Blog

Gezien

Geachte mijnheer Zuckerberg
Beste Mark

Deed u dat ook, als klein peutertje? Je hield je handen voor je ogen, of je stak je weg onder een handdoek. En dan plots, piep, daar was je weer! Ach, de mooiste tijd van je leven, maar dat weet je pas als hij al lang vergleden is.
Ik heb me nog jarenlang onzichtbaar gewaand, geloofde dat ik kon doen wat ik wilde zonder dat iemand het zag. Dan bladerde ik in een boekenzaak in Rode Oortjes, of ik plaste im Nacht mit Nebel im Kopf tegen een lantaarnpaal, of ik vergaapte me aan de borsten van mijn tante, altijd ging ik ervan uit dat niemand mij in de gaten had. Dat kan ook echt zo zijn geweest. Misschien waren we toen minder bang, of bestond er minder technologie. Je kon nog staan kussen achter de kerk zonder dat iemand je betrapte. Vandaag smoezelt in je achterhoofd toch altijd de idee dat god weet waar een vies mannetje op een scherm naar je zit te kijken. Niet dat me dat nog vaak overkomt, ik ga al jaren niet meer naar de kerk.

Soms denk ik dat u dat mannetje bent. U schijnt alles van me te weten. Zo reed ik pas nog lek met de fiets. Gelukkig weet ik me door de heer gezegend met een flinke dosis gezond verstand, een hart van peperkoek en twee rechterhanden. Een wip, een duw, een abracadabra, weg lek. Er zijn, je gelooft het bijna niet, in dit land ook mensen die problemen oplossen.
Ik vond dit voorval te futiel om te vermelden op uw sociaal medium. Edoch, des avonds, als de weemoedigheid komt voor het slapengaan, ontving ik volgende melding: Platteband.nl, de superpomp. Nobel, zeker. Gedienstig ook. Maar natuurlijk stelt zich de vraag: wie, wat, waar, wanneer, hoe had u mijn pech opgepikt en beslist: die mijnheer dient gesteund, we geven hem een zetje?

U ziet mij graag. U snelt mij immers vaker ongevraagd te hulp. NMBS Internationaal en Booking.com bieden aan mij te begeleiden op mijn trip naar Amsterdam. Buitengewoon vriendelijk, maar bedankt. Ik ga er spreken op een congres voor influencers. Transport in limousine, met chauffeur, maaltijden en verblijf – vanzelfsprekend – contractueel geregeld, u weet hoe dat gaat.
FCR Media Belgium wil mijn website verbeteren, NEFF-kooktoestellen vraagt zich af of mijn keuken, nu ik zo tevreden ben over de nieuwe oven met roldeur, nog andere toestellen nodig heeft. Museum PASS musée helpt voorkomen dat het laatste deel van mijn leven verglijdt naar de cultuurbarbarij.

Denk niet, beste Mark, dat ik die bekommernis om mijn welzijn niet waardeer. Integendeel, ik ben tot tranen toe geroerd. Het doet me meer dan ik kan zeggen. Maar geloof me, het gaat goed met me, bedankt. Geen aanleiding om té bezorgd te worden. Vindt u echt dat ik een Master Class Dramatic Writing nodig heb? De Guardian Weekly moet lezen? Of me dankzij Natuurhuisje of Huttopia best zo ver mogelijk distantieer van de beschaafde wereld?
Vragen stel ik wel bij de houten armbanden van Holzkenn, de damesbloezen van Closet by Romy en de pikante lingerie van BHcomfort.nl. Te persoonlijk, toch? Als ik samen met mijn boezemvrienden Theo en Jean-Marie op een avond een volledige jaargang Temptation Island wil bingewachten, zijn het toch uw zaken niet hoe wij ons kleden? En mag ik u vragen nog een wijle te wachten voor u bevriende producenten van hoorapparaten, rollators of pampers op me loslaat? Een paar jaartjes nog, hout vasthouden.

Nog een kleine vraag misschien. Onlangs circuleerde er, ook op mijn tijdlijn, een beeld, niet gesponsord. Dat is u vast niet ontgaan. Er stonden kindjes op waarvan je met het blote oog de ribben kan tellen. De beeltenis vergelijkt het gedoe rond een actueel virus met het aantal hongerdoden per dag. Voor ons, rijken, vormt het hongermonster geen bedreiging. Het is niet interessant, is de boodschap. Al vreet hij dagelijks ongeveer vierentwintigduizend levens. Enfin, ik hoef u dat allemaal niet te vertellen, u hebt dat natuurlijk ook gezien, u houdt al lang niet meer de handjes voor de ogen. Kan u uw behulpzame adverteerders niet overhalen de blik eens te richten naar gene zijde van de aardbol? Met de middelen waarover u en zij beschikken, financieel, logistiek, technologisch, moeten jullie toch in staat zijn deze veelvraat te verdrijven, die ellendige onrechtvaardigheid voor eens en altijd uit onze wereld te verjagen?

Alvast mijn allergrootste dankbaarheid daarvoor.

Met het hoogste respect,

heel vriendelijke groeten

Uw Facebookvriend

Vier stippen

Een man sopt het stukje biefstuk, goed doorbakken, in de spinazie op zijn bord en steekt het in zijn mond.
“Wat heb jij daar op je hand?” vraagt hij.
Het kind prikt achteloos in haar groenteburger. “Dat zijn vier stippen, opa.”
Dat zie ik zelf ook wel, denkt de man, kan een kind tegenwoordig niet eens een gewoon  antwoord geven?
“Ja, Molleke,” zegt hij, “maar waarom staan die daar, dat zou ik wel eens willen weten.”
“Dat is van de week tegen pesten. Elk kind op school heeft er, en de juffen ook.”
“Dus jij hebt in de ganse week niet een keer je handen gewassen dan?” Het is sterker dan hemzelf.
Eerst antwoordt het meisje niet, ze kijkt alleen maar naar hem. Ze morrelt wat met haar spinazie en couscous, schraapt haar bord leeg. Dan zegt ze: “Dat is speciale stift, dat gaat er niet af. Zo onthoud je dat pesten verkeerd is. Soms vind jij dingen grappig en iemand anders niet. Dan doe je die mensen pijn. En dat mag niet.”
De man kauwt op zijn vlees. Weer wat nieuws. Leren ze dat op school, vandaag de dag? Waar gaat het naartoe? Toen hij zo oud was, leerde je nog gewoon rekenen en taal. De rest leert het leven je vanzelf wel. Al die flauwekul.

