In De Gernoare

               Tijdens mijn onvermoeibare Queeste naar Schoonheid tjokte ik als een jutter langs het strand. Meteorologen voorspelden storm in diverse kleuren, oranje, rood, tot zelfs blauw en paars -en rukwinden sneller dan het licht.
               In de haven vond ik beschutting in een onooglijke kroeg. De Gernoare stond op de vitrine geschilderd, boven de beeltenis van een enorme, rozige garnaal, op het eerste gezicht ontworpen door dezelfde kerel die in december ook rondbuikige kerstmannen met arrensleeën op de ramen tekent.

               In een klein café aan de haven zijn de mensen nog blij en tevree. Ik ging zitten aan een hoge tafel aan het raam met aan de ene kant zicht op zee en aan de andere een panoramisch overzicht op café en open keuken. Uit al het onbegrijpelijks op de smoezelige kaart koos ik een Rodenbach Mét. Mét zou naar ik dacht verwijzen naar grenadine waarmee we als beginnende drinkers destijds ook de bittere Trappist van Westmalle pimpten.
               Buiten schuimbekte de zee. Golven klauwden hoog in de lucht, hun gehuil en gebulder overstemde het geroezemoes in de bruine kroeg. De storm geselde het water, de wind zweepte de branding tot op de kade, de touwen van de aangemeerde vissersboten kraakten in elke vezel.
               In De Gernoare was het desondanks goed toeven. Een verslenst koppel ruziede achter lege jeneverglazen aan een tafel. Tegen de tapkast leunde een forse zeebonk, compleet met coltrui en pet, ik miste enkel nog een pijp en het bedwelmende aroma van zware Van Nelle. Op zijn biceps vermoedde ik een getatoeëerd anker. De waard droeg een witte keukenschort en een parfum van vis. In Café d’Anvers scoor je daar geen punten mee maar hier bracht het misschien wat op. Ek ze goeste, zoals ze hier zeggen. Hij zette het gevraagde biertje voor me en vouwde de krant van gisteren open op tafel. Uit een strandemmertje schepte hij een aanzienlijke berg ongepelde garnalen uit en kwakte die op de krant.
               ‘Excuseer?’ reageerde ik.
               ‘Minjere èt oliek gèrnoare gezeit? How, ier zie.’ Ik wachtte op nog een wuk of wuppe maar die bleven uit.  Mét. Met garnalen dus. Vreemde talen leren is niet moeilijk, het is een kwestie van reukzin en deductie.

               Er zijn mensen die hun geluk nog niet herkennen terwijl ze er met hun bloot gat op zitten, maar mij valt het op als een parel in een oester. Het bier was fris en lekker. De garnalen smaakten naar meer, al liet ik de laatste schaamgarnaal toch maar onaangeroerd. Niemand kende mij hier dus likte ik ongegeneerd mijn vingers schoon. De zilte smaak prikkelde mijn papillen, ik verlangde vanzelf naar meer. Intussen zag ik vanuit mijn ooghoek de zeeman naar me gapen. Daar werd ik een tikje ongemakkelijk van.
               ‘Hij is boos,’ zei ik om het ijs te breken en ik wees onbeholpen naar de woedende zee. Ik had Neptunus in gedachten, fier de golven trotserend, kroon op het hoofd en furieus zwaaiend met zijn drietand. De schipper bleef zwijgen als een gezonken wrak, al stonden zijn ogen net zo waterig als een schaamgarnaal op een doorweekte krant. Hij ging zitten op de vrijstaande kruk over mij.
               ‘Ze,’ baste hij. Zijn toon stemde me niet meteen vrolijk.
               ‘Ze,’ herhaalde hij. ‘E vromins. E wuf. E wuvetjen.’
               Toen brak hij. Zijn ogen liepen vol. Hij moest een verhaal kwijt en ik was het toevallig aangespoelde oor.

               Over de liefde, natuurlijk. Aan de zee had hij zijn hart verloren, diezelfde zee die vandaag elke toenadering weigerde. Bij haar voelde hij zich als een mossel in haar schelp. Elke keer weer zoog ze hem onweerstaanbaar naar zich toe. Verslaafd was hij geraakt aan haar wiegende armen, haar geur en smaak, de rijkdom van haar schoot. Zonder weerstand gaf hij zich over aan haar grillen en haar lusten. Een speelbal te zijn op haar golfslag, verder reikten zijn verlangens niet. Jazeker was hij beducht voor haar wispelturigheid. De zee geeft en de zee neemt, hij wist dat. Ze is onpeilbaar en laat niet gauw in haar diepten kijken. Ze omarmt je vandaag en werpt je morgen als verweerd wrakhout op het strand. Maar zijn liefde was onverwoestbaar en groter dan de zeven zeeën bij elkaar.
               Vandaag wilde de zee alleen zijn. Niets of niemand liet ze toe. Hij begreep het niet. Had het niet verwacht en kreeg het niet verteerd. Daarom dronk hij, hier en nu, in De Gernoare. Inmiddels rolden vrijelijk de tranen over zijn wangen. Geen groter verdriet dan de pijn om een onvervulde liefde.
               Ik wenkte de waard, twee Rodenbach Mét.
               ‘Het gaat wel weer over,’ troostte ik. ‘Laat ze maar even. Zij is eb en vloed. Vandaag weert ze af, morgen trekt ze aan. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn.’ Daar klonken we op.
               Net als aan overmatig verlangen kan een mens ook lijden aan teveel Rodenbach. Verse garnalen maken dan veel goed.

Omdenken

               Ik wandel over het strand. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin, steek mijn handen diep in mijn zakken en ga de strijd aan met de wind. Een strakke bries zwiept weerbarstige golven de hoogte in en smakt ze ongenadig neer op het woelige water. De zee schuimt en brult en sproeit een zoute nevel over het land. Zandkorrels prikken naalden in mijn gezicht. Mijn haren rukken aan hun wortels. Ver weg van mij lopen een man, een vrouw en een hond. Weinig passanten op mijn pad maar ze zijn allemaal met hond. Ik ben de enige die zonder begeleiding buiten mag. Ik ben uniek, ha!

