Gans bij toeval stond die avond een tussentijdse evaluatie van Eigen Werk bovenaan mijn te doen-lijst. Lieden die dezelfde droom dromen als ik, op een dag het genoegen smaken achter glanzende vitrines prominent je naam te zien, op een harde kaft, liefst etalagebreed uitgestald en gepimpt met etiketten waarop Winner Booker Prize, Laureaat Libris Literatuurprijs of toch minstens Aanbevolen door de Uitbaatster – zouden hun leeservaring over mijn Misschien Ooit Een Boek met me delen.
               De bijeenkomst werd geen feest voor mijn ego.
               Dat er een dunne lijn loopt tussen kunst en kitsch, oordeelde fijntjes een erudiet lezer. Ik wist spontaan aan de verkeerde kant van de lijn te staan.
               Dat mijn vertelsels haar deden denken aan De Witte van Zichem, liet een jong meisje zich ontvallen. Ik voelde me plots ouder dan een reuzenschildpad op Galapagos.
               Probeer toch het cliché te mijden, adviseerde een ander aanstormend talent. Een kop koffie een bakje troost noemen of wolken zwanger van hoop zet hij prompt op de Niet Te Behappen-plank.
               Dat er ook wel aardige passages in mijn stukjes voorkwamen, besloot tot slot een attente cursiste. Het klonk als we kunnen toch ook gewoon vrienden blijven.

               Geslagen als een afgewezen minnaar fietste ik naar huis. De avond was koud en bitter, het miezerde, de wind blies tegen. Al ben ik al lang geen kind meer, het huilen stond me nader dan het lachen. Je tijd van gaan is gekomen, hield ik mezelf voor. Ga kantklossen. Pottenbakken.  Koi kweken. Een wonderkind van zestig is waarlijk geen gezicht.
               En zie! Als een voorspelbaar cliché voltrok zich toen een wonder. Een helder inzicht verlichtte als een zonnestraal mijn gedachten. De wind ging vanzelf liggen, de hemel hield op met huilen. Tegenwind maakt je sterker, bedacht ik . Je gaat er alleen maar beter door fietsen. Wat mij eerlijk en openhartig was gezegd, mocht ik helemaal niet afwijzen, ik moest het integendeel omarmen.
               Natuurlijk gaan we vrienden blijven, glimlachte ik toen. Het zijn immers je vrienden die je vrank en vrij de waarheid zeggen, die zien wat jij niet ziet, je ogen openen voor je blinde vlekken. Kitsch, dacht ik, ha, wacht maar! Oubollig, nou! Cliché, ho maar! Ik voelde de schrijver in mij herrijzen (als een Feniks, schreef ik haast, maar ik heb geleerd clichés te ontwijken).
               We Zullen Doorgaan, zong plots een Ramses in mij. We zullen doorgaan, schreeuwde ik luid naar het donker van de nacht. We Zullen Doorgaan. Tot we in de etalage zijn.
               Niets ergers voor een schrijver dan te worden weggezet op de Niet Te Behappen-plank.

Er

               ‘Zo ga jij er nooit geraken,’ zei de leraar. Dertien was ik toen.
               ‘Waar moet ik zijn dan,’ vroeg ik oprecht verwonderd. Leraren houden niet van vragen waarop het antwoord niet in hun handleiding staat. Ook deze mijnheer voelde zich door mijn vraag in zijn autoriteit bedreigd.
               ‘Mijnheer wil zeker weer de slimste zijn? Waar moet ik zijn! Zoek het maar eens uit in een opstel tegen morgen. En laten lezen en handtekenen door je vader.’
               Machtsmisbruik is van alle tijden.

               Ik doopte mijn strafwerk ‘Het land van ER’.
               O Er, schreef ik, Gij mysterie (het waren nog de dagen van de oude spelling, de tijden van ik drink nooit t, gij drinkt altijd t en hij drinkt t als hij tegenwoordig is), waar o waar bevindt gij u? Hoeveel dagreizen ver zijt gij van mij verwijderd? Openbaar u en zeg mij: hoe kom ik nader tot u?
               Ik schreef dat iedereen alsmaar naar er verwees, er staat een paard in de gang, er valt nog zoveel te doen, er ruist wat door het struikgewas, terwijl niemand me zeggen kon waar die er dan wel voor stond. Of zich bevond. Niemand. Dat ik het paters had gevraagd, politici en professoren en dat elkeen het antwoord schuldig bleef. Dat men enkel stellig wist: wie er niet geraakt, gaat als mislukking door het leven.