Het kind kan er ook niets aan doen. Nog geen tien, zijn oogappeltje. Maar hoe ze hem aankeek. Dat had hij vroeger niet hoeven te proberen. Een draai tegen zijn oren, maar ja, vandaag noemen ze dat kindermishandeling. Een week tegen pesten, begot. Ze zouden kinderen beter wat meer weerbaar maken, het leven is niet voor watjes.
Hij denkt aan die stille jongen in het vierde middelbaar, donker krulhaar en een gezicht vol puisten. Soms liep hij met pleisters op zijn gezicht. Lachen. Die wilde je niet naast je in de les of in je team bij sport. Lepra, noemden ze hem. Iemand was de Lange Leegte, een ander de Muis en die kerel dus de Lepra. Hoe heette die eigenlijk echt? Enfin, op een dag kwam die niet meer naar school. Nooit geweten waarom, nooit meer iets van gehoord ook.
Of de Rosse Tits, die halve zot. Die vroeg er gewoon om. Bij Frans hadden ze hem eens een heel lesuur opgesloten in de kast. En iemand had een keer de emmer krijtwater over hem gekieperd. Stinken man, dat water werd in weken niet ververst, en dan die spons. Maar wel gelachen. En niks klas- of kringgesprekken of bollen op uw pollen. Terwijl vandaag, wenen, wenen, wenen.

“Kom Molleke het is Vastenavond, oma heeft pruimentaart gebakken.” Kennen die snotapen dat nog, Vastenavond? Aswoensdag? Vasten, wordt dat nog gedaan? Ze zouden beter die dingen leren op school, alle tradities gaan in dit land naar de knoppen.
Wij moesten indertijd ’s ochtends vroeg nog eerst langs de kerk, een kruisje halen. “Van stof en as zijt gij gemaakt, tot stof en as zult gij wederkeren” murmelde de priester en hij veegde twee zwarte strepen op je voorhoofd. Kwam je zonder in de klas, je kreeg van broeder Gust, het alziend oog van god op aarde, de volle laag. Een halfuur op de knieën op de houten trede vooraan, de armen omhoog, gestrekt. En denk je dat er toen ouders kwamen protesteren op school misschien? Jongens, jongens toch.

Ze zitten naast elkaar op de sofa, met een zwarte stift heeft ze vier dikke dotten getekend naast zijn duim. Ze maakt gekke gezichtjes met de puntjes op haar hand. Ze eten pruimentaart en kijken naar het journaal. Beelden tonen mannen met lange baarden, een grote plastieken haakneus en een sjtreimel op hun hoofd. Ze zijn helemaal in het zwart, kijken nors en aanbidden een klaagmuur van goudklompen.
“Waarom is die mijnheer zo boos, opa?” vraagt het meisje.
“Vorige week met carnaval was jij toch een regenboog? Deze meneren hebben zich ook verkleed. Precies zoals die boze mijnheer, die ziet er elke dag zo uit.”
“Lachen ze met zijn kleren en zijn haar? Waarom?” dringt ze aan.
“Gewoon. Het is toch carnaval.”
“Maar die mijnheer vindt dat niet leuk?”
“Sommige mensen kunnen niets verdragen, Molleke. Het is toch maar om te lachen?” Hij wordt een tikje kregelig, maar op haar kan hij natuurlijk nooit kwaad worden.

“Kijk opa,” zegt ze. Ze gaat voor hem staan, neemt zijn grote hand in haar kleine witte vingertjes en kijkt hem recht in de ogen: “Stip 1: die mensen lachen met de mijnheer. Stip 2: de mijnheer vindt dat niet leuk. Stip 3: die mensen doen verder. Stip 4: die mijnheer heeft pijn.”
Hij zegt niets.
Ze zegt: “Dat is pesten, opa. Dat hebben wij op school geleerd.”

Een archeoloog

Het gebeurde deze week drie keer. Ik trek de voordeur achter me dicht en ontdek wat later dat ik op stap ben zonder portefeuille. Zonder identiteitskaart, rijbewijs of cash. Geen erg, ik weet het, een mens kan zonder. Met je telefoon koop je makkelijk tickets voor bus of trein, betaal je in de broodjeszaak en vind je de weg naar huis terug, als je tenminste het adres nog weet. Maar toch, drie keer.
Soms loop ik de trap op en weet ik boven niet meer wat ik er kom zoeken. Dan realiseer ik me vijf minuten later dat ik mijn tanden zou gaan poetsen. In het warenhuis sta ik maar wat voor me uit te staren, het boodschappenlijstje ligt nog ouderwets thuis op de tafel. En u wil echt niet weten hoe vaak de vuilnisbakken niet tijdig buiten staan, of hoe dikwijls ik geen brood heb gekocht voor morgenvroeg.
Dramatisch is dat niet. Het is het alledaagse vergeten dat ons allemaal wel eens overkomt. Het is een ander soort vergeten dan dat van mijn moeder toen ze het vuur liet branden onder de aardappeltjes. Of toen ze voor de derde keer vroeg hoe het nog ging met de kinderen, achter hun namen moest ze nog even gissen.

In mijn schooltijd leerden wij voornamelijk onthouden. Het hoofd als encyclopedie. De zesentwintig grootste rivieren van Europa, zei de meester van het vijfde leerjaar, tegen morgen vanbuiten kennen. Van buiten kennen betekende: het in je hoofd wurmen, dat vond ik altijd raar.
Dat kan de stomste boer, zei onze vader dan. Wie de stomste boer was, wisten we niet, maar hij kon wel veel: uit het hoofd leren, manieren hebben, veters knopen, proper zijn op zijn eigen. Hij kon meer dan wij.
Petsjora, Dvina, Neva, dat was in het oosten, Elbe, Oder, Wezer al dichter bij huis maar toch nog ver weg, Rijn, Maas, Schelde, dat was bij ons. Zo voeren we tot diep in het zuiden en dan weer richting Azië. De volgende dag moesten we dat stromende water duiden op een blinde kaart. Dat is een landkaart met alleen maar lijnen op. Die wetenschap moest toen allemaal in je hoofd. De moderne mens bewaart ze in zijn telefoon.
Men blijft maar herhalen dat het vroeger beter was.