               Ambrosia, wat vloeit mij aan?
Het is de wind, mijn kind, de wind. Hij jaagt de duinen op, blaast plastieken zakjes over het strand en belegen gedachten uit mijn hoofd. Diep begraven herinneringen vinden verse zuurstof, kruipen uit het graf van mijn geschiedenis en herleven in mijn hoofd.
               Het lijkt wel gisteren. Ik ben weer de naïeve student in de lerarenopleiding. Een vrijdagmiddag, half drie. Voor het bord een kleine, geblokte man, op de neus een zwarte bril met dikke glazen. De Graef heet hij, Herman. Hij is onze klassenleraar, mentor en hoogopgeleide in het Doodbliksemen Zonder Woorden of Neersabelen Met. Verafschuwd door velen maar ik mocht hem wel. Hij ontstak in mij de liefde voor literatuur en poëzie en toonde in persona dat passie en overgave onontbeerlijke eigenschappen waren voor het beroep dat mijn klasgenoten en ik zouden gaan uitoefenen. Hij kon keihard uithalen naar wie aan zijn plichten verzaakte maar mij gaf hij geregeld een klopje op de schouder. Hij zág de mens in de student, daar ben ik hem altijd dankbaar voor geweest.

               Voortdurend daagde hij ons uit.
               ‘Alles is aanname,’ stelde hij die middag. ‘We zeggen: de zee spoelt over het land. Is dat werkelijk zo? Schuift het strand niet gewoon onder het water?’ Wij stootten elkaar aan, hij heeft tijdens de pauze aan een pijpje met verboden kruiden gelurkt. Het had ons niet verwonderd, er gebeurden vreemdere dingen in het tijdsgewricht van Love en Peace en bloemen in het haar. Onze meewarige blikken stopten hem niet. ‘De wolken boven ons hoofd. Drijven zij over ons voorbij of draait de wereld eronder door?’
               ‘Ja maar mijnheer,’ probeerden wij. Wij sleepten er Copernicus bij, de zwaartekracht en de wetten der natuur, de stand van de maan en de sterren, Darwin en god in de hemel. Niets bracht soelaas, hij wilde van geen wijken weten. Bij elk nieuw argument had hij een antwoord klaar.
Omstreeks half vijf propten wij vermoeid en verslagen onze notities in onze boekentas. ‘Lig er niet van wakker,’ zei hij. ‘De zee gaat echt wel op en af over het strand. Als jullie maar inzien dat het geen kwaad kan de dingen eens te bekijken vanuit een ander perspectief.’

               De heer de Graef was een uiterst merkwaardig man. In het eerste jaar organiseerde hij in januari een proefexamen. Je kreeg een kwartier voorbereidingstijd en daarna een half uur het woord, vooraan in het lokaal, aan een tafel met twee stoelen. Achteraan lag om god weet welke reden een brede rol tekenpapier.
               Ik nam plaats op de ene stoel. De andere bleef leeg.
               ‘Begin maar,’ klonk het van ergens in de ruimte. Ik ratelde tegen het groene bord. Hebban Olla Vogala, Abele Spelen, Anna Bijns. Ik probeerde me te concentreren op de leerstof en vooral niet te letten op het gekreun en gesteun achter mijn rug.
               ‘Al klaar?’ klonk het uit de deuropening.
               ‘Vraag 2: Boomdiagram en Dieptestructuur,’ hakkelde ik.
Klaterende geluiden uit de gang, als een fontein. Ik keek om en zag nog net het tekenpapier voorbij de deuropening rollen, hoorde hoe het zich als de donder na het onweer steeds verder verwijderde, van lokaal naar lokaal waar andere studenten op andere stoelen zaten te zweten.
               Toen stond de heer De Graef weer voor me. ‘Het is goed,’ zei hij, ‘je mag gaan.’

               Tijdens de nabespreking vroeg iemand of dit niet een ietwat ongelukkige evaluatiemethode was. De Grote Neersabelaar reageerde enigszins gepikeerd: ‘Jullie kunnen mij niets vertellen wat ik al niet heel lang weet. Een mens moet iéts doen tegen de verveling.’
Dat vond ik een hoogst originele kijk op het examensysteem, de Andere Invalshoek next level.
               Voor mijn proefexamen overigens kreeg ik zestien op twintig. Mijn hoogste cijfer ooit.

Zoomen

               Die middag werd ik voor een bespreking verwacht in de stad. Buienradar.be hield het droog, dus er met de auto naartoe was geen optie. Omwille van zijn ouderdom mag de minivan toch al de stad niet in en filerijden als vrijetijdsbesteding vind ik een nog waanzinniger concept dan Koen Kennis als Schepen van Mobiliteit.

               Openbaar vervoer zou kunnen. De haltes liggen op loopafstand, Google Maps gokt op een reistijd van een klein uur. Ik heb helemaal niets tegen bus of tram maar echt gezellig is het niet en een uur zomaar wat voor je uit zitten staren tussen die andere sufkoppen die ook niets te melden hebben is niet mijn kopje thee.
               Wandelen misschien? Goed voor het herstel van mijn hielspoor, een ongemak waarvan de naam me doet denken aan een giftig onkruid.  ‘Uw voeten staan verkeerd,’ zei de podoloog, een forsgebouwde man met een Duits accent. Dat die vaststelling wel redelijk laat kwam, antwoordde ik. Op een bepaald moment denk je toch jezelf te kennen, je geest en je lichaam en daar doe je het dan mee. Niet dus. ‘Glücklich hebben we daar iets voor,’ zei de voetenman. Sindsdien loop ik op steunzolen door het leven, rol ik tweemaal daags een met ijs gevulde fles onder mijn voetzool en stretch ik zo vaak ik kan mijn tenen als een ballerina. Je verwacht het niet, maar het dragen van een tutu doet iets met een man.
               Uiteindelijk opteerde ik voor de fiets. Ik houd van fietsen. De wind om je hoofd, de geluiden van de straat, het palet aan geuren onderweg. Fietsen is gezond en je hoeft niet op zoek naar een parkeerplaats. Mijn fiets, een oudmodische Trap-Hem-Zelf, is ongeveer even oud als ik.
               De wind stond fors tegen, het oude ding kreunde en kraakte maar dat kon de pret niet drukken. Tegen de wind weet de eenzame fietser zich sterk. Al van bij de start schoten mij links en rechts gemotoriseerde tweewielers voorbij. Ik ben de laatste pedaleur op mankracht. ’s Avonds beloon ik mij daarvoor met een koppel ijskoude Duvels of een fles witte wijn uit een goed jaar. De volgende ochtend protesteert de weegschaal. Onze relatie is problematisch. We zijn allebei van goede wil maar misschien niet echt voor elkaar gemaakt.
               Ik ben een fietser uit een oud Hollands boek, wapperende sjaal en manen, een zweetdruppel op het voorhoofd. Geen luidsprekers in mijn oren, geen halve kokosnoten eroverheen, geen telefoon op de oorlel gepind. Ik hoef niet steeds bereikbaar te zijn, zo belangrijk ben ik niet. Ik ben keihard old skool, ik respecteer zelfs nog min of meer de regels. Misschien kent u ze ook nog. Bij rood moet je stoppen, een blauw bord zegt waar je rijden moet, het rode bord verbiedt. Die details.

