‘Zag jij al eens een buschauffeur op zijn gsm zitten?’ vroeg een reporter van de openbare omroep aan zomaar twee meisjes in zomaar een straat. Een pas geslepen mes in het hart van mijn hart had mijn liefde voor het woord niet pijnlijker kunnen verwonden. De meisjes keken er niet van op en sloegen meteen aan het ratelen.
Ik wilde weten waar dit precies over ging. Bij wijze van empirisch onderzoek schoof ik mijn Samsung S 21 Ultra onder mijn, laten we een kont een kont noemen, royaal gevleesde billen. Lekker voelde dat niet maar voor taal en wetenschap heeft een mens wat over. Geen hond die er wat van merkte. Hoe in de naam van god zouden deze tiktokkippetjes dan kunnen raden wat zich onder het zitvlak van een chauffeur bevindt? Die zit beschermd achter plexiglas, enkel het bovenlichaam zichtbaar. Onder de bips legt hij wat hij wil. Wie kan het ook wat schelen? Zit hij op een goedkoop kussen van Ikea, een fistel, voor mijn part een gewaagd stuk speelgoed uit een dubieuze winkel, maakt niet uit. Dat de bus op tijd komt en me veilig ter bestemming brengt, meer vraag ik niet van De Lijn.
Deze meisjes hadden vreemd genoeg al wel eens een bestuurder zien kijken naar een filmpje, zien scrollen door een lijst met mooie liedjes, eentje had zelfs een keer tijdens het rijden een chauffeur zien sturen.
Nog niet zo verkeerd, vond ik zo.
Deze taal, dacht ik bedroefd, is mijn taal niet meer.
Ik weet het wel, zo gaat het in het leven. Een mens blijft stilstaan terwijl de wereld rondom hem verandert. Een museumstuk wordt hij, een reliek uit een vervlogen tijd. De wereld draait maar door en hij blijft steken waar men hem heeft geplant. Maar toch.
Met onze vrienden spraken wij het platste dialect, grote mensen antwoordden we beleefd, in de kerk en op school betrachtten we het Algemeen Beschaafd. Dat laatste leerden wij van televisie, die wilde in die dagen nog aan verheffing doen. Elke avond voor het gesproken dagblad vijf minuten les, Hier Spreekt men Nederlands. We leerden dat je beter niet beenhouwer zegt maar slager. Dat verlof toelating betekent en vakantie vrije tijd. Dat slaan en slagen twee verschillende woorden zijn. Kleine taaltips die bouwden aan beter begrip tussen de Vlaming in het Westen en de Limburger uit het Oosten.
Wie een programma wilde presenteren, moest een test doorstaan. Klanken moesten zuiver zijn, articuleren moest je leren. Hoe welluidend diep de bas van Bavo Claes, hoe warm de bariton van Nand Baert, hoe zoetgevooisd de nieuwsberichten door Martine Tanghe die zelfs een bombardement met vierenveertig doden waaronder twaalf kinderen kon laten klinken als een requiem van Mozart. De prijs voor uitmuntend taalgebruik die naar haar werd genoemd, zal bij deze reporter nooit pronken op de mantel van zijn schoorsteen.
Op een dag moest alles anders. Taal en cultuur waren hier in het geding. BRT, weg ermee en wat we zelf doen, doen we beter. Alles moest voortaan met V vooraan. BRT werd VRT, een openbare omroep voor en door het volk. Ik heette niet langer De Schrijver maar noemde zo. We hielden op met denken, in de plaats hadden we zoiets van, weet je, dat vind ik wel een ingewikkelde. Kinderen werden kids, dat vonden we cool, en er was is een meiske dat bloemen ging plukken in het bos.
De strijder voor het mooie woord in mij vocht, spartelde, klauwde als de duivel, het wijwater bleek alras te diep. Ge versta me toch, taalnazi da ge daar zijt. Nand ging dood, Bavo ging boeken schrijven, Martine bleef pal, een baken van helderheid in een alsmaar meer vervuilde woordenbrij. We kregen Tom – zedde gij na noeit ni bang – Waes en Sven – oe hebde gij da gedaan, ge doe me nogal verschieten – De Leijer op de buis. Daar schrok ik zodanig van dat mijn gezicht verbleekte.
De lat moet hoger, hoor ik tot in den treuren toe.
Dan toch alleen maar voor wie nog achttien moet worden of inwijkt uit den vreemde. Uit eigen nest zingt elke vogel zoals hij is gebekt, klinkt het niet dan botst het, ge versta me toch?
Ach schrijvertje, probeert u mij te troosten, laat het zo. Zo de tijden, zo de zeden. Wat je niet veranderen kan, dien je te omarmen. Niet dus. Tot mijn laatste snik, ik zweer het u, al speel ik in alweer een wedstrijd die je niet winnen kan.
Inmiddels, ik was hem bijna vergeten, pluk ik de Samsung onder me vandaan. Helemaal plat, natuurlijk.
Da verstaade toch?
