Een goede leerling

Voor M., D. en de anderen

Dag Matthijs*

Het spijt me. Het spijt mij, en mij niet alleen, meer dan jij je kan voorstellen. Kon je dat wel, dan was je misschien nog hier. Wie weet, misschien had je anders gekozen. Je had andere dingen aan je hoofd.

Ik herinner me je nog. Je volgde elektriciteit, in het beroeps. Je praatte niet veel, durfde dat niet goed. Een rustige jongen, geen kolkende rivier, een stil water. Je werkte hard en onopvallend, je deed je best. Daar houden wij van, in scholen. Je was wat wij noemen een goede leerling

Een goede leerling zijn, is gevaarlijk. De leerkracht kijkt je voorbij, naar de achterste rij waar het kabaal vandaan komt. Op de klassenraad krijg je dertig seconden: “Alles ok, goede gast, heb je nooit last mee. Volgende.”
Ooit gaf ik mijn klas opdracht een filmrecensie te schrijven. Daarin mochten de woorden ‘goed’ of ‘slecht’ niet worden gebruikt. Dat zijn passe-partoutwoorden. Ze zeggen niets, vervlakken.
“Hoe gaat het?” “Bwah, goed.” Dat vinden we niet interessant. Je bent zo uitgepraat. “Goed? Ha, tof! Fijne dag nog.”
Boeiender is: “Het gaat niet best. Mijn vrouw wordt morgen een borst weggenomen.” Bàm! Spotlights. Aandacht!  Wie het goed lijkt te gaan, zien we over het hoofd. Goed is saai. Heeft de wereld je over het hoofd gezien, Matthijs?

Een leerling is binnen het mensdom een aparte soort. Het is een rol, zoals politicus, gitarist of advocaat. Alleen maar dat. Een leerling leeft volgens regeltjes (dat hebben we samen zo afgesproken), leert lessen, maakt taken, haalt punten. Het kind dat leerling wordt, houdt tijdelijk op kind te zijn. Een leerling buigt voor het gezag, protesteert niet en houdt gevoelens binnen.
Of anders!
Op een dag meldde een ontredderde moeder dat haar zoon een week afwezig zou blijven. Voorbije  nacht had hij geprobeerd dit leven te verlaten. “Die zijn schooljaar is mislukt,” zei de klasleraar, zijn stem hard en koud als het metaal dat hij bewerkte, “die kan zijn attest vergeten.” De leerling gebuisd.

Helaas, er zijn er nog geweest. Ik herinner me Jeroen, een vijfdejaars. Jeroen praatte wél graag. En veel te veel. Tot we hem niet meer hoorden. Hadden we misschien ook hier geen oor genoeg? Jeroen is altijd negatief, zegden wij tegen elkaar, gezeten bij een kop koffie, prikkend in een dieetje van gesneden avocado’s, veldsla en walnoten. We plukten voor dessert nog een stuk fruit uit de mand die iemand voor zijn verjaardag had meegenomen. Eigen oogst, een knoert van een venkel erbovenop. Jeroen verdwaalde op een dag in radeloze ontevredenheid op de sporen en sukkelde onder een trein die niet te laat wou zijn. Slechts weinigen geloofden in een ongeluk, al dat malcontente, je kon het bijna zien aankomen, hoorde je achteraf. Dan wel.
Een andere jongen, twaalf, liet in zijn klas een lege stoel achter. Waarvan droomt een kind van twaalf? Waarvoor is het bang?

Ooit, ik was nog blond, adoniaal en veelbelovend, vond men een collega thuis, boven een omgetrapte stoel, de nek gebroken. Erbij een verwijtbrief aan de wereld. De man wou expliciet geen bloemen of kransen van zijn werk. Iemand vond dat nefast voor onze reputatie. Ze bezorgde een krans in naam van alle collega’s. Ook de laatste wens werd niet gehoord.
Jaren later, weer een ander, een vijftiger. Een liefdesgeschiedenis, schijnt.