               Volgens Ann Christy is gelukkig zijn een deur die plots opengaat. Dan bedoelt ze vast niet het openzwaaiende achterportier van de lichte vrachtwagen die zich op het fietspad parkeert. De bestuurder merkt je nooit op, het hulpje uit de winkel zet zich pardoes in het midden van de fietsstrook. Vloekend slalom je tussen de messcherpe laadklep en de uitgestalde bakken sla, tomaten en watermeloenen, terwijl aan de andere kant een jongetje zigzaggend op een loopfiets met ernaast zijn mama achter een met boodschappentassen overladen kinderwagen hetzelfde proberen te doen. Je overleeft.
Uit de volgende zijstraat schiet een BMW met getinte ruiten naar voren. Het rood van het fietspad werkt als een lap op zijn gaspedaal. Remmen waren net als pinklichten een optie waarvoor je moest bijbetalen. Het leven is hard voor iedereen.
Onversaagd trap ik door. Voor de jongens van Pizza Domino en Deliveroo op hun brommertjes telt elke seconde. Zij erkennen slechts één rijrichting, de hunne, en één snelheid, de hoogste. Het fietspad is een bowlingbaan, wie de helm draagt is de bal, dat maakt jou de kegel. Toch begrijp je die jongens, je was zelf ooit ook zo, de dagen dat ook jij moest bakkeleien voor elke cent vergeet je nooit.
               Als steprijscholen niet bestaan, dan moet iemand ze dringend uitvinden. Aanbevolen Stepattitude: recht de rug, span de schouders, borst vooruit, kin omhoog, staar naar het verste punt aan de horizon. Moedig Voorwaarts, Step en kijk niet om en ook niet op. Zie niet, Hoor niet. Step Stokstijf, waar het kan op ramkoers. Ben je er klaar mee, slinger het ding zover je kan van je weg, liefst op een plek waar de hinder maximaal is.  

               Mijn bijdrage op de bijeenkomst beperkte zich tot het voorstel om de volgende keer gewoon als vanouds weer lekker te Zoomen.

Velpop 100

               Radio 1 houdt Belpopdag. Honderd muziekstukjes van uitsluitend Belgische snit. De luisteraar bepaalt de volgorde, Alles Begint bij Luisteren is immers het huisdevies. Het plaatje dat het meest gevraagd wordt, wint. Tegen zes mag de kurk van de fles. Dan overstijgt een Ruimtevaarder een pesterige leraar, tuimelt in Ploegsteert een wielergod van de fiets of bladeren verderop Twee Meisjes op een strand in modebladen.

               Op wie te stemmen?
               Ik grasduinde door de lijst van vorig jaar, speurend naar liedjes uit de tijd van de Belgische Radio en Televisie. De Vlaamse zanger smeekte om er te mogen worden gehoord.
               ‘Onze eigen muziek vinden ze te min op de BRT,’ beweerde onze vader, zelf nochtans ook bepaald geen adept van het Vlaamse lied. The Strangers, Schele Vanderlinden, ja, lachen. Of Louis Neefs, pinten pakken met Benjamin. Maar dat was het dan wel ongeveer.
               Onze zielen waren onbesmet, onze hormonen sliepen nog, we waren naïef genoeg om hartstochtelijk te delen in de pijn van het levenslied. Ik zag hem daar echt staan, Willy Sommers, aan die voordeur van dat rijhuis, in zijn armen een bruidsboeket van Zeven Anjers, Zeven Rozen. Hij klonk zo triest en ongelukkig dat wij heel zeker wisten dat ze nee zou zeggen. Een kind voelt zoiets. We leerden tevens dat liefde je veel geld kan kosten en dat zelfs ook dat geen garantie biedt op een kus.   
               Zo mooi, Zo blond en Zo alleen waren wij, net als Jimmy Frey. Het zou niet mogen zijn. Jimmy, de tachtig voorbij nu, heet weer gewoon Ivan Moerman en geniet van elke dag die hem nog is gegund. Aan het eind komt alles goed. De getormenteerde wanhoop van de jeugd ruimt ergens onderweg plaats voor de rustige weemoed van de oude dag. Iets om naar uit te kijken.
               ‘Ik ben verliefd op jou,’ kwetterde Paul Severs wanhopig.
               ‘Paul Zevers zou een betere naam zijn,’ mopperde onze vader. Wij daarentegen kweelden luidkeels met Paul mee, het galmde over de tuinen en daken van onze wijk naar achterliggende huizen waarin meisjes woonden die Suzanne heetten, Marina of Hilde. ’s Nachts versmoorden wij ons verlangen in zoute tranen met de handen onder de lakens.
               Geen levenslied helaas in Belpop. Het behang van onze jeugd verbleekte onder de adem van de tijd. Alleen nog Will Tura, langer dan zestig jaar de gekroonde koning van het Vlaamse lied, neemt Eenzaam Zonder Ons plaats op nummer 41, net voor Naar de Wuppe. Grapje van het lot.
               Ook BRT zelf is niet meer. Het moest met V, tot meerdere glorie van onze Vlaamse volksaard en het eeuwige geneuzel daaromtrent in dit plat pays qui est le mien (op 56 overigens).

               Hoe Belgisch oogt dan nog de Belpoplijst?
                Ik zocht naar Pierre Rapsat – ‘Rapsat? Rap zat, zeker,’ (onze vader) – om een of andere reden bezorgde zijn Judy et Cie mij weleens een warme ril. Ik vond hem niet.
               Jean Vallée dan, ‘L’ Amour, c’est tellement fantastique’, ‘L’ amour, on devient musicien, de vrais petits Chopin, rien que pour une blonde’, voor hoeveel blondines hebben wij deze aria niet op de knieën gedeclameerd, compleet en al in de taal van Molière en de Liefde? Die Jean Vallée dus, uit Verviers, geridderd, de eerste keer achtste op het Eurovisie Songfestival, bij de herkansing tweede. Tweede! Dat is bijna ABBA. Niet in de lijst.
               Enkel Sandra Kim deed ooit beter. Ik weet nog waar ik was die avond in de lente van 1986. Achter de tapkast tijdens een huwelijksfeest. De dans hield halt om te luisteren naar de ultieme points of de zury op de radio. Een meisje van dertien hield van het leven en wij dus ook, iedereen rap zat. Ik heb haar gezocht, Sandra Kim. Helaas ook niet gevonden.