Ik ken ze nog, mijn rivieren, al leidt die kennis nergens toe. Ze munt uit in overbodigheid. Hoogstens kan je er een fles wijn mee winnen bij een quiz. Al wil ik ze vergeten, alle zesentwintig, ze blijven plaats innemen in mijn hoofd.
Je vergeet blijkbaar niet zomaar wat je wil. Het lief dat van je wegging, de dronken ruzie waar je je nog voor schaamt, hoe op school ook jij die jongen pestte, hoe je die keer dat ene meisje kwetste, die herinneringen wil je kwijt maar ze blijven je achtervolgen.

Merkwaardig genoeg zoek ik vandaag naar fragmenten uit het verleden die, vind ik, niet mogen  vergeten worden. Ik woel en graaf, maak slapende honden wakker, schraap roest van wat al jaren rust. Oude portretten krijgen kleur. Ouders, grootouders, overgrootouders, over-overgrootouders blaas ik nieuw leven in. Ik klauter in stambomen en besnuffel archieven, adem, zoals mijn vader in de koolmijn, wolken stof, opwaaiend uit vergeelde bladen die knisperen onder je vingers, perkament bijna, broos en breekbaar. Ik zoek en tast en puzzel, praat met verwanten die ik een halve eeuw niet meer heb ontmoet. Als een mol graaf ik in de ingezakte gangen van onze familiegeschiedenis. Achter elk verhaal schuilt weer een ander, un train peut en cacher un autre.

Ik wil weten: wie deed wat, wanneer, waar en hoe. En waarom. De lijnen op die blinde kaart vragen om een naam. Voor het grote vergeten begint.

PS:
Vannacht bedacht ik een echt briljante slotzin. Helaas, hij is weg.
Stomweg vergeten toch wel, zeker.

Een avondje uit

Dinsdagavond, Brigitte Kaandorp, Koninklijk Circus, Brussel. Eindelijk, de tickets waren al haast vergeeld. Lachen zou het worden. Goed gemutst trok ik de voordeur achter me toe. Bewakingslichten boven garagepoorten floepten aan, wie in onze wijk beweegt, wordt gezien.
De tramrit verliep rumoerig. Het was het uur dat kinderen en pubers uit de scholen worden vrijgelaten. Ze genoten uitbundig, met grote woorden en luide wie-jo’s. Opgewonden verhalen, die is geschorst, en toen zei die van wiskunde, en die heeft gekust met…
Ik deed of ik doof was.

De weg van metro naar stationshal loopt onder de grond. Tegen een muur zat een man, het hoofd gebogen en de  schouders ingezakt. Voor hem een kartonnen bekertje. Nonchalante jongelui in hoody’s, vrouwen op tikkende hakken en gehaaste pendelaars liepen hem voorbij. Ook ik had niet de geringste intentie om hem enige aandacht te vergunnen. The rich may be rich and the poor may be poor, they all beat the shit out of each other, putain.
Een stevige, zwarte jongeman hield halt, pal voor het gezicht van de bedelaar. Hij rommelde wat in zijn binnenzak, gooide enkele munten in het bekertje. De man op de grond wiegde zijn bovenlichaam naar voren, alsof de schenker een sleuteltje op zijn rug had opgewonden. Toen ik kind was, hadden wij een opwindclown die hikkend lachte als je aan het sleuteltje draaide. Of was het een pop die mama riep, ik herinner het me niet meer precies, het geheugen is onbetrouwbaar.
Het gebaar van de jongeman kleefde me aan de plakkerige grond. Ik verschool me achter een pilaar, scharrelde in mijn portefeuille wat kleingeld bij elkaar en dropte dat, enigszins verlegen, in het bekertje. De man begon weer te wiegen. Hij murmelde iets, enkjoe enkjoe, en keek op. Vanuit de hoogte zag ik zijn ogen waterig blinken. Hij leek gelukkig met die ene euro en twintig cent die ik al bij al toch niet nodig had. Al moest ik wel naar het toilet. Ik kromp een beetje in elkaar, probeerde mijn schaamte van me af te schudden en stapte zwijgend verder.

Om de hoek, voorbij de stukgetrapte glazen deur, zat op de trap een vrouw. Nog geen vijftig schatte ik, al had ze ook vijfendertig kunnen zijn. Ze murmelde tegen zichzelf, had haar hele vrouwelijkheid weggemoffeld tussen vijf of zes lagen kleergoed. Misschien woog ze geen zestig kilo, ze had iets van een sumoworstelaar. Ze bazelde aan een stuk, onderbrak haar monoloog enkel om te slurpen van de halve liter Jupiler in haar hand. Een fijn bierstraaltje zocht vanuit haar mondhoek langs een huidplooi een bedding naar haar hals.
Munten had ik niet meer. Kop in de grond, blik strak vooruit, stapte ik haar voorbij, ik had een trein te halen. Haar rechterhand klemde zich om de leuning van de trap, de sumoworstelaar vocht zich wankelend een weg omhoog. Het kostte zichtbaar moeite. Ik schoot niet als een hulpvaardige Samaritaan naar haar toe, droeg immers dure tickets in mijn binnenzak die me een avond vol vrolijkheid en vermaak garandeerden. Dat was die avond mijn bestemming.
Precies toen ik haar passeerde, de afstand tussen ons geen twee meter, hoorde ik een geluid dat in ons huis in principe enkel pruttelt in het kleinste kamertje. Alsof onder haar klerenbundel een binnenband protesterend leegliep. Alsof haar billen applaudisseerden. Of neen, schrap dat beeld voor het u achtervolgt.

In het station stond mijn date me lachend op te wachten. Voorpret. We keuvelden en ginnegapten, zoals altijd blij om bij elkaar te zijn. In het Centraal Station van de hoofdstad probeerden we, zo goed en zo kwaad als dat ging de omgeving niet in ons op te nemen. We liepen als blinden voorbij de oudere mannen aan de schaakborden, deden alsof we de kartonnen lappen en vuile dekens niet zagen liggen, vermoedden lichamen onder dikke jassen. Een bottine, de zool vooraan losgescheurd, lag naast een grote, uitpuilende tas met blauwe ruitjes. Ernaast sliep een mens. Ik stelde vragen, maar niet hardop. Verzon ook geen antwoorden.