In deze regio van melk en honing proberen elke dag achtentwintig mensen zich het leven te benemen. Drie daarvan lukken. Tussen Duvel en Trappist weten amateurpsychologen hoe dat komt. “Ze zoeken aandacht.” Dat daarin een tekort verscholen zit, zeggen ze er niet bij. Wie zoekt, vindt vaak ook niet.
Volgende rondje: “Mensen kunnen nergens meer tegen, moeten harder zijn. Er wordt te veel gepamperd. What doesn’t kill you makes you stronger.” Die prietpraat.
Niet worden gezien, gehoord, gerespecteerd, gewaardeerd. Geen geloof in jezelf, geen rust in je hoofd. Niet iedereen vindt een antwoord. Sterven vanbinnen maar blijven lachen als de clown.

Het klimaat beweert iets anders, maar er is te weinig warmte in dit land. Het is te koud, te hard en cynisch. Men verdraagt te weinig, praat over een ander als over een iets. Er wordt naar hartenlust verweten, beledigd en gescholden. Hoe meer lawaai, hoe minder men luistert. De blik keert naar binnen, te weinig naar elkaar. Zeg mij zonder opkijken: welke kleur hebben de ogen van je vrouw?
We moeten lief zijn voor de dieren, dat wel, maar voor elkaar?
Drie doden, elke dag.

Het spijt me, Matthijs.

* De namen zijn fictief.

Ziek

Nog altijd voel ik me slecht. Het begon dinsdag en werd alleen maar minder. Woensdag en donderdag, sorry, maar dat was kots en platte kak. Mijn maag jojode twee dagen tussen keel en darmen. Niks verkeerd gegeten of zo, geen griep. Het is die wereld.

Zondag. De wolken stopten met huilen. Achter ons viel de deur in het slot. Een lauwe noordenwind blies richting hoofdstad. De dag droeg belofte in zich. Vijftienduizend, hoopten we. We maakten afspraken: blijf samen, houd elkaar in het oog, je telefoon bij de hand. Raak je de ander kwijt, loop door tot het eindpunt. Niet schrikken van luide knallen. Wegblijven van relletjes, je weet maar nooit. Ga ervoor.

We marcheerden voor de planeet, die lijkt overstuur. Teveel van alles: plastiek, gif, stoffen, mensen. Moeder Aarde is moe, leeggeschraapt, uitgemolken, van haar rijkdommen beroofd. De mens als hyena, likt aan dikke druppels bloed, vreet het karkas kaal en vervolgt zijn weg naar niets.
De tocht was een feest. Jong, oud, zwart en wit en bruin. Er werd gedanst, geschreeuwd en gezongen, goedlachs, hoopvol. Gescheurde lakens, kartonnen borden, lappen karton: ‘May the forest be with you’. ‘Het klimaat wacht niet’, ‘Was het klimaat een bank, het was al gered’, ‘Change the system, not the climate’. Het bleef droog, ook het weer was goedgezind.

Maandag zat ik nog lekker strak in het velletje. Een partijvoorzitster kwekte: een dikke duim voor al die positieve mensen! Vijf-en-zeventig-duizend! We pikken dit signaal op en nemen het mee.
Dinsdag toch al lichte hoofdpijn en een zure maag. België stemde tegen een Europese richtlijn om energie te besparen. Frontaal op vijfenzeventigduizend bakkesen.
Ik heb weinig talent voor woede. Woede wordt treurigheid, las ik ergens. Allemaal herbergen we in de ladenkast van ons gemoed een schuif vol boosheid. Soms breekt het slot. Lig je op je luie kont met een lekker boek in de zon, steekt je de wesp. Woede. En protesterende darmen.

Zoals vaker wees de politiek ons de andere kant op. We staarden naar de eigen navel. Het was woensdag, mijn ingewanden namen het over, misselijkheid zette onstuitbaar op. Mijn geloof in de wereld gebruikte elke opening om mijn lichaam te verlaten.
Ik zag in mijn leven veel mooi maar ook vaak slecht theater. Ik stond al vuilbekkend tussen het plebs toen William Shakespeare nog leerde hoe je Hamlet kalligrafeerde met een ganzenveer. Maar deze burleske, als van Ionesco, had ik nog niet gezien:

  • “Ik doe niet mee.”
  • “Hoe? Je ging toch meedoen?”
  • “Nu niet meer. Ik wil niet meer.”
  • “Als je niet wilt meedoen, ga dan weg.”
  • “Ik ga niet weg. Ik wil dat jullie iets anders doen.”
  • “We doen het toch. Ga weg.”
  • “Jullie zijn allemaal tegen mij. Jullie willen mij niet. Jullie pesten mij.”
  • “Al wat je zegt ben je zelf, met je broek in de helft.”