               Tegelijk met de B heeft de V ons nationaal erfgoed uit het geheugen geramd. Acht Franstalige liedjes slechts op honderd. Acht. Adamo, het zou nog mankeren. Angèle en Jo Lemaire. Stromae natuurlijk, twee keer, Formidable quoi?
               Brel, grootste Belg bezuiden de taalgrens, meester Jacques, passie in persoon, meer parels aan de kroon dan een top tien kan bevatten, drie keer. Op ocharme zevenenzeventig, zesenvijftig en uiteindelijk op twintig het tijdloze, altijd weer opnieuw beklijvende Ne me quitte pas. Op twintig. Een schande is het, Luisteraar.
               Misschien luister ik straks nog wel maar Belpop is het niet.

Dertien levens

               De mens is een gewoontedier. Ik ook. Elke ochtend hetzelfde ritueel: koffie, een licht ontbijt, badkamer, weer koffie. En dan is het boekentijd. Gehuld in een schort met rode papaverprint, een paarse plumeau in de ene en een stofdoek in de andere hand lanterfant ik wat tussen de rekken van mijn bescheiden bibliotheek. Net als alles wat leeft op de planeet hebben ook boeken nood aan zorg en liefde. Niet alleen omdat hun inhoud ons gemoed verrijkt, maar ook omdat zij bedacht en geschreven zijn om de tand des tijds te doorstaan. Ook een boek wil zich nog op gezegende leeftijd spic en span aan de potentiële lezer of lezeres kunnen presenteren.
               Strak gelijnd staan ze in het gelid, geordend op auteursnaam van A naar Z. Geen ezelsoor is gepermitteerd, onderstreping noch kanttekening wordt getolereerd, ook niet als ze vrijwel ondoorzichtig met fijn potlood werden opgetekend. Mijn boeken behandel ik als geliefden, ik streel hun ruggen met de zachte pluim, aai ze, fluister iets liefs of neem ze teder in mijn handen waar ze hun bladeren gewillig door mijn vingers laten betasten.

               Ik ontdoe ze van de onooglijke schilfers en het laagje fijn stof dat het voorbije etmaal ongevraagd op ze is neergedaald. Minuscule restjes van mijzelf zijn dat, dat leerde ik bij de letter D van Dekkers, Midas. In zijn ‘De Vergankelijkheid’ beschrijft hij hoe onze cellen voortdurend in beweging zijn. Oude sterven af, nieuwe komen in de plaats, zij het van een wat mindere kwaliteit. Je darmen vernieuwen zich op een paar dagen, je huid doet er jaren over, je hersenen hebben meer tijd nodig. Dat laatste valt weleens te betreuren, je wenst menig medemens sito presto een nieuw brein toe opdat ze in hun vijftigste levensjaar zouden ophouden snot te willen lurken uit de neus van een ander, een vrijetijdsbesteding die wij afbouwden aan het eind van onze peutertijd.

               Fascinerend vind ik dat, opnieuw geboren worden, een fabelachtig geschenk van Moeder Natuur. De complete wissel duurt zeven jaar, dan ben je helemaal nieuw. ‘Ik ben altijd zo geweest,’ hoor je weleens. Dat klopt dus niet. Niemand is na zeven jaar nog die baby op dat schapenvel met die fonkelende blauwe oogjes. De weerbarstige puber, betweterige student, de ambitieuze dertiger, schuinsmarcherende veertiger, nog altijd flukse vijftiger, ze bestaan niet meer, ze zijn vergaan tot stof en as zoals de Schrift het heeft voorgeschreven, met plumeau en stofdoek weggevaagd en het huis uitgeklopt, gejaagd door de wind.
               Ik beeld me in dat de laatste versie van jezelf, nummer dertien of veertien, inhoudelijk de beste is, met al die wijsheid en ervaring die je een leven lang vergaard hebt. Betreurenswaardig wel dat je bouwstenen inmiddels van inferieure kwaliteit geworden zijn. De motor wil zich nog bewijzen maar de carrosserie kan het niet meer aan. De vergankelijkheid, tragisch en onontkoombaar.

               Het is niet iedereen gegeven, realiseer ik me als de paarse veren aaitjes geven aan de M van Mijlemans, Marc. ‘Mijl op Zeven’ heet het boek, een verzameling tv-kritieken en kortverhalen van een begenadigd journalist/tv-criticus/auteur uit de vorige eeuw. Hij werkte voor het toen nog eigenzinnige blad HUMO en pende op wekelijkse basis parels bij elkaar als: “Zaterdag. De wekker loopt af als een kind met stuipjes. Eén stap buiten de lakens ligt de Noordpool; in het water van de wasbak plenzen jonge ijsbeertjes.” of “Op zaterdag hult C. zich in zwart en zet haar beste beentje voor. Op zaterdag lééf ik.” Erotiek in een vingerhoed.
               Op de achterflap kleeft de auteur in zwartwit tegen een bar. Achter hem een flinke voorraad geestrijke drank en een kasregister dat je vandaag enkel nog vindt in Het Huis van Alijn. Een jonge man met een veelbelovende toekomst, achtentwintig, vier stofwisselingen ver. Vier, wat stelt het voor? Zijn geadoreerde C., gezel voor het leven en moeder van hun nog jonge dochter, lost na een fatale hersenbloeding voor eeuwig op in het grauwste zwart. Het niet te beteugelen verdriet dat daarop volgt, vertaalt zich achttien maanden later in een al even ongenadige kanker.
               Donderdag was het precies vijfendertig jaar geleden dat Marc Mijlemans overleed. Ik herinner mij nog het ongeloof, de hand voor de mond, de stomp in de maag. Hier hadden nog makkelijk acht, negen nieuwe versies bij gekund, denk ik terwijl de stofdoek helemaal autonoom de achterflap blijft liefkozen.
               Doe mij dan toch maar de vergankelijkheid.