We zetten ons in het warme, rode pluche van het Cirque Royal. De cabaretière was in grote conditie. Ze verhaalde over het ongemak van ouder worden, over haar woonwijk, uithuizige kinderen en bejaarde ouders, beschreef hilarisch haar bezoek aan een staatsdiner in aanwezigheid van de koningsparen van haar en ons land. Als een mitraillette vuurde ze grap na grap na grap op ons af. Tranen in de ogen en pijn in de buik. Dubbel van het lachen, die avond.

Op weg naar huis hebben we niemand meer gezien.

Erexit

Birth. School. Work. Death.
Op de tijdlijn van het leven zet ik vandaag een derde vinkje, een gepast ogenblik om achterom te kijken. “Ok, Schrijver, vertel eens, wat heb je gedaan in luik drie van je bestaan? Wat laat je achter?” Dat heb je met Anna. Als het cruciaal wordt is Anna Lyste, hoofd van de redactie Politiek bij De Schrijverij, een rots.
“Jongens, zei ik, heel veel jongens.

Die jongen uit het tweede jaar, lang geleden, aan mijn voordeur: “Mijnheer, het is om te zeggen dat ik die plaat kom brengen van Roxy Music maar ik ben ze vergeten.”
Die rare puber uit mijn beginjaren, die aan een piepjonge juf zijn pietje wilde laten zien. “Het was maar om te lachen, mijnheer.” Humor, een moeilijke discipline. “Bedenk een hashtag om het af te leren,” zei ik hem. Niet dus, maar het had gekund.
Een vraag op de eerste lesdag, in de brugklas: “Hoeveel letters kent ons alfabet?” “Veertig,” antwoordde de jongen. “Schrijf die eens op,” zei ik. Hij kwam tot zestien.
Een glunderende mama op een ouderavond: “Dank u mijnheer, zulke mooie woorden schreef nog nooit iemand op zijn rapport,” of: “Hij gaat graag naar school, nu.”
Het jongetje dat ik naar huis bracht, de houten maquette waar hij een week had aan gewerkt, voorzichtig in zijn twee handen. Hij ging zitten op de grond naast de voordeur. “Ik wacht hier, papa werkt tot zeven uur.” Een geensleutelkind.
Of de knaap die thuis aanbelde na een driedaagse en zijn zus die opendeed: “Hey Achterlijke, wat kom jij hier doen?”
En natuurlijk, na hun afstuderen, de dronken kerels aan de toog: “Weet je nog, mijnheer? PAV is alles en alles is PAV?”
Ja, ik weet dat nog.”

“Met die verhalen moet je misschien iets doen, je hebt er nu de tijd voor,” zei Anna, er zitten mooie tussen.“
Ik antwoordde, een beetje weemoedig:
“Net als van de dode zanger mag je van me zeggen dat ik een dromer ben. Ik ben niet de enige.
Het ideale wilden we, niets minder. Niet voor ons, voor hen. Geboren in de jaren van goud, geloofden wij in de maakbaarheid der dingen. Wij dachten voorbij het leerboek. Een leerling was niet zomaar een leerling. Het was een mens van vlees en bloed, een kind van iemand, al dan niet bemind. Het was niet ons eigen kind, maar het had gekund.” Ze lachte haar fijne lachje, gelukkig.
“Wij oordeelden niet maar reikten onze handen. Ook wie door iedereen was opgegeven, kon wat. Er moest alleen ook iemand in geloven. Plus est en vous, zegden wij, kom. Het badwater kieperden we weg maar het kind wilden we houden. Koppig, soms ook tegen beter weten in. Je kan ze niet allemaal winnen, maar we hebben minstens geprobeerd. Yes, we can en when they go low, we go high.”

Ik raakte helemaal op dreef: “Van miljoenen gesprekken en discussies, over drugs of refterkosten, zin van proefwerken of jaarplannen, over koffiezetten en tafels ruimen in de leraarskamer, mocht ik verslag doen. Mijn amusement. ‘Hij leerde zijn volk lezen’, zei ik, als ik zag hoe gretig die schrijfsels werden verslonden. Proficiat, schreef ik met lichte spot in lettergrootte acht onder een verslag, u leest ook de kleine lettertjes. We lachten wat af in die dagen.
Soms woei de wind ons loeiend tegen, we wilden schuilen noch buigen. We staken het hoofd boven het maaiveld en ontweken de zeisen. Meer groen, vroegen wij, we kregen stenen in de plaats. Taaltips, Gedichtendag, Gelijke Kansen, Zorg, Schoolprojecten, Evaluatiesystemen, onbegrip, hoongelach, weerstand. Aan zelfverklaarde pedagogen in ivoren torens smeekten we, tegen de tijdsgeest in, om mededogen en begrip voor het geknakte kind. We sloopten heilige huizen en stuiterden op ego’s. Nu het voorbij is, snap ik het, we waren onze tijd vooruit, l’histoire se répète.

“Heeft het dan allemaal wel zin gehad,” vroeg Anna. Echte vrienden mogen alle vragen stellen, ook als ze pijn doen.
“Zeker en vast,” knikte ik overtuigd. “Die kleine jongens arriveerden op kleine fietsjes met kleine wieltjes aan de zijkant. Die vezen we er eerst af. Dan gingen we samen op zoek, naar evenwicht en een haalbaar pad. We gaven ze een duwtje en viel er eentje, we raapten hem op: en avant, opnieuw, volgende keer beter, tot het lukt. Van de honderd fietsen er vandaag misschien negenennegentig vlotjes door het leven. Enfin, een beetje zoals wij dan toch.
We hebben, zoals de zegswijs zegt, stenen verlegd waardoor rivieren konden stromen. Voor velen hebben wij echt een verschil gemaakt. Dat hebben we gedaan. Daar mogen we trots op zijn.”

Anna walste de champagne in haar glas.
“Zeg, eerlijk,” zei ze en ze aarzelde even, “tussen ons, heb je dan werkelijk nergens spijt van?”
“Herman Brood, een andere dode zanger, zegt: ‘Spijt is wat de koe schijt,’” zei ik.
“Het is tijd voor deel vier. Proost.”