Daar betalen wij belastingen voor.

Ik dacht te gaan Facebooken of Spider Solitairen, toen de prentjes van het Nieuw Vlaams Belang mijn scherm vervuilden. Mijn maag gooide er alles uit, het toetsenbord kan naar het stort, de Poolse poetsvrouw is razend. Oeps, het was zo niet bedoeld, wij zijn zo niet, sorry! Slecht stuk, slecht gespeeld. Incasseer uw vette oprotpremie en ga heen in schaamte.

De schijnvoorstelling leidde af van de inhoud, we staarden ons blind aan de lichtbak. Waarover het écht moest gaan, geen woord.
Oorlog, klimaat, overbevolking, hongersnood zwepen mensen zoals u en ik voor zich uit. Mensen met  kinderen, verlangens en honger zoeken een beter leven, een leven tout court. Dat is een recht.
“Oei,” zegt men ons, “Kijk daarmee uit. Sommigen denken dat mensenrechten er zijn voor iedereen. Zij dwalen. Dat is niet zo. Dat gaat ten koste van onze rijkdom. Wíj zijn hier de slachtoffers.” Mensenrechten voor mij en voor mijn hond, en voor de premier, al heeft die… u weet wel.
Staat je kribbe in Timboektoe, Jemen, Eritrea of Sint Job in ‘t Goor, sorry, pech gehad.

“En hey? Hey! Gaan we misschien de rechter laten oordelen of wij de wet goed toepassen of niet? Slecht idee man! Waar gaat dat naartoe, denk je? Wíj maken de wetten. Harde aanpak, meer blauw, camera en vingerafdruk, uitstekend! Controleer iedereen maar ons niet. Dat doen we zelf wel.”
Waar de politiek ook rechtbank speelt, ontkiemt dictatuur. Op Instagram joelt het volk, het weet van weinig, laat zich gewillig bedriegen.

Kerstmis nadert. Voor het raam zwaait een meisje met zwavelstokjes. Van aan de dis zien we wazig lichtjes flikkeren. We houden de deur toe.

Doodziek word ik daarvan.

Blind date

Ik heb me een beetje laten kennen, vrees ik. Dat kwam zo. Via de vzw ‘Creatief Schrijven’ kon je tijdens de boekenbeurs blind daten met mensen uit de literaire wereld. Je hoefde alleen maar de beste tekst die je ooit had bedacht, in te zenden. Men zou er tien selecteren en de auteurs op zondag uitnodigen voor een VIP-ontvangst annex intakegesprek met mensen die van De Letteren weten. Klinkt alsof er Erik dwars overheen geschreven staat, toch?

Ik raadpleegde mijn fans. Beiden repliceerden zonder weifel: Doen! Sterker: we verkozen uit dat schier oneindige aanbod heerlijks dezelfde tekst: een tribuut aan een overleden vriend. Dat was postuum nog een mooi cadeau voor hem ook, vond ik. In mijn agenda noteerde ik: zondag 11.11: Boekenbeurs, Blind Date.

Vrijdag zou men wat laten weten. Eerlijk, maar echt, 9 november was de stilste vrijdag óóit: nul whatsapp, nul sms, nul mail, nul alles. Niks. Niemand! Ongeloof, Verbijstering en ik gingen samen voor de spiegel staan: gar nichts begrepen wij davon! Dus zo voelde zich de koningin toen ze vernam dat Sneeuwwitje nog leefde.

Op zondag dacht ik: laat ik toch maar gaan naar die bizarre winkel waar je inkom betaalt om dingen te kunnen kopen die je elders voor minder geld kan vinden.
Een onzichtbare hand dwong me naar stand 114, ‘Creatief Schrijven’. Daar zaten ze, de uitverkorenen. Tien! Tien betere scribenten. Kan je het geloven? Een glas Veuve Clicquot voor de neus. Schalen met lekkers zeilden voorbij. Van achter mijn doorgeschoten bamboeplant kon ik het allemaal niet zo best zien, maar ik meende oesters, kaviaar, garnalen en misschien een speenvarkentje te herkennen.