Tinderen

               Wat is deze wereld anders dan een balzaal waar acht miljard huidhongerigen op zoek zijn naar een maatje om te paardansen? Gelukkigen vallen elkaar pardoes in de armen, anderen dralen, talmen als een oud besje aan de groentekraam dat liefst elke paprika of mango uitgebreid bepotelt, twijfelaars kleven als klimop aan de muur, beduusd en verlegen of tijdens een eerdere dans pijnlijk op de tenen getrapt. In hun ogen lees je de angst om nooit meer liefkozend te worden omarmd en als een ballerina te worden opgetild.
               Ook voor die eenzamen is er hoop. Die heet Tinder. Een kinderlijk eenvoudig appje. Jij vertelt eerlijk over jezelf, een ander doet het ook en Tinder zegt of jullie matchen. Uiteindelijk behoud jij de eindredactie over de finale swipe. Is in politiek en maatschappij de krijtlijn tussen links en rechts uitgevaagd, Tinder is helder: links is een No Go, rechts een Yes You Can.

               ‘Schrijver, schets eens wie ik ben in pakweg vijfhonderd tekens,’ vroeg een vriendin onlangs, een vrolijke dame van middelbare leeftijd met een gouden hart, goedlachs, houdt van uitgaan maar blijft ook graag gezellig thuis, zorgzaam bovendien en gedienstig. Ze houdt van films, dansen, reizen, koken en lekker eten. Aan de afschrikzijde vermeldde ze gescheiden, twee kids.
               ‘Jamais de ma vie zou ik daten met iemand die kids zegt,’ zei ik.
               ‘Omdat jij een moeilijk karakter hebt. Jij legt op te veel slakken zout. Sorry, maar iemand moet het zeggen. Maar ik blijf je altijd graag zien hoor.’
Bij de kids vermeldde ze nog dat die het nest al waren uitgevlogen en dat ze een man zocht moest er ook nog bij, om mogelijke misverstanden te voorkomen. Haar aanbod leek ons de gebraden kip waarvoor de hongerige eenzame enkel nog de mond hoefde te openen.

               Een week later klonk ze depri aan de telefoon. We keuvelden wat, over alweer geen winter, dat ook de eenvoudigste trui in de solden nog stukken van mensen kost en allebei vonden we Tom Waes in Undercover weinig geloofwaardig. Toen diende de Vraag der Vragen te worden gesteld:  
               ‘Heb je al reacties gehad,’ vroeg ik. Een tijdje bleef het stil.
               ‘Eentje.’
               ‘Beter één vogel,’ probeerde ik.
               ‘Ach, deze zingt een droevig lied,’ antwoordde ze, ‘Luister’:

‘Mijn vader was Belg en mijn moeder kwam uit de VS, ik ben geboren in België, maar groeide op en studeerde in de VS. Mijn ouders hadden een zakelijke onderneming in North Dakota, VS, dus we woonden in North Dakota, waar ik naar de universiteit ging (University Of North Dakota).”

               ‘Klinkt logisch,’ zei ik.

“Mijn ouders zijn 22 jaar geleden overleden. Mijn vader stierf op 85-jarige leeftijd en mijn moeder op 80. Ik was het enige kind dus erfde ik de eigendommen van mijn vader.”

               ‘Als zijn vader tweeëntwintig jaar geleden vijfentachtig was, hoe oud zou hijzelf nu dan zijn?’ vroeg ik, maar ze ging onverstoord door.

               “Ik ben op 30-jarige leeftijd in de VS getrouwd en heb 23 jaar gelukkig samengewoond. Helaas is mijn vrouw twee jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk met mijn enige kind. Het was een groot verlies voor mij, het was alsof alles voorbij was, ik zat in de problemen, ik huilde ’s avonds laat in mijn kamer.
Ik ben 7 maanden geleden naar België verhuisd, ik heb maar twee maanden in Antwerpen gewoond voordat ik vijf maanden aan boord van het schip ging. Ik heb minder dan drie weken om aan boord te blijven. Ik ga met pensioen na deze reis.”

               ‘Wacht even,’ probeerde ik weer. ‘Dus we hebben hier een bejaarde universitair die vijf maanden voor zijn pensioen matroosje gaat spelen?’ Ze negeerde me.

               “Ik keerde terug naar België omdat ik de rest van mijn leven in mijn thuisland wilde wonen. En zoek ook een leuke vrouw waar ik gelukkig mee kan leven. Er was voor mij geen enkele reden meer om in de VS te wonen.
Ik ben een scheepswerktuigkundige, dus ik werk op een schip terwijl het vaart. Momenteel ben ik op mijn laatste reis naar Azië, maar zal binnen minder dan drie weken terug naar mijn huis zijn. Ik hoop dat je geduldig op me kunt wachten.”

               ‘Die drie weken zijn het probleem niet, wel?’ vroeg ik.

               “Toen ik je voor het eerst op TINDER zag, was het eerste dat in me opkwam wanneer, waar en hoe ik je kan zien. Maar binnenkort zullen we samen zijn als alles goed gaat voor ons allemaal. Je kunt me meer vertellen over je familieachtergrond en je mag me altijd alles vragen.
Hoop snel van je te lezen”

               ‘Arme stakker,’ zei ze. ‘Mijn hart bloedt. Ik heb zo met hem te doen. Zal ik …?’
               ‘Swipen! Naar LINKS. Nu!’ antwoordde ik.
Het bleef toen een hele poos stil, slechts af en toe onderbroken door een hulpeloze zucht.
               ‘Ik heb hier nog wel wat rode wijn,’ zei ik tenslotte, ‘Kom maar af.’
Want ik zie haar ook graag.

Gewone mensen

Wanneer de zon het vertikt om op te staan, de nacht ongemerkt dag wordt en weer nacht en wolken verstuiven tot smurrie en smodder, willen wij graag de Heer loven en prijzen en hem danken voor alle wonderen van Zijn schepping en de uitvinding van streamingsdiensten in het bijzonder. Geruggesteund door Netflix en VRTNu dromen wij ons door de winter, verfrommeld onder een fleece deken, slechts gehuld in een slonzige pyjama, in gezelschap van een mok hete chocola, een koekje van speculaas en marsepein en onze Zapper, trouwe metgezel, volgzamer, goedkoper en minder vermoeiend dan een Dalmatiër of Siamese kater.