Minnie

In de garage lag een muis. Haar laatste adem liet ze in de enge opening tussen de blauwe zak voor PMD en de grote doos voor het karton. Niet groter dan tien centimeter was ze, de vacht nog vaal glanzend, grijsbruin. Haar zwarte ogen keken naar me, alsof ze nog wat wilde vragen. Ocharme Minnie, lispelde ik. Dat had ik misschien niet mogen doen. Dat schept een band, een naam geven, betrokkenheid. Voor je het weet ben je Charlie, of raak je gehecht aan baby Pia. Daar komt alleen maar pijn van.

Ik trok een flesje Duvel open en zette me op de halfvolle bak. Ik keek naar het lijkje.
Proost Minnie, zei ik, op jou.
Vanwaar kom jij, muisje, wat bracht je hier? Koos je zelf deze plek, of heeft de dood je overvallen, onverwacht en laf, zoals de dood dat doet?
Het diertje bleef zwijgen. Haar blik kleefde zich aan mij.

Ik nam een slok. Gaf het leven je waar je als klein muisje van droomde, Minnie? Leerde je flink graantjes tellen in de muizenschool? Las je moeder je voor het slapengaan sprookjes, over boosaardige uilen en hermelijnen die je, als je ongehoorzaam was, zouden komen roven uit het nest, vetmesten en aan stukken scheuren?
Ik vroeg me af hoe het eraan toe gaat in de wereld van de veldmuis. Bestaat er een hiërarchie? Zijn sommige soorten machtiger dan andere of zijn veldmuizen adepten van Marx en Engels? Klopt mijn vooroordeel, streven zij in hun leven alleen maar naar eten en seks? Misschien lijken we meer op elkaar dan we willen toegeven, Minnie, glimlachte ik. Was zij zich überhaupt bewust van het bestaan van de mens? Is voor veldmuizen de veldmuis de parel aan de kroon van de schepping? Geloven zij in een Grote Knager? En heeft die voor elke muis dezelfde naam en betekenis?

Hou oud werd je uiteindelijk, Minnie? Anderhalf jaar? Stel, je was geslachtsrijp na drie maanden, wat aan de late kant. Dan had je vijftien maanden de tijd om te jongen. Neem een worp of zes, zeven, met gemiddeld zeven minimuisjes per keer. Dan heb je tussen de veertig en vijftig kindjes op de wereld gezet. Dan heb je niet voor niets geleefd, Minnie, gefeliciteerd.
Ik goot nog een flinke teug naar binnen. Mijn gedachten driftten weg. Stel je voor dat deze berekening klopte. Als elk wijfje zo kweekte, we werden binnen de kortste keren overspoeld door een muizentsunami. Gelukkig zorgt de natuur zelf voor haar evenwicht, bestaan er marters en katten en roofvogels om die populatie binnen de perken te houden.

Waar zijn al je kinderen, Minnie? Maakte je nog afspraken of verdween je als een dief in het duister van de nacht? Reisde je alleen? En je vrienden, je familie? Lieten zij jou in de steek, of omgekeerd?
Wat zocht je in dit huis? Een schuiloord? Dacht je te overwinteren tussen onze restanten, je te goed te doen aan onze ontbijtgranen, je vol te vreten met de zaden en noten die wij in onze kelders bewaren? Had Magere Muizenhein met zijn kleine zeisje je niet een halt toegeroepen, hier en nu, met hoevelen zouden jullie je dan op deze plek hebben genesteld? En wat had dat voor ons betekend?

Ze bleef onbeweeglijk naar me kijken. Ik kieperde het laatste restje van mijn flesje achterover.
Dat was het beeld, aan de ene kant ik, op een bierbak, een leeg Duvelflesje in mijn hand. Aan de andere kant, tussen karton en PMD, Minnie de dode muis, met zwarte ogen die me niet wilden lossen.
Ik nam een plastieken schepje voor in de zomer op het strand. Achteraan in de tuin, onder de eik, groef ik een kuiltje. Voorzichtig, om haar in haar eeuwige slaap niet te storen, legde ik Minnie, in een versleten doekje, in haar graf. Ik schoof er de aarde over.
Zo lig je tenminste warm, zei ik.

Weer in huis zette ik de radio aan.
De nieuwslezer berichtte over een ongeluk. Een rubberen bootje kapseisde, wierp zestien mensen, in zelfontworpen zwemvest, in de ijskoude Noordzee. Met man en muis vergaan, zei hij.
Namen noemde hij niet.

Die jongen

Jaar 2

In de kelder vond ik nog een foto, zie bijlage, had hij gemaild. Hij woont tegenwoordig in Afrika, maar ooit volgden we samen een opleiding. We leerden voor leraar. We filosofeerden samen, studeerden, fantaseerden. Kaarten deden we ook. Een keer overspeelde ik mijn hand, een driedubbele miserie op tafel. Die bluf kostte me een kleine driehonderd Belgische Frank, mijn weekgeld.

Op de foto een docent en negentien studenten, jonge blanke mannen. De meesten dragen een trui over een hemd met puntige kraag en een broek met breed uitwaaierende pijpen. Mijn blik blijft hangen bij de jongen met de lange, goudkleurige haren op de tweede rij. Hij kijkt terug. Hij lacht. Wij kennen elkaar. Ik ben hem geweest.

“Waarom wapent gij u met een glimlach,“ vroeg een paar jaar eerder de directeur van het middelbaar. “Dit schrijven de leerkrachten over jou op je rapport. Arrogant. Kinderachtig. Moet altijd het laatste woord. Weerbarstig. Betweter. Een storend element. Toont geen respect. En ook: maakt deugden van zijn gebreken.“
Ik ben die arme schoolfrikken van toen nog altijd dankbaar. Het is goed je al jong bewust te zijn van je kwaliteiten.
“De lach is het wapen van de clown,” zei mijn klassenleraar.