               De leraar keek niet tevreden. Hij monsterde eerst mijn schrijfsel, dan mijn dertienjarige zelf. Zowel tekst als persoon werkten als een rode lap op zijn ongenoegen.
               ‘Jij betweterige onnozelaar,’ bitste hij, ‘wou je met mijn voeten spelen, ja?’ Dat wilde ik waarlijk niet. Leraren denken altijd dat het over hen gaat terwijl ik, ik wilde enkel weten. De man dreigde met zijn hand, slaan deed hij deze keer echter niet. Wel scheurde hij mijn avondlijk werk in duizend kleine stukjes die hij als sneeuw over mijn hoofd liet dwarrelen.
               ‘Oprapen en onder mijn ogen uit,’ baste hij, zich niet bewust van de onmogelijkheid beide opdrachten tegelijk uit te voeren.

               Het raadsel er bleef me achtervolgen. Wat is het? Waar ligt het? Wat doet het? Tot vorige week, ik zat als een oude man wat hulpeloos en verwezen in de zetel voor me uit te staren, een stem uit de radio als een engel uit de hemel verlossing bracht. ‘Met de trein zou je er al zijn’ was zijn boodschap. Ik voelde me als de heilige maagd toen de aartsengel Gabriël aan haar verscheen. Gezegend, gezalfd, gelukkig.
               Terstond sloeg ik als een Sherlock aan het redeneren. Met de trein dus: er bevond zich voorzeker op een druk bereisde spoorwegader. Antwerpen – Brussel lag het meest voor de hand. Op de ranglijst van Grootste Steden in het Land zet een Sinjoor vanzelf de eigen Metropool op één. Plekken twee tot tien laat hij leeg, Brussel is een aanvaardbare elfde. Tussen die twee steden moest dus er zich bevinden.

               In Kontich-Lint is een klein stationnetje. ’s Morgens in de vroegte staan daar zeven wagentjes netjes op een rij. Komt een machinistje draaien aan een wieltje, enfin, u weet hoe het verder gaat. Zo ging het daar in het stoomtijdperk, zo gaat het er vandaag nog. Met het allergrootste respect, Kontich-Lint vind je ook met een loep niet terug in de top honderd van Grootste Steden. Mijn verbazing was dan ook niet in woorden te vatten toen mijn InterCity op deze plek tot stilstand kwam.  
               ‘Verderop is een bovenlijn geknakt,’ meldde onze machinist, ‘hier eindigt de reis.’ Zijn stem leek in niets op die van de aartsengel. Wat later opende hij de deuren. We mochten de trein verlaten.
               Hier stond ik dan, gans verloren in het midden van niets. IJsberend telde ik de stoeptegels van het kleine perron. Was dit toeval? Of een verdoken hint van de NMBS? Iedereen weet hoe ondoorgrondelijk de Belgische Spoorwegen te werk gaan. Een weg vooruit was er niet, een terugweg evenmin. Als je niet meer vooruit kan en ook niet achteruit, dan ben je er, toch?
               Ik peinsde, speurde en snuffelde, tot ik aan de achterzijde van het kleine stationnetje in de grauwe gevel een grijsblauwe arduinen plaat ontdekte:

 Wie in dit leven niet aldoor het beste uit zichzelf wint
Bereikt voor zijn sterven nooit of nooit dit mooie Kontich-Lint

               ‘Eureka,’ schreeuwde ik, tot verbijstering van mijn gestrande medereizigers. Ik greep een al wat ouder wordende dame bij de heupen en maakte met haar een rondedans op het perron.
               Toen biepte mijn telefoon.
               Ben je er al, las ik.
               Helemaal, stuurde ik terug. Alleen nog achterhalen wat ik hier kom doen.

Gelukkig zijn

               De koffie is warm, niet te heet. Het eitje heeft vier minuten gekookt. Soldaatjes erbij, gesneden uit wit brood. Met een droge tik houw ik het hoedje van mijn ei.
Op dat ogenblik wipt uit het niets een klein mannetje naast mijn dopje. Niet groter dan een duim is hij. Grijze haren pieken warrig onder zijn muts. Een pluizige baard danst op zijn borst. Hij schiet als een springveer op en neer, driftig zwaaiend met een aks. Hij schreeuwt en krijst als een speenvarken aan het spit.