Wij teleporteren ons naar de weeën en troebelen van de Britse Upper Class in Downton Abbey. Ach, ach, wat hadden ze het moeilijk in het eerste kwart van de vorige eeuw, die Lords en Lady’s met hun jachtpartijen, party’s en amoureuze machinaties, de teloorgang van de etiquette, de vooruitgang en de alsmaar luider klinkende stem van de gewone man.
Als een kind laven wij ons aan dit sprookje. Een boosterprik voor oog, oor en monkellach, niet in het minst dankzij de stokoude doch immer messcherpe Dowager Countess of Grantham:Servants are human beings too, but preferably only on their days off.’ Zoals dat gaat in sprookjes, eindigt iedereen gelukkig: er wordt trouw gezworen uit oprechte liefde, de booswicht komt miraculeus tot inkeer en in een warme kamer wordt een kind geboren terwijl buiten feeëriek sneeuwvlokken een wit tapijt draperen over het land.  
Carson, een zakdoekje, graag.

U en ik echter weten beter. Het leven is geen sprookje, al helemaal niet voor gewone mensen zoals wij en het eenzame tienermeisje Marianne uit Normal People, opgroeiend in een verhakkeld gezin, intelligent en eigenzinnig en gebukt onder veel te veel pijn op veel te jonge leeftijd. De hel zijn echt de anderen. Ze vecht voor zichzelf, Marianne, tussen de zee identieke schooluniformen in de eindexamenaula pronkt haar gele trui als de zon aan een grijze hemel. Er wonen veel Mariannes in Marianne.
Connell is de held van het rugbyveld. Vanbuiten een David van Michelangelo, vanbinnen vloeibaar als honing. De trots van de moeder, slim, betrouwbaar, het hart op de juiste plaats. Mocht ik opgroeien in Sligo en behept zijn met een andere geaardheid, nou. ‘Als je het niet fijn vindt, kunnen we altijd ophouden,’ stelt hij Marianne gerust als ze voor het eerst aan de liefde gaan doen. Een sprookje, zou je denken, a match made in heaven.

Maar ook in Connel wonen meerdere Connels en u en ik weten inmiddels, sprookjes bestaan niet. Elkaar graag zien is nog geen garantie op geluk. Connell heeft een reputatie hoog te houden: ‘Jij en ik, dat vindt de wereld wellicht een beetje raar.’ Marianne knikt. Het past bij haar zelfbeeld. Tranen vloeien pas nadat hij de deur uit is. Ze accepteert dat hij haar binnen de schoolmuren negeert, dit is het spel, dat zijn de regels, zo moet het worden gespeeld. Als Connell niet haar maar de blitse blonde meevraagt naar het bal, zoomt de camera in op een schokkende rug in een rommelig meisjesbed.
Carson, hoe herstel je een gebroken hart?
Een keer komt hij voor haar op, als ze op een feestje wordt bepoteld door een dronken klasgenoot. Verder benadert hij haar in het openbare leven ijziger dan een ijsbeer op de Noordpool in hartje winter.

Zij trekken aan en stoten af, in trage close-ups en lange stiltes. Woorden maken stuk, je bent er beter zuinig op. Wat niet wordt uitgesproken zegt vaak het meest. 
‘Ik ga,’ zegt hij.
‘Ik blijf hier.’ antwoordt zij. ‘We zullen dat goed doen.’ De pijn van het zijn.

Wij kennen dat, u en ik.
Wij zijn ook jong geweest. Raakten net als Connell en Marianne ooit ook verstrikt in de doolhof waar je als kind wordt in gelokt en als volwassene weer moet uit geraken. De jaren waarin je stem daalt terwijl je alsmaar meer eelt kweekt op je ziel, je leert dat sprookjes verzinsels zijn en je vreest dat de toekomst veel te zwaar wordt om te torsen op jouw frêle schouders. Pas veel later krijg je door dat dat hele leven uiteindelijk veel minder weegt dan de zeepbel die je als kind de lucht inblies.

A cause de nous

Je zit vast.
De bron der letteren staat droog. Verhalen vliegen door de lucht zeggen ze, je hebt ze enkel maar te plukken, op een goede dag vallen ze zelfs zomaar als rijpe vruchten in je schoot. Weinig oogst in december dan toch. Misschien staat de wind verkeerd, of let je niet goed op.
Ach, denk je, weet je wat? Ik sla een weekje over. Geen hond die het merkt. De wereld zit heus niet op jou te wachten. Iedereen is net als jij, druk met dingen doen waarvan we morgen vergeten zijn waarom we ze gisteren nog zo belangrijk vonden.

Je wurmt je onder je stolp vandaan en trekt de wijde wereld in. Naar een andere stad, andere lucht, andere mensen. Niet eens zo ver van huis, maar ver genoeg. De mensen spreken er een andere taal. Je begrijpt ze maar moeizaam, hun tong is rad, waar jij hapert en pruttelt, stromen bij hen de woorden als een rivier. Zo ongeveer moet het voelen als je nieuw leven zoekt in onbekend gebied waarvan je niet alleen de taal mankeert maar ook de zeden en gewoonten. Altijd een buitenstaander.

Je struint doelloos door de straten.
Alles zou inspiratie moeten zijn maar dat is het niet. De vriendelijke dame aan de balie van het hotel. De kinderen op de schaatspiste in het stadcentrum. De vrouw die je op de kerstmarkt een braadworst verkoopt. Ze ratelt aan een stuk door, je begrijpt geen jota van wat ze zegt, knikt van si en oui. Tot ze vraagt welke saus je op je broodje wil en je antwoordt met: ‘Je viens d’ Anvers.’ Het ratelen sputtert, de vrouw morrelt plots met overgave in de grote pan met uien. Ze wijst naar een bordje, zes euro, nu begrijpen jullie elkaar.

De wolken hangen laag. Toch huur je een fiets voor een tochtje langs de rivier. Diepzinnige gedachten en poëtische zinnen die je zeker niet mag vergeten schieten door je hoofd. Eerst dicteer je ze nog in je telefoon maar na triljoenen keren stilstaan houd je ook dat voor bekeken. De lucht klaart langzaam op, het is nog warm voor de tijd van het jaar.
Het grijs opent zich, hier en daar verschijnt een vlekje blauw. Het peddelen lucht op, je wordt er een tikje vrolijk van. Je ademt de frisse buitenlucht diep in en uit, vult je longen en laat ze ook weer leeglopen. Dat doet ook je achterband. Hier sta je dan, in het midden van nergens. Racefietsers snellen je voorbij, wandelaars op leeftijd knikken bonjour, niemand vraagt ça va.