“Waarom die lach, clown?” vraag ik mijn scherm.
Niet omdat je per se daar wilde zijn. Leraar worden zag je niet als hoogste streven in het leven. Maar je wieg stond niet in een wereld waar men dromen en fantasieën najoeg. De centen werden er verdiend in het zweet des aanschijns. Men beet er in, ze werden omgedraaid. Dat beperkte drastisch de opties wereldreizen en universitaire loopbaan.
Je was een dagplukker. Zelf zou je je wellicht een Carpe Diemist hebben genoemd. Je gebruikte graag moeilijke woorden, wilde je bewijzen, een woordhaan. Dan zei je op café: “Als je dat epibreert komt het vanzelf wel goed.” Om je het zwijgen op te leggen, trakteerde men je nog een pint. Wat kon het je ook schelen? Ontelbare dagen lagen nog voor je uitgespreid, het leven was een wazig web waar je doorheen moest, over hoe dat zou gaan had je weinig of niets te zeggen. Je zou wel zien.

Je leerde over ingewikkelde dingen. Boomdiagram en dieptestructuur van een zin. Taxonomie van Bloom. Didactiek, pedagogiek. Je volgde onderricht bij een wijze pater, viel van je stoel en je geloof. De stoel klom je weer op. Je leerde er lessen uitschrijven, van het eerste gesproken woord tot het laatste. Een oefening in dialogen maken. Ruimte voor improvisatie liet men niet.
Je leerde er niets over de lerarenkamer. Over ongeschreven wetten die je stilzwijgend diende te onderschrijven. Over lobbyen voor lessenroosters en opdrachten. Niets over de olifanten in die kamer en hoe je moest doen alsof je die niet zag.
Je leerde over de aanpak van de moeilijke leerling. “Fixeren. Blijven aankijken. Wordt hij niet rustig, strenger fixeren. Volhouden, op de duur kalmeert hij vanzelf wel.” Toen je dat later in praktijk omzette, vroeg de leerling: “Heb ik iets van u aan, misschien?”
Pedagogen, van nature wereldvreemd, waarschuwden: “Vermijd de beroepsschool. Die leerlingen daar zijn onhandelbaar, halve wilden, die eten je op.” Men had het hier over je vrienden op hun zelf gebricoleerde Zundapp. Over je broers die liften installeerden, rekken vulden of haren bij elkaar vaagden in dameskapsalons.
Je besefte het niet, maar je leerde er meer dan je wel dacht. Je leerde welke leraar je niet wilde worden. Jij zou geen doorgeefluik zijn van boomdiagrammen en dieptestructuren of moeilijke woorden als taxonomie. Dat kon iedereen wel.

Jij was anders. Jij had idealen. Jij zou gaan voor de bricoleerders van de Zundapp, de liftenbouwers, de harenvegers. Jij wist waar ze woonden, hoe ze dachten, hoe het voelde om onhandelbare wilde te worden genoemd. Jij sprak hun taal. Je zou de boswachter worden die eens stroper was.
Je zou het in de loop van je leven wel duizend keer herhalen:
“Het is allemaal een kwestie van graag zien.”

Rusalka

In den beginne was er niets.
Er was de oudejaarsnacht en wij. Wij zopen ons er doorheen. We wensten elkaar seks, drugs en rock and roll, in bulk, en hosten vervolgens van kroeg naar festijn in Harmonie of Stadsfeestzaal alwaar Raymond, Arno of Katastroof musiceerden ter vermaak.
Opeenvolgende jaarovergangen, langzaam ouder maar nog steeds beneveld, gunden we elkaar een goed lief of een vaste baan. Of allebei. En dat we ze nog lang mochten mogen.
Op een koude nieuwjaarsdag hoorde je jezelf: “Een goede gezondheid, dat is tenslotte toch het belangrijkste.” Je stopte ook wat eerder al met slempen, want morgen was er weer een dag.

Het wordt minder, dacht je. Je was niet meer jong en uitbundig, zorgeloos en vol van wilde sprongen. Het beste had je al gehad. Prijs je gelukkig met een kwaaltje hier, een mankementje daar, en wacht. Op een dag vallen jij en je schaduw samen en maakt de tijd er een einde aan.
Dat zag je verkeerd. Aan de einder brandt de mooiste zon, licht versluierd en roodgloeiend, pootjebadend in de zee. De zon heeft geen pootjes, ik weet het, het is een beeld. Het zegt: het is andersom, het wordt alsmaar beter.

Deze oudejaarsavond vond je ons in De Koninklijke Vlaamse Opera. Het plein ervoor fonkelnieuw, met een opvallend gebrek aan groen. Een statement van het stadsbestuur, al te vrolijk moet het niet worden in deze zelfverklaarde Metropool.
Al bij de entree proef je de belegen grandeur, honderd jaar oud misschien. Brede gangen, hoge zuilen. Mannen in driedelige pakken. Vrouwen in lange gewaden, hangers aan gouden kettingen tussen borsten die ook ‘s winters troost en warmte bieden. Armbanden rinkelen om elegante polsen, nagels glanzen fel gelakt, bruin, paars, dieprood. Hakken klepperen niet, ze tikken de tegels, van vestiaire naar toilet naar zaal. Je inhaleert esthetiek.

Zelf droeg ik mijn duurste en witste hemd van Desigual onder een buik maskerende, roestbruine trui van Emporio Armani. Mijn skinny jeans, licht gebleekt, uit het Broekenpaleis maar dat kon je er niet aan zien, viel naadloos op de glimmende, lichtbruine schoenen, Gucci, uiteraard. De kin spiegelglad, een zweem Jungle Man, wat nog rest van mijn wilde haren – in een ver verleden volgens mijn haarstyliste wasted on a man, casual in de war, stijlvol, grijswit. We misten nog een koningin of toch minstens een minister-president.

Op de scène een imposant decor. Houten waterdruppels, vijf meter hoog. Water van hout bestaat niet, ik weet het, het is een beeld. Ze draaiden op ronde schijven die de ene keer een kabbelend meer suggereerden, dan weer vasteland of storm. Het licht acteerde mee, maakte wind, woei woeste golven .
Bombast, zeker. Kosten noch moeite waren gespaard opdat de Verbeelding zou krijgen wat ze verdient en Schoonheid het respect dat haar toekomt.
Rusalka, een sprookje. Met een wanhopige waternimf, een prins, een watergeest, een heks. Met liefde, wanhoop, valse beloften, intrige en dood. Zangers stalen onze asem, verdubbelden of verveelvoudigden hem en lieten ermee donder rollen over het uitverkochte theater, of harten smelten. Dansers, buigzaam en plooibaar, met meer beweeglijkheid en souplesse dan stengels wuivend riet aan de oever van het wassende water. Ik lachte bij ’t zien van dees Schoonheid. Dat is uit een ander stuk, ik weet het, maar het zegt wat ik bedoel.