               ‘He, ho, wat is dit,’ reageer ik onthutst.
               ‘Hé Schrijvertje,’ brult de ukkepuk, ‘zeg mij hier en nu, meteen: wat is geluk?’
               ‘Geluk? Hoe zou ik…’ probeer ik. Geduld blijkt niet zijn schoonste deugd.
               ‘Jij bent een schrijver, toch? Schrijvers horen over zulke dingen na te denken. De zin van het leven, het waarom van de schepping, de mysteriën van het bestaan. Dus ik vraag je: wat is geluk?’ Als om zijn bede kracht bij te zetten begint hij als een Canadese houthakker verwoed met zijn aks op mijn ei in te hakken. Dat komt gelukkig uit een gezonde kip met vrije loop en draagt een stevig pantser.
               ‘Zeg het!’ schreeuwt het onderdeurtje stampvoetend, ‘Zeg het. Zeg het. Zeg het!’

               Zonder diep voorafgaandelijk gepeins kan noch de beste schrijver van de wereld, noch de meest belezen filosoof op zulke vraag spontaan een afdoend antwoord uit de mouw schudden.  
               ‘Geluk? Een deur die plots opengaat misschien?’ weifel ik. Een halve eeuw geleden plantte Ann Christy dit idee in mijn gedachten. Haar indringende blik, glanzende lippen en vrijmoedig decolleté blijven voor eeuwig in mijn geest gegrift.
               ‘Is dat zo?’ briest het mannetje. ‘’Als hier zo meteen plots de deur opengaat en er staan drie manspersonen, gans in het zwart en met bivakmutsen op hun hoofd in je keuken, noem jij dat dan gelukkig zijn?’
               Hij heeft gelijk. Ik ben geneigd te denken van niet.

               ‘Geluk is tevreden zijn met wat je hebt,’ doe ik een tweede poging. Woorden van mijn Bomma Stok. Ze hinkte op slechts één been, het tweede sleepte ze als een zoutzak achter zich aan. Ze aanvaardde haar lot, mopperde nooit, toch kon je goed aan haar zien dat dat beengesleep haar met het klimmen van de jaren alsmaar zwaarder viel.
               ‘Bomma Stok was vast erg gelukkig met dat been,’ schampert de lilliputter. Weer moet ik toegeven. Veel geluk ging van Bomma Stok niet uit.
               Koppig zet ik door:
               ‘Kijk in de armste landen. Vaak hebben de mensen er geen dak boven het hoofd, geen water of elektriciteit, ze weten in de ochtend niet of ze die dag wel iets achter de kiezen zullen krijgen. Maar komt de koning op bezoek, dan lachen en dansen ze alsof het nieuwjaar is.’ De woede van de dwerg wordt er alleen maar groter door. Hij kapt en hakt en wipt en briest. Ik vrees het ergste voor mijn ei.
               ‘En als die koning weer weg is,’ brult hij, ‘hoe gelukkig kijken dan die moeders met die uitgemergelde kinderen op hun schoot?’ Hij gaat als een bezetene te keer, de eierschaal kraakt als een houten trap. Ik zie een eerste barst.
               ‘Geluk ligt in de ontmoeting met de ander,’ zet ik nu alle zeilen bij. ‘Geluk kan je niet één twee drie vatten, je moet het herkennen als het je komt aangewaaid.’ Het maakt de minuscule driftkop alleen maar driftiger, elk argument hakt hij furieus aan gruzelementen. De leegloop van mijn ei is nabij.

               ‘Boeddha!’ roep ik uit: ‘Boeddha zegt: geluk zit in jezelf. Je moet het in jezelf zoeken.’
               ‘Nee, nee, nee,’ schreeuwt het aardmannetje, ‘zwijg mij van die pachydermische pad. Kijk naar je binnenkant. Wat zie je daar? Bloed. Slijm. Organen. Dikke en dunne darmen. Dat noem jij geluk?’ Waarlijk, er valt met deze alverman geen redelijk gesprek te voeren.   