Gelukkig weet je inmiddels dat geweeklaag en gejammer je geen meter dichter bij huis zullen brengen. Je schreeuw om hulp valt tegen. Zoek een treinstation, zegt de fietsverhuurder, of een bus. Probeer een duim omhoog, wie weet stopt er iemand met een bestelwagen waar ook je fiets in kan. ‘On peut toujours marcher’, zegt hij nog, je fantaseert er de lach op zijn gezicht bij.
Twaalf kilometer, dat zijn hoeveel calorieën? Het water glinstert, de nu blauwe hemel weerspiegelt erin. Tussen de struiken aan de oever schuilt een reiger. Bevers hebben de voorbije nacht aan boomstammen geknaagd. Verderop gooit een visser een lijntje uit.

Traag nordic walken drie dames op leeftijd een eind voor je uit. Ze hebben elkaar veel te vertellen, hun gekwetter overstemt je fietsbel. Uiteindelijk draait de kleinste haar hoofd, ze stoot de anderen aan. Meteen leggen ze zichzelf het zwijgen op. Vriendelijk zetten ze een stap opzij.
‘Vous êtes à pied a cause de nous?’ vraagt de mevrouw in het midden koket. Haar haar heeft de kleur van mahonie, haar gezicht is gegroefd. Wat zou ze blij zijn, denk je in een flits, als je ja zou zeggen. Ja, natuurlijk, dat doe je voor een dame. Je neemt je tijd, stapt van je fiets, een dame heeft recht op kleine égards. Je laat haar voorgaan, houdt het portier voor haar open, drapeert je jas om haar schouders als ze het koud heeft. Ouderwets misschien, maar met stijl. Je ziet hoe ze glimt. Je gunt het haar.

Beelden en woorden vullen je hoofd, je ziet een vertelling groeien. Maar niet in haar taal.
Hélas.
‘Je suis désolé,’ zeg je. Onhandig wijs je naar je fietsband.
‘Ah oui, ça je connais,’ antwoordt ze.
Ver voorbij de zeventig moet ze zijn, maar ze lacht nog altijd de lach van een meisje.
Opgewekt stap je verder, genietend van de pluk van de dag.

Nijlpaarden is een werkwoord

Een deur, een viskom, een tafel en twee stoelen.
Meer rekwisieten stonden er niet op het podium. Meer hoeft ook niet, de toeschouwer vult wel aan. Hij fantaseert zich een woonkamer in een rijhuis met oprit en garage. En een man die net vernomen heeft dat zijn laatste dag nakend is, zijn jonge minnares annex poetsvrouw die kapotgaat van verdriet en een echtgenote die, zoals het placht te gaan, altijd de laatste is die iets in het snuitje heeft.

Toneel is code. Aanname. Die vrouw wist alles al veel langer dan wij, zowel het uitgangspunt als de afloop. Ze heeft dat stuk talloze malen gerepeteerd om toch maar zo goed mogelijk te doen alsof zij nergens van weet. Wij op onze beurt doen alsof we haar geloven. Zo spelen wij het spel mee. Bovendien betalen wij daar zelfs nog entreegeld voor, het zou hier zomaar om een plan van Donald Trump kunnen gaan.  Elkeen acteerde naar best vermogen. De acteurs gebaarden, fluisterden, verbeeldden het echte leven. Tweehonderd liefhebbers lieten zich gewillig op sleeptouw nemen, lachten wanneer het werd verwacht en slikten als het nodig was een krop weg. In hun bokaal zwommen de vissen lijdzaam rondjes. Zij werkten op me in als een koude Duvel op een zomerdag. Telkens weer moest ik naar ze kijken.

Dit doet de vis: hij zwemt.
Je weet niet waar hij aan denkt. Zijn mimiek blijft stoïcijns, geen enkele emotie op zijn wezen. Hij deelt vreugde noch verdriet, niet met jou en voor zover je dat kan beoordelen ook niet met zijn soortgenoten. Je zag niet opeens twee vissen gezellig met elkaar keuvelen over dagdagelijkse vissenbesognes. Tekst voor het stuk hadden ze ook niet. Ze stonden nooit prominent op het kruisje centraal vooraan op het podium. De hoofdrol was niet voor hen geschreven.
Zij zwommen. Van links naar rechts, van voren naar achteren. En weer terug. Zonder regieaanwijzing, er heerste absolute willekeur in het water. Geen verkeerslichten of wegwijzers. Eentje zwenkte onverhoeds naar links waardoor een ander bruusk in de remmen moest. En toch, geen vin verroerde, nooit verhief er eentje zijn stem, tot slaande ruzie leidde het niet. Ook in de zaal dacht niemand eraan de ordediensten te alarmeren.
Een vis tikte stomweg tegen het glas, als een roodborstje uit een liedje. Als om te bewijzen dat hij wel degelijk een goudvis was, tuitte hij daarbij de lippen, als bij een kus. Eat that, readbreast!

De symboliek was me vanzelfsprekend niet ontgaan.
Ik kan dat wel hebben, een heldere, duidelijke metafoor. Liever leesbare dan onontwarbare puzzelpoëzie. Drie vissen in hun bokaal die geen kant op kunnen, dat waren natuurlijk die drie personages, muurvast gebetonneerd in hun eigen levens, woorden, gedachten en gevoelens. Zo wil een van hen naar Kaapstad emigreren. Een nieuw leven, een tweede kans, wie kent het verlangen niet? Dat gebeurt natuurlijk niet. Een ander gaat gewoon dood, de ultieme vlucht vooruit.
Zoals gezegd, toneel is code. Op het einde wipte de man als Lazarus van zijn sterfbed en nam hij buigend een verdiend applaus in ontvangst. Sterven loont, op een of andere manier.

De volgende ochtend stootte ik in de krant toevallig op een merkwaardig weetje. “Nijlpaard zwemt in eigen (en andermans) darmflora”. Daar had ik nog nooit bij stilgestaan. Nijlpaarden stappen niet uit het water om zich achter een struik op de hurken te zetten en zich te ontlasten. Zich schoonvegen met een Kleenexdoekje, dat doen nijlpaarden niet. Bij een pandemie geen nijlpaardenstormloop om toiletpapier. Beetje modale hippopotamus laat het lopen waar hij staat. Daardoor leeft in het water dezelfde bacteriegemeenschap als in de darmen van de dikhuidige, “een soort meta-microbioom dat de eigenschappen van het water in hun voordeel verandert.”
Zo doet natuurlijk ook de vis, bedacht ik. Die stapt er ook niet zomaar even uit de bokaal voor ontlasting, seks of andere dingen waarvoor wij aparte kamers hebben ontworpen. Zijn gehele doen en laten speelt zich af in dezelfde omgeving. Supergezond zwemt hij zich een weg naar het applaus aan het eind.

