Herfst

          De bodem van het bos bezaaid met bolsters. Al het blauw van de hemel grijs en grauw. Herfst rijmt op sterft, denk je. Je moet denken aan je kindertijd, hoe iemand een kastanje aan een touwtje bond en dat tegen je achterhoofd slingerde. Aan de stekelige bolster op het zitje van je stoel. De kastanjepuree van je moeder waar je misselijk van werd.
          Je schopt een hoopje bladeren in de lucht, levenloos als veertjes van een kalende vogel dwarrelen die weer voor je voeten neer. Je denkt aan je vader, 95 zou hij worden deze week. Aan wat jullie samen niet hebben gedaan.

          Die taak op school.
          Breng morgen tien bladeren mee uit de natuur. Dus straks moet je dat bos in, alleen. Je grote broers vallen nog liever dood dan mee met jou dode bladeren te gaan rapen, je vader heb je in geen dagen nog gezien en je moeder zit geketend tussen de tobbe met kokend water voor de witte was en het kookfornuis.
          Je grist een lege broodzak mee, scharrelt onder een boom een hand of twee rottende bladeren bij elkaar en propt je oogst thuis in je boekentas. Je broers spelen kaart of Mens-Erger-Je-Niet, daar kan je niet bij aansluiten dus kruip je met een boekje in een hoekje, Oliver Twist of Alleen op de Wereld.

          Het zakje van Bakkerij De Wit voor je op de lessenaar.
          Natuurlijk zit naast jou het slimste jongetje van de klas. Zijn moeder denkt vast dat hij het levensechte Jommeke is, met dat witte hemd altijd en dat blauwe truitje zonder mouwen eroverheen. Dat haar met brillantine gladgestreken. En altijd dat vingertje in de lucht.
          Naast jouw bevlekte broodzak slaat Jommeke een schriftje open. Nagelnieuw nog, zo te zien. Op elke bladzij netjes een boomblad gekleefd. Als gestreken, zonder kreukels, zonder rimpels, alsof hij ze zo gekocht heeft in de Grote Boombladerenwinkel. Hoe kan dat zelfs? Jouw natuur is geblutst, gekreukt, gescheurd. Traag slaat Jommeke de bladen van het schriftje om en om, voorwendend de kleur en kartels grondig te bestuderen, jij weet heel goed dat hij dat alleen maar doet om jou jaloers te maken. Beuk, het staat schreeuwerig mooi onderaan het blad, eerder getekend dan geschreven, dikke letters in zwarte Chinese inkt. Linde. Populier. Eik. Je kent de woorden uit een boek, een precies beeld heb je er niet bij.
          Je ziet zo voor je hoe het gisteren thuis bij Jommeke is gegaan.
          Zijn mama stond hem aan de schoolpoort op te wachten. Thuis meteen een kopje chocolademelk met wat zoete peperkoek erbij. Vertel eens, mijn kleine prins, hoe was je dag op school vandaag? Een tien voor taal, wat flink van jou! Bravo! Moet je voor de meester bladeren rapen in het bos? O hoe fijn is dat? Het bos lijkt wel een sprookje in deze tijd van het jaar. Wel de paddenstoeltjes laten staan, hé, kleine deugniet, kabouters vinden het vast niet leuk wanneer je aan hun huisje plukt.
Ik wil niet naar het bos, ik wil Nonkel Bob en Tante Terry. Kapitein Zeppos.
Dat kan vandaag niet, mijn juweeltje. Maar weet je wat we doen? Dadelijk komt papa thuis. Dan gaat hij meteen met Lassie een lange wandeling maken, helemaal naar het bos en terug. Kunnen jullie gezellig met jullie drietjes bladeren rapen. Dan kleven jij en mama die na het avondeten mooi netjes samen in dit nieuwe schrift dat ik nog liggen heb. Wat denk je daarvan, engel bengel?

          Wat prachtig, zegt de meester.
          Over jouw schouder kijkt hij mee in het mooie schrift. Een walm van solfer onderstreept zijn woorden. Wat heb je dat toch weer mooi gedaan! Dat is weer een dikke tien punten waard. En jij, De Schrijver? Wat heb jij zoal bijeen vergaard?
          Je schudt het beduimelde broodzakje voor je leeg. Eikeldopjes. Eikels. Takjes. Een plukje mos. Kruimels. Uit het bos? De bladeren, meer dan twintig, dat weet je zeker, spreid je breed uit over de lessenaar, zo lijken het er nog meer te zijn. Een zucht. Een kuch. Een brom, een grom. Solfer, van ergens uit de dikke buik van de meester. Een beerput glijdt onder je neus voorbij.
          Iemand heeft het zich weer héél gemakkelijk gemaakt, brult plots de meester. Allemaal bladeren van dezelfde boom! Dat kleine beetje moeite was blijkbaar nog te veel voor mijnheer. Speeksel. Twee vette vingers draaien je linkeroor in een knoop en tillen je uit de bank. Je ogen schieten vol. Het bloed stijgt naar je hoofd. Je wil gaan gillen maar klemt stijfkoppig je tanden op elkaar. Je denkt aan je vader die groot en sterk is, veel groter en sterker dan die dikke meester en die veel en veel lekkerder ruikt.
          Maar je vader is er niet.