               Vraag me niet wat er dan gebeurt, ik weet het niet. Voor mijn ogen wordt het zwart. Mijn hand schiet uit. Voor ik het zelf goed en wel doorheb, bengelt het ettertje op vijf centimeter voor mijn neus, gekneld tussen mijn duim en wijsvinger, zwabberend en zwierend, woest trappelen zijn beentjes gaten in de lege lucht.
               ‘Jij miezerige frutsel! Jij petieterige pruts! Jij schriele schaamluis! Wie denk jij wel dat je bent? Ongevraagd indringen in mijn ontbijt. Mijn koffie koud laten worden. Mijn ei vermassacreren. Mijn ochtend bederven met vragen waar een normaal mens een leven over doet om een antwoord te verzinnen. Ik heb het helemaal gehad met jou!’
               Buiten dump ik het opdringerige opdondertje in de container voor het gft waar hij spartelend wegzinkt in een stank van rotting en een ranzige brij van appel- en bananenschillen, beschimmelde spaghettisaus en de resten van de Quiche Lorraine die de jaarwisseling nog heeft meegemaakt.

               De koffie is warm, niet te heet. Het eitje heeft exact vier minuten gekookt.
               Dat heet dan gelukkig zijn.
 

De eerste sneeuw

               De gelagzaal van De Blauwe Witpen is niet groter dan een fors uitgevallen woonkamer. Enkele tafels, een flipperkast, een vogelpikbord. De klok bleef hier stille staan toen ABBA het Eurovisiesongfestival won. Waterloo prijkt op de jukebox naast Slade en Paul Severs. Elvis Presley ook, Edith Piaf. Enkel de kamerbrede flatscreen stamt uit de huidige eeuw.

               De weerman kijkt sip. Het gaat sneeuwen, en geen beetje ook. Morgen ontwaakt het land onder een winters tapijt, verblindend wit, tien centimeter dik, twintig misschien wel. Hij wordt er niet gelukkig van. Ik wik zijn woorden en warm intussen mijn handen aan mijn gloeiende mok chocolademelk.
               ‘Deze winterprik wordt gevaarlijk, wees toch vooral voorzichtig op de weg,’ waarschuwt de weerman zorgelijk.
               ‘Bedankt voor je goede raad, Armand,’ pikt het nieuwsanker in.  Ze is mooi, blond en schijnbaar heel alleen in de studio. Misschien kijkt ze daarom zo bedrukt.
               ‘De toestand is ernstig,’ leest ze van de autocue. We hebben net ruïnes in Gaza gezien en een verpulverd flatgebouw in Oekraïne. Donald Trump die zich weer onweerstaanbaar naar het presidentschap wrikt. Maar nu wordt het ernst. De eerste sneeuw! Dat is toch meer dan een mens kan hebben! Een expert schuift bij.
               ‘Professor in winterweer, bah. Hoeveel jaar studeert dat op onze kosten?’ schampert de   man aan het tafeltje naast het mijne. Hij lijkt op Simon Carmiggelt, een gezicht als een reliëfkaart van uitgedroogde rivieren, een stem waarin tabak groeven heeft geraspt. Voor hem staan een borrel en een pils van drieëndertig centiliter.
               ‘Wie niet buiten moet zijn, blijft beter binnen,’ raadt de deskundige aan, ‘op straat wordt het levensgevaarlijk, vooral voor fietsers.’
               ‘Jezus,’ zucht de man, ‘léven is gevaarlijk. Je gaat er dood van.’
               ‘Fietsers laten best wat lucht uit de banden,’ adviseert de expert. ‘Verlaag je zadel, voor een betere balans. Fiets traag. Kijk uit voor ijsplekken, die kunnen vervaarlijk glad zijn.’  
               ‘Wordt die daarvoor betaald, denk je?’ vraagt de man. Om zijn blik te ontwijken gaap ik wat dommig in mijn mok.
               ‘Zie ik dat goed? Cécémel? Serieus? Hoe oud ben jij?’ lacht hij. En tot het oude besje achter de toog: ‘Josee, geef die jongen eens iets voor grote mensen. En doe mij ook nog eentje.’  Zwijgend plant de waardin een vingerhoed jenever naast mijn mok. De expert waarschuwt nog voor ellenlange files, het Openbaar Vervoer dat wellicht niet optimaal kan functioneren, sommige scholen zullen dicht blijven omdat de leerlingen er niet geraken.
               ‘Serieus,’ windt de jeneverman zich op. ‘In mijn tijd ploeterde ik met stro in mijn klompen te voet naar school, de sneeuw kwam tot aan mijn knieën.’ Vroeger. Ja, vroeger. Vroeger was er kaarslicht, vandaag is er elektriciteit, placht mijn broer altijd te zeggen. Ook vroeger, hij zwijgt al enkele jaren als een graf.
               ‘Ach, kruip toch allemaal in een boom,’ foetert de man. En tegen mij: ‘Santé jongen.’