Uren verstreken maar dat merkte je niet.
Het werd middernacht. We knuffelden, omhelsden en kusten elkaar, bedwelmd nog, vervuld van een zeldzaam warme gloed. We waren geïnjecteerd.
Twee dagen later werkte die prik nog altijd door, toen ik, gelegen voor Pampus, overlopend van sentiment meeleefde met Bregje Hofstede en haar schrijnende pijn in Drift. Schrijft zij, pagina 285: “Ik moet steeds dromen inslikken, ik ben er misselijk van.
Dat heb je verdomd mooi gezegd, dacht ik, en liet bezinken. Ik had jaloers kunnen worden maar besloot haar woorden te proeven, liet ze smelten in mijn gemoed, als een praline op de tong. En ik wist het zeker: 2020 wordt het jaar van de Schoonheid.
Ik wenste het mij en ik wenste het u.

Inmiddels.
Een zoon komt niet thuis. De minister-president verspreidt geruchten. Een staatshoofd bestelt een moord, vliegtuigen vallen uit de lucht. Bossen branden, mensen en dieren vluchten of verkolen.
Ook dat is het leven. Het ligt niet in mijn handen.
Wat kan ik doen?
Dit.
Schone Dingen die ik zie, zal ik plukken uit de lucht. Ze koesteren en met liefde bewaren, in frêle doosjes, aan de binnenkant met witte wattenbollen bekleed.
Soms, in tijden van troost, maken we ze open en kijken we ernaar.
U en ik. Samen.

De Laatste Week

Het zou niet mogen zijn.
De mens richtte zich nooit eerder zo erg op zichzelf als vandaag, zegt men. Individualisme viert hoogtij, het is alles ik, ik en ik. Nochtans, ik herinner me hoe mijn moeder onze immer afwezige vader typeerde, toen we nog met een kroontjespen peuterden in een inktpot: “Zijn naam is Alexander, alles voor mij en niks voor een ander.” Ook die milde aanleg voor poëzie zit ons in de genen.

Eenenvijftig weken per jaar verfoeit men het pamperen en verwennen. Je moet hard zijn, weerbaar. Wie ziek is, de rekening niet betaald krijgt of op een onhandige plek geboren wordt, eigen schuld! Dop zelf uw boontjes, solidariteit is zo hard vorige eeuw, nu dient de broeksriem aangesnoerd. Sparen is het marsorder. Allemaal op weg naar niets.
De overheid snoeit in subsidies en preventieprojecten. Voor later, wordt gezegd. Mensen vergeten gauw, maar sparen voor later deden we ook al toen mijn vader Alexander heette en mijn moeder nog helder genoeg was om daarover versjes te rijmelen. Wilfried Martens zag ooit licht aan het einde van de tunnel. Wilfried wie? Inderdaad.

In de op een na laatste week voor nieuwjaar bloedt in het ganse land het hart. In de Dorpsstraat bierpongen mensen van goede wil tot ze erbij neervallen. Ze struinen rond met de rostjespot, boetseren bruisballen voor uw bad. Wie zijn deze Franken en Simonnekes? Wat drijft ze? Eten zij vlees of zijn ze vegan? Lezen ze bijbel, koran of HLN? Doen ze bovengemiddeld aan de liefde? Hebben ze een job? Spijbelen ze voor het klimaat? Rijden ze met auto of bakfiets? Beschouwen zij illegaal en crimineel als synoniemen? Dragen ze roze sokken? Trollen ze op Twitter? Zijn ze boomer, millenial of gen Z?
Wie maalt erom? Ze delen gezamenlijk een leed en de behoefte dat te stelpen. Hun bekommernis is oprecht. Geen druppel bloed in mij, geen vezel, geen porie, geen ader of geen cel, twijfelt aan de rechtschapenheid van iedere ik die zich tijd en moeite getroost om een andere ik, ergens, wat warmte te schenken. Helden! Hulde!

En toch. Het zou niet mogen zijn.
Music For Life, geboortejaar 2006, mobiliseerde vanuit het Glazen Huis rond universele thema’s: slachtoffers van landmijnen, drinkbaar water, diarree, weeskinderen en asielslachtoffers. Hoorde je in die pretwittertijd op café: “Mooi, maar ze zouden beter iets voor onze eigen mensen doen.” Wie dat waren, wist men ook toen niet te vertellen.
Aldus geschiedde. Zes jaar later, we vergeten snel in dit land, draaide men nog plaatjes om dementie in de spot te plaatsen. Daarna kon elke burger, elke actiegroep een Goed Doel aandragen. Die kwamen in groten getale. Er valt veel te verhelpen in dit onooglijke paradijs aan de Noordzee.

Wederom, het zou niet mogen zijn.
Dichtte niet ons aller Stijn Meuris: “De mensenzee klotst voort in een radeloze deining”? Zo is het maar net. Niets verandert.
De schreeuw om hulp is als een gloeiende plaat. Elk jaar weer druppen Gutmenschen daar een emmertje koelwater op. Kss, kss, kss, sist de plaat. De laatste dag, in Grande Finale, slepen bedrijfsleider, minister-president en premier brandweerslangen aan, getooid met logo, leeuw of tricolore lint. Zij sproeien uitbundig de plaat. Spektakel, opgewonden ooohs en aaahs uit het publiek. De plaat kkssssstttt, spuwt een reusachtige stoomwolk naar de hemel. Engelen jubelen, het is kerst.  Ontroering, gejuich, tranen. Eindbalans: haast twintig miljoen.
De hitte lijkt gedoofd, het leed geleden. Trots! Dit hebben we gedaan, dit voelt goed. Nog gauw een appeljenever of glühwein en we schrijden, tevreden met onszelf, goedgemutst ter kalkoene. Achter de rug helaas, verdampt de stoom, warmt de plaat weer op, eenenvijftig weken lang, je zal er maar beter met je handen afblijven.

