Een man liep te dwalen in de doolhof van de stad toen een onbekend heerschap hem staande hield.
‘Is niet uw naam De Wandeleer?’ vroeg het heerschap.
‘Wis en zeker,’ antwoordde de man verwonderd.
‘Stapte u niet in 2007 naar Santiago om aldaar het graf te bezoeken van de heilige Jacobus?’
‘Dat deed ik inderdaad,’ hakkelde de man, ietwat uit het lood.
‘U bent gehuwd, vader van drie kinderen, uw hond Rex is een Golden Retriever en klokvast om kwart na tien gaat u naar bed. Ja toch?’
‘Hoe weet u dat toch allemaal?’ stamelde de man verbouwereerd.
‘Kijk,’ antwoordde het heerschap op eerder hooghartige toon. Daarbij wees hij op zijn bril. ‘Dit is Meta. Dit onooglijke stipje boven het rechterglas is een camera. En hier, op de beentjes van het montuur, zitten een luidspreker en een microfoon. En weet u wat het mooiste is? Er zit ook Artificiële Intelligentie op. Hij kan uw gezicht herkennen, uw socials lezen, hij weet meer van u dan u zichzelf nog herinnert.’ De wandelaar keek alsof hij net een walvis over water had zien lopen. Traag begon het hem toen te dagen. Liep deze schelm stiekem op straat mensen te bespioneren?
‘Scheer u weg,’ schreeuwde hij als door een wesp gestoken.
En dat is wat de vreemdeling wijselijk deed.
Wie bedenkt zoiets, bedacht de man terwijl hij verder dwaalde door de straten. En meteen daarbij: wie gebruikt zoiets? De menselijke onbeschaamdheid kent werkelijk geen grens. Dat iemand die je kent van haar noch pluim zomaar alles van je lijkt te weten, waar je woont, wat je eet, wanneer je slaapt! Dan heb ik nog liever dat ze door mijn kleren kunnen kijken, zoveel bijzonders valt daar niet te zien. In ons geboortepakje zijn we tenslotte allemaal eender.
In zichzelf mopperend vervolgde hij zijn weg naar nergens. Anoniem. Hij bleef nu eenmaal van nature liever ongezien. Niet dat hij zoveel te verbergen had, maar een mens laat nu eenmaal soms liever stukken uit zijn leven onaangeroerd onder het stof van zijn geschiedenis. Die gele olifantenpijpenbroek in de jaren tachtig. Dat nektapijt. Dat gestolen flesje nagellak voor het eerste lief. Die kus met de vrouw van de baas in de toiletten tijdens dat personeelsfeest.
‘Wat weet die vervloekte AI nog meer? vroeg hij zich toen vertwijfeld af.
Dat viel al bij al nog mee.
ChatGPT bleek niet te weten hoeveel tijd de man per dag besteedde aan zijn mobiele telefoon. Ook niet welke websites hij het vaakst bezocht. Wel wist hij dat de man al jaren wanhopig worstelde met een roman, met overdreven aandacht voor stijl, beeldspraak, personages en structuur. Lap! Dat hij graag boeken las, verre reizen maakte, van lekker eten hield en af en toe een glas te veel naar binnen goot. Wie de man het vaakst ontmoette, belde of berichten wisselde, over die data beschikte de bot dan weer niet. Dus toch geen spion uit Afrika of uit Amerika, de Himalaya of de woestijn, zuchtte de man opgelucht, al stelde ook die wetenschap hem niet geheel en al gerust.
Zolang de mensen over een ander kunnen praten, hoeven ze het niet over zichzelf te hebben, had zijn oma hem geleerd. Maar wat was in godsnaam van dit uitvindsel de zin? Wanneer je meteen al alles over iemand weet, waar zit dan nog de aardigheid, vroeg onze man zich af. Zit hem de kneep niet net in het geduldig tasten, ontdekken, om zo te spreken de ander langzaamaan ontkleden tot je, zoals bij het pellen van de ui uiteindelijk tot de kern komt?
Zelf hulde hij zich nog het liefst in een kleed van geheimzinnigheid. Daarvoor diste hij graag verhalen op. Wie hem beter wilde kennen moest maar leren daar doorheen te kijken. Zo vertelde hij weleens ooit wat met Goedele Liekens te hebben gehad, tot die hem op de dag dat ze Miss België werd de bons had gegeven omdat ze vreesde dat hij haar roem niet zou kunnen dragen. Dat hij nog had lesgegeven aan de jonge prins Laurent en als beloning op audiëntie werd genodigd in het paleis van diens oom, de koning. Dat hij aan een gokautomaat in een café ooit zeventienhonderdvijftig euro had gewonnen en die er nog diezelfde nacht tot de laatste cent weer doorgejaagd.
Wie door dat waas van woorden toch nieuwsgierig bleef naar wie hij werkelijk was, daarmee wilde hij in zee. Van wie voor hem die moeite deed, werd hij weker dan een oester, zachter dan een vrouwenhuid en tegelijk ook trotser dan de koning van het dierenrijk op het puntje van zijn rots.
Laat die AI maar aan de robotten, dacht hij om kwart na tien, hij mag weten waar ik woon, hij zal nooit weten wie ik vanbinnen ben.
En knorrend van contentement kroop hij gerustgesteld onder de wol.