               De laatste keer dat iemand mij jongen noemde, speelde ik zelf nog in de sneeuw. Winters waren leuk en goed voor een mens.
               ‘Kou is gezond, hij vriest virussen en bacteriën dood,’ beweerde mijn oma. Op een avond schaatste ik op de stoep voor ons huis een glijbaan bij elkaar. Urenlang holde ik in de sneeuw heen en weer, mijn ijsbaan werd steeds langer. Ze glansde in het gele licht van de straatlantaarn zo fel dat je erin je haar in een zijstreep kon schikken. Dikke vlokken legden er een witte deken overheen. Nietsvermoedende voetgangers en fietsers zouden morgenvroeg slippen, vallen, niet weten wat ze overkwam. Ik zou extra vroeg opstaan en me verstoppen achter het gordijn. Een dag niet gelachen was een dag niet geleefd, ook toen al.

               Met tegenzin nip ik van mijn jenever, algauw krijg ik toch de smaak te pakken.
               ‘Strooidiensten rukken massaal uit,’ meldt de dan toch niet zo eenzame mooie blonde op televisie.
               ‘Laat toch liggen,’ moppert mijn drinkebroer. ‘Laat toch de natuur zijn werk doen, zoals vroeger.’ Hij giet de laatste druppel in zijn mond. ‘Dat heb jij niet meegemaakt zeker, jongen, dat het Albertkanaal dichtgevroren was?’ Demonstratief houdt hij zijn lege glas hoog.
               ‘Josee, nog twee,’ wenk ik dan maar.
               ‘We gooiden godverdomme met sneeuwballen naar de meesters op de speelplaats,’ zegt de man. Buiten mijn wil lokt hij me mee naar een land van jenever en memorie. Vroeger was het heus niet beter, dat weet ik, maar het voelt wel lekker te doen alsof. En ook vroeger al kwam een borrel nooit alleen.

               Het is buiten alweer donker als ik de deur van De Blauwe Witpen achter me toetrek. Dikke vlokken wiegen als dons uit de hemel. Ik laat ze landen op mijn tong. Ze smaken naar oude klare en de tijd van toen. Eindelijk nog eens winter.

Mijn kathedraal

               We eten warme hapjes. We halen herinneringen op. We spelen een quiz: plaats het liedje in het juiste decennium op de tijdlijn: Maggie May, jaren zeventig; Losing my Religion begin jaren negentig. Iemand zet Chuck Berry naast The Cure. Lachen.
               Middernacht. We wensen elkaar alle goeds. Dat het huis dit jaar wordt afgewerkt en dat boek finaal geschreven. Dat we veel goede boeken mogen lezen, leuke films zien, verre reizen maken. En bovenal: veel geluk. De alleenstaanden gunnen we een lief ook als ze daar niet om vragen, wie jonger is dan twintig een goed rapport, een wens die verongelijkte blikken oogst, wie jong is wil meer zijn dan een blinkend cijfer op een schoolrapport.
               In bed bedenk ik dat niemand me een Goede Gezondheid heeft toegewenst, toch de oermoeder der Nieuwjaarswensen. Dat zie ik als een compliment, waarom iemand wensen wat hij al heeft? Men wenst de zee ook geen water, de kerk geen toren, een vis geen vinnen.
               Ik overloop mijn lijstje goede voornemens. Ik maak het elk jaar. De inhoud houd ik liever voor mezelf. Realiseer ik mijn doelen niet, dan kan niemand me op mijn falen wijzen. Veel stelt het ook allemaal niet voor: wat minder kilo’s, wat meer bewegen, minder alcohol ook, u kent dat. Niet altijd een mening willen hebben en die vooral vaker voor mezelf houden. Minder spot en meer respect voor de medemens. Sommige doelen zijn haalbaarder dan andere. Een maximumbreak op de snookertafel gun ik me ook, Europees kampioen honderd meter vlinderslag voor senioren, de Lotto winnen. Dromen houdt de waakvlam van het leven brandend.