Het zou niet mogen zijn.
Goed bestuur maakt Warmste Weken overbodig.
Wij schonken onze overheid instrumenten om dit lijden te verzachten. Wij legden de macht in haar handen, betaalden daar onder gemurmeld gemor onze bijdragen voor, fors, het moge gezegd, elk jaar weer.
Veel vragen wij niet. Een beleid, genereus, waar de nood van iedereen, in de eerste plaats de kansarme, gelenigd wordt. Wij vragen niet de rijke rijker, wij vragen de arme minder arm.
De overheid verkiest om die instrumenten niet te gebruiken. Zij laat het aan u en mij.

Dat zou niet mogen zijn.
Dat zouden wij niet mogen toestaan.
Zou een heel klein beetje oorlog soms niet beter kunnen zijn?
Dat wij blijven hameren op die nagel, dat zou mijn aanbeveling zijn voor een nog beter leven in 2020.

Voor eenieder van u: een heel gelukkig nieuw jaar.

Robin Hood

Zeven of acht was ik.
In de boeken die ik las, beleefden helden de avonturen waar ik van droomde. Zo schermde ik als de vierde musketier, D’ Artagnan. Of werd ik Richard Leeuwenhart, verbannen koning van  Engeland. Winnetou, de heldhaftige Apache, was ik ook. Maar liefst kroop ik in het groene pak van Robin Hood, van emplooi struikrover uit Nottingham.
Hoe heerlijk, vrij te zwerven in onmetelijke wouden, met spitsbroeders, door bloed verbonden tot aan de dood. Wars van gezag, soeverein, onversaagd en gezegend met een hart van goud. Stelen van de rijken om te geven aan de armen, in onvermoeibaar verzet tegen valse koning of snode generaal, ziedaar de missie in mijn leven!

Helaas, deze piepjonge held diende zich eerst nog te ontdoen van het ouderlijk juk. Mijn moeder en vader maakten korte metten met mijn roep naar vrijheid en rechtvaardigheid. In hedendaagse tijden valt met Struikroverij geen droge homp te verdienen, beweerden ze. Het redden van de smachtende jonkvrouw kan altijd later nog, nu eerst in korte broek, billen bloot, hop naar school. Rijken bestelen kan wachten, verover eerst maar een diploma van bankbediende of boekhouder, ga in de politiek desnoods. Legale criminaliteit, onschendbaar en beter betaald, stelde mijn vader.
Ik borg mijn idealen op maar vergat ze niet.
Wonderjaren beleefde ik. Lag Robin Hood of musketier nog in een onbekende toekomst, Pietje Bell en Witte van Zichem vulden de vrijgekomen ruimte bereidwillig in met wat toen nog onschuldig kattenkwaad werd genoemd.

Ik dacht, zo vergaat het elk kind.
Maar passeerde me daar deze week een figuur! Patser, bol opgespannen buik bij elkaar gehouden door een strak geknoopt hemd. Biertje erbij. IJsberend van deze naar gene zijde, drukke gestes. Een tirade, het moest eraf. Onderwerp: de vrouw. Niet eentje, niet enkele, nee, de vrouw als algemeen verschijnsel. Als een kenner oogde hij niet. Hij debiteerde filosofieën die al in het Pleistoceen als achterhaald mochten beschouwd.
Idioten zullen er altijd zijn en overal. Hang een camera in het dorpscafé, je krijgt dit soort ongein op je scherm. De vraag van de dag echter: hoe groeit een jongetje van zeven, ooit toch ook zuivere onschuld in zomershorts, uit tot zulk gal opgevend organisme? Wat is er fout gegaan?

Dan dit.
Een Amerikaanse producent van films, befaamd pussygrabber voor, na en tijdens de werkuren, schikt in der minne.  25 miljoen dollar, dan zijn we ervan af. Mijn toast, besmeerd met een veegje caloriearme boter en een dikke laag vier vruchtenjam, hapert in mijn keel. Hoezo, schikking? Wat dan met de eerbaarheid? Moeten ook niet rijke, dikke, witte mannen manieren leren? #metoo toch? Alle vunzigheid de wereld uit! Je zonden kopen met een aflaat, hoe donker middeleeuws is dat? Valt dat ook onder rechtvaardigheid?

Je dacht het wel gezien te hebben. Tot dit.
Een kind, elf, sukkelt onder een vrachtwagen. Kind dood, chauffeur in shock, buurt bang: wordt mijn kind het volgende slachtoffer? Zegt de burgervader: “Het wordt zoeken naar het delicate evenwicht tussen verkeersveiligheid en economische belangen.” Mijn toast weer op weg naar de ingang. Huh? Hoeveel kinderen zijn we bereid te offeren op het altaar van de economische winst? Is dit écht een overweging, zelfs? Serieus?

En dan.
Europa heeft een Green Deal. Eindelijk, een lichtpunt, denk je. Vergeefs. Wij, geboren op deze heilige korrel, weten beter. In de Vlaamse navel ontspringt de Bron van Alle Wijsheid, dat is geweten, zo dicteert het de canon. Als dat geld kost, zegt de minister, dan niet met mij. Misschien, het is maar een ideetje, brengt een mondmaskerfabriek in het midden van een woonwijk nog wel wat op?
Wanneer stootte de K van Kapitaal de S van Samenleven van de eerste plaats in de Hitparade der Normen en Waarden? Wanneer verdwenen woorden als Respect en Fatsoen in de vergeetput? Waar zaten wij toen? Naarstig aan de arbeid wellicht, kop in de grond, laat de boeren maar doen. De karavaan trok voorbij, we zagen hem niet.

Vandaag doe ik niets.
Ik kijk naar National Geographic, een documentaire over de mammoetjacht. Er bestaan sprekers die  daar nog hebben aan deelgenomen. Speren prikken venijnig in dikke vachten, schril geschreeuw jaagt de kudde op. De kolossen roffelen hun zware poten, de grond davert. De giganten draaien doelloze rondjes. Slagtanden zwaaien heen en weer. Onrust. Paniek. De leider schudt dwaas de kop, vlucht. De kudde volgt, stormt als bezeten recht vooruit, alsmaar recht vooruit, kop in de grond, verstand op nul, blik op oneindig. Aan het einde wacht de afgrond of de kloof.
En er is niets tegen te doen.