Principieel doe ik niet aan wedstrijden. Ik schrijf stukjes voor mijn persoonlijk amusement. Een vorm van intellectuele zelfbevlekking, zo u wil. De laatste wedstrijd waar ik aan deelnam was op een Gedichtendag. Ik won, met een liefdesgedicht. De concurrenten waren leerlingen, de jury collega’s. Als je het zo bekijkt heeft het wel wat van matchfixing.
Tien bétere teksten, hoe was dat in godsnaam mogelijk? Hadden die lui wel alles gelezen?
Waar was ik ook mee bezig? Waar kwam die zucht vandaan om niet alleen gelezen maar ook nog geprézen te willen worden? Vanity, thy name is toch woman? Vuur smeulde vanbinnen, vonken vatten vlam. Ik werd een oude schuur in brand. Passie laaide! Ik wilde meer! Ik moést beter! Volgend jaar zit jij daar, rijmde mijn hoofd.

Een draaikolkende kop en overal kunnen pinnen is een nefaste cocktail voor je bankrekening. Ik raadpleegde het nog-te-kopen-lijstje op mijn telefoon, toen ik spotlicht zag blinken op een knikkend haarloos hoofd. Marnix Peeters. ‘Ik heb aids van Johnny Diamond’ stond ook op de lijst. Die laat ik signeren, dacht ik, dan kan ie mooi naast mijn – of zijn – ‘Natte dozen’ en ‘Kijk niet zo, konijntje’.

Beschroomd schuifelde ik met mijn boek richting schrijver. “Kom erbij,” wenkte hij, “we zijn net in gesprek over politiek correcte taal.” Voor hem stond een man die tot drie keer toe herhaalde dat hij geen racist was. De auteur diepte enkele anekdotes op ter illustratie dat De slinger der Correctheid volgens hem wel wat ver was doorgeslagen. We raakten het erover eens dat een maatschappelijk debat daarover zowel links als rechts geen kwaad kon. Uit de botsing der gedachten ontstond wederom licht.

“Erik, met c of k?” vroeg hij. “Doe vandaag maar met k,” antwoordde ik. De schrijver keek verrast. “Ik weet het zelf ook niet altijd,” zei ik, zonder verdere toelichting, “en ik ben fan van uw columns in de krant,” gaf ik naar waarheid mee. Dat deed zichtbaar plezier. “Dit is trouwens mijn vrouw,” stelde hij de elegante dame voor die een biertje kwam aandragen. Ik voelde me vereerd: mijn hand in de Hand van de Vrouw die Zegt in de Columns van Marnix Peeters!
“Ze weet vooraf nooit wat er zal verschijnen,” vertelde hij.
“Altijd spannend,” vulde zij aan, “Dan word ik op zaterdag wakker en denk: het is stukjesdag vandaag.”
“En we hebben daar in drie jaar vrijwel nooit een meningsverschil over gehad,” meldde hij fier. We keuvelden nog wat amicaal verder over hoe je vanuit de Oostkantons kijkt naar het gedoe ter stede, terwijl de auteur in zijn en mijn boek kalligrafeerde: ‘Voor Erik! Maar wie heeft er nu aids van Johnny? Veel liefs, Marnix’.

Bedankt, mijnheer en mevrouw Peeters, voor deze fijne date. En tot volgend jaar!

Ik kom terug. Met c of k.

Te veel liefde

Te veel liefde leidt tot oorlog’. Dat stond er.

“Te veel liefde leidt tot overbevolking, ja” Anna Lyste, opiniërend hoofdredacteur bij De Schrijverij, grapt nooit tijdens een redactioneel overleg. Ook niet daarbuiten, zij is een vrouw zonder humor. Zo zijn er ook.
Voor ons lag een interview met Eric Zemmour, volgens de reporter een Franse intellectueel. “We zijn te week geworden, te veel behept met mensenrechten.” poneerde hij.

“Waarom zegt iemand toch zoiets?” vroeg Anna zich hardop af. “Wat is dat toch met al die Trumpuleske brulboeien vandaag? Macho links, macho rechts, iedereen alfaman, is dat het