               Al meteen de eerste dag van het nieuwe jaar wip ik de racefiets op, laat me door een forse wind richting Noorden blazen, een lauwe winterzon op de rug. Ik zweet. Het is opvallend warm voor de tijd van het jaar, een veeg teken waar ik verder niets aan vermag te doen. De illusie in mijn eentje de planeet te redden heb ik opgegeven.
               Het land slaapt nog. Op de terugweg staat de wind van voren. Als een Flandrien ploeter ik er doorheen, op het asfalt een slijmspoor latend van spuug, zweet en snot. Moe maar voldaan, zoals dat heet, stap ik later onder de douche. Dit voelt goed. 1 januari 2024 is voor mij wat paaszondag was voor Jezus Christus.

               Die avond kijk ik op televisie naar Gladiator. Ik voel enige verwantschap. We zijn allemaal gelijken, maar sommigen zijn gelijker dan anderen, laat ik het daarop houden. De krijger verliest vrouw en kind, lijf en leden en vecht gewoon door, dwars door alle weerstand. Met blote handen gaat hij in de arena een tijger te lijf. Uit zulk hout worden echte mannen gesneden, denk ik genoegzaam.
               Op dat ogenblik gaat mijn lichaam rare dingen doen. Het blaast warm en koud tegelijk. Zweet loopt in beekjes uit mijn poriën. Mijn longen vragen proestend de echtscheiding aan, ze willen mijn lichaam verlaten. Iets of iemand prikt met scherpgepunte messen in mijn onderrug, aan de binnenkant van mijn schedel herneemt een heavy metalband de afspeellijst van gisterenavond, volumeknop op tien. Ik hoor mezelf neen zeggen tegen de halve fles Cava en driekwart liter witte wijn die ik gisteren overliet en besef: hier is wel degelijk iets mis.

               Koortsige dromen in mijn bed. Ik bevind me in het hart van de stad op een pleintje dat Handschoenmarkt heet, naast het beeldhouwwerk van kleine Nello en zijn hondje Patrasche. De Onze-Lieve-Vrouwetoren klimt eerst nog trots tot in de grijze hemel, maar gaat dan huilen. Het is een verbijsterend zicht: langzaam maar onafwendbaar wordt de toren wak als een wassen kaars, het kanteeltje dat ooit een tweede toren had moeten worden zijgt als een lege zoutzak in elkaar, het ganse gebouw verzakt, krimpt, gaat hangen als een verslagen bokser in de touwen. Een onwezenlijk beeld. Die eens zo fiere kathedraal, trots en baken, wegwijzer, anker, verschraalt en verschrompelt tot niets nog rest dan een zielig hoopje vergane glorie, een schim van een schim van wat ooit is geweest.

               Tussen drijvende lakens schiet ik wakker. Met alle Chinezen, denk ik. Als een held die met de blote hand een tijger gaat verslaan, ga ik deze laffe aanval onvervaard te lijf. Ik wapen me met thee, beschuit met platte kaas en lente-ui, Netflix en VRT-Max. Een echte man versaagt niet, ook al is het erop of eronder.

               Vanmiddag was ik in de stad. De kathedraal staat er nog. Dit bestaan kent nog zekerheden, zoals daar zijn: een Goede Gezondheid blijft toch het belangrijkst.
               En voor u hetzelfde.

Voor jou

              

               Was het leven een marathon, dan strompelde ik nu zo ongeveer voorbij kilometerpaal vierendertig. Vlotjes rennen kon ik nooit echt goed. Hardlopen is een sport die pijn doet. Je holt al gauw jezelf voorbij, verzuurt ervan, voelt je krachten zo uit je lichaam vloeien. Bovendien moet het zwaarste nog komen. Vanaf hier gaat het pad alleen nog maar omhoog. Het wordt harken naar de meet, het laatste rondje in de arena is niet altijd een feest.
               Doch Moedig Voorwaarts, zeggen wij. Doe wel en kijk niet om. Of we wel doen weet ik niet zo zeker, omkijken evenwel doen we elk jaar opnieuw, wanneer de aarde weer haar eigen rondje rond de zon heeft volgemaakt. Niet dat we daar veel uit leren, het voelt gewoon goed te doen alsof en onszelf te beloven het vanaf morgen beter te zullen doen.