En wij?
Wij hadden gezondheidspas en identiteitskaart getoond en hielden onze mondmaskers op, een tikje moeizaam ademend, de keel droog, de bril bewasemd. Onmiddellijk na de voorstelling een korte passage naar het toilet.
Misschien spiegelen we ons beter aan het voorbeeld van het nijlpaard en de goudvis. Alles gewoon laten lopen waar we bijstaan en dan samen verder ploeteren in onze collectieve shit.

De dame en het brood

Dus ik moest naar Colruyt.
Ik dacht slim te zijn. Pal op het middaguur draaide ik de parking op, tussen twaalf en één eet immers iedereen. Weinig volk, snel klaar. Hoe moeilijk kan het zijn?
Ik was niet de enige die dacht het scherpste mes in de lade te zijn. Lange rijen aan de kassa. Murphy is overal. Hij plaatst winkelwagens van onbekenden precies voor de wijn die ik zoek. Of, als hij werkelijk provoceren wil, een onwrikbaar palet goedkope witte uit Chili of Zuid-Afrika.

Aan de bakkerijafdeling worstelde een oudje met de broodsnijmachine. Een vrouwtje zo klein, frêle en breekbaar dat ik er haast week van werd. Als het virus haar aantikt, is ze weg, dacht ik. Ze was vast ooit groter en pronter geweest maar de tijd had haar alle weelderigheid en charme ontstolen. Wat overbleef was een voorafname van het stof en as waar ze weldra naar zou wederkeren.
Het besje morrelde met de broodschuif. Het scheen niet goed te lukken. Ze sloeg haar waterige puppyogen naar me op. Ik meende haar onderlip te zien trillen.
Woorden wekken, voorbeelden strekken.
Ik legde een rond boerenwit in de tweede snijmachine, griste boven haar hoofd papieren zak nummer D uit een vak en stopte het gesneden brood er vlotjes in. Handig ben ik niet, maar brood bergen in een speciaal daarvoor ontworpen papieren zak, dat kan ik.

‘Mijnheer,’ kraste ze. Ik bukte me naar haar toe, alleen al het spreken vergde zichtbaar van haar krachten. ‘Hier staat: vergeet niet uw etiket te kleven.’
Fuck, dacht ik, maar dat zei ik niet. Fuck zeggen tegen onbekende dames, ongeacht hun leeftijd, is middeleeuws en barbaars en geheel uit de tijd.
Ik begreep haar probleem. Technologie maakt het leven van de ouderling niet eenvoudiger. Al helemaal niet als bedoelde etiketten zich op basketspelershoogte bevinden. Zelfs al mocht ze nog sterk genoeg zijn om haar arm boven haar hoofd te tillen, ze zou nooit hoog genoeg kunnen reiken. En de tijd van huppelen en springen lag duidelijk minstens een halve eeuw achter haar.
Ooit zwoer ik nog bij de waarden van de jeugdbeweging. Je naaste liefhebben, het goede doen, oude mensen de straat helpen oversteken, u kent dat. Dus vroeg ik welk brood ze precies had gekocht. Dat wist ze niet meer zeker, haar bevende vinger wees naar het goedkoopste. Ik drukte een etiket af en kleefde het op haar broodzak.
Mijn goede daad van de dag.

Aan het einde van de rayon botste ik bijna pardoes op het winkelwagentje van een vrouw die net de hoek om draaide. Onnozel als altijd, deed ik alsof ik door het bruuske remmen dubbel plooide over de handgreep van mijn eigen kar. Jaja, met mij kan je lachen, ik ben me er eentje.
‘Oeps, spannend,’ zei ik.
‘Spannend? Zeker spannend. Die pijlen op de grond wijzen pertang wel in welke richting je moet gaan,’ reageerde ze bits. Nog voldaan over mijn goede daad, wilde ik mijn luim geenszins laten bederven. Niet iedereen staat even vrolijk in dit bestaan, ik begrijp dat. Bovendien had ze gelijk.
‘Voor u ook een goede middag,’ zei ik en vervolgde mijn weg.

Een lange rij aan de kassa.
In het midden was ruimte maar de man voor mij blokkeerde het pad. Geduldig wachtte ik dus mijn beurt af, iets anders zat er niet op.
Een winkelkar stootte in mijn zij.
‘Excuseer, …’ probeerde ik. Nog voor ik me had omgedraaid, een tweede por, doortastender nu. Ik begon me te voelen als die kegel aan het einde van de bowlingbaan. In mijn hoofd zag ik een scène passeren uit een slechte Amerikaanse film, over een razende SUV die een hulpeloze cabrio het ravijn in bulldozert.
Inmiddels werd ook de man voor mij opzij gekegeld.
Eerst zag ik het brood, dan de met levervlekken bedekte handen, dan de kruin. Alles precies zoals bij de broodmachine. Het vrouwtje keek op noch om, banjerde onverstoord door de wachtrij heen. Die spleet uit elkaar zoals de zee voor Mozes en zijn volgelingen. Ik geloofde mijn ogen niet. Iedereen zette voor dit verschrompelde oudje spontaan een stap opzij. Als gehypnotiseerd voor zich uitkijkend kraste ze: ‘Jullie denken toch niet dat ik hier ga blijven staan zeker?’ Het klonk als een opgejaagde kraai in het wild.
Sprakeloos keek ik toe. Steeds verder schoof ze van me weg naar de lege ruimte in het midden. Het was overdreven boertig en onbeschaamd en onweerstaanbaar grappig tegelijk. De mensen keken nors en morden tegen elkaar, maar tegen haar zei niemand wat.
Een Colruytmeisje laadde de inhoud van haar karretje in een grote tas. Ze wenkte een sterke collega die de tas oppakte en het oudje naar de uitgang begeleidde.
‘Godverdomme,’ dacht ik, ‘jij gemeen serpent.’
Ik ben zo goed als zeker dat ze ook haar brood te weinig heeft betaald.