               Veel bijzonders zie ik niet als ik over mijn schouder kijk. U en ik verschillen niet zoveel, we lopen tenslotte allemaal min of meer dezelfde route. Ook ik heb weleens last van okselgeur of slecht humeur. Ook ik snauw weleens onbehouwen en schaam me daarvoor achteraf dan diep, ook ik maak voor een ander veel te weinig tijd, luister vaak te weinig en drink weleens te veel. En de splinter in uw oog zie ik sneller dan de balk in het mijne. We lijken meer op elkaar dan we denken.
               Verder mag ik echt niet klagen. Ik mag hopen u ook niet. De knoken zeuren wel maar doen het nog. Het leven daagt nog altijd uit, er worden nog steeds meer plannen gemaakt dan verwezenlijkt. Kilometer tweeënveertig is nog een heel eind weg.

               Of ik afgelopen jaar ook wat gelezen heb, wil u graag weten. Drieëndertig boeken tel ik op mijn lijstje want ja, ik houd daarvan een lijstje bij, het hoofd laat weleens een gaatje vallen. Welke lieten de diepste indruk na? Toevallig of in tijden als deze misschien ook niet, twee oorlogsromans: De Fabriek der Klootzakken van Chris Kraus en Wat ons nog rest van Aline Sax. De eerste vertelt de weerzinwekkende geschiedenis van een raszuivere nazi, de tweede is een roman in verzen over de weduwen en dochters die achterblijven als de kanonnen weer zwijgen. Allebei zijn ze op eigen wijze zeer bijzonder. Leg ze om de vrede te vieren onder de boom en maak er iemand blij mee. Mij niet, dank u, ik heb ze al, alsook een lijstje met dertig nieuwe titels, eenvoudig op aanvraag te verkrijgen.
               Wat deed ik verder nog? Ik keek naar Canvas, Netflix, Sports Eleven en een enkele keer ook NPO. Eigentijdse namen, je vermoedt er niet meteen een televisiezender in. Soms denk ik nog weleens aan BRT, Holland 1, Holland 2 en de blote borsten tijdens carnavalsshows op Duitsland 3.
               Ik herbekeek de volledige Peaky Blinders met op mijn hoofd een geruite pet waar in de klep scheermesjes zaten verstopt. Ik zag drie prachtige koninginnen in The Crown en verslond ontelbare Britse detectives. Ik heb stilaan genoeg lijken, folterkelders en gebrouilleerde detectives gezien. Waar het gaat om manieren te verzinnen om een ander pijn te doen, kent de menselijke fantasie geen grenzen. Een bescheiden tip voor scenaristen: de dader hoeft niet per se in aflevering 1 scène 1 opvallend onopvallend in een hoodie door het beeld te joggen.
               Wie per dag twee uur naar televisie kijkt, slijt jaarlijks dertig dagen voor het scherm. Een maand! Dat lijkt tijdverlies maar is het niet. Het is een vlucht uit die alsmaar veeleisender sport die Leven heet.

               Ook de planeet nadert kilometerpaal vijfendertig, is hem misschien zelfs al voorbij. Daar lag ik weleens wakker van, van dat veranderende klimaat. In de nacht van 20 december zat ik om 22 u te zweten op mijn fiets. Weet een kind van tien nog wel hoe koude ruikt? Hoe vrieskou in je velletje prikt als was je een speldenkussen? Hoe verse sneeuw smaakt?
               Ook die onophoudelijke gruwelstroom houdt me uit mijn slaap. Gaza, Odessa, Kivu, Praag. Dat we daar met zijn allen machteloos op staan te kijken. Niks kunnen of willen doen. De wrede verbeelding van wereldleiders en generaals zet de creatiefste scenaristen op ruime achterstand. Was de reële wereld een misdaadserie, ik draaide de knop zo om. Een maand per jaar gewonnen.

               Doch deze loper, hij sloft voort. Tot bij de lauwerkrans. Hij voedt zich onderweg met de mooie dingen op zijn tocht. Het leven zoals het is. Himmelhoch jauchzend zu Tode betrübt, het is mij niet onbekend. Met overgave, passie, emotie. Wie niet voelt, leeft niet echt, dat denk ik ervan. En u en ik, of mag ik voor deze ene keer jij zeggen, jij en ik, we leven nog.

               Dat gaan we nog acht kilometers lang blijven doen. Als de beste versie van onszelf. Rennend naar de glorie wens ik u – jou- een in alle opzichten bruisend 2024. Blijf vooral lekker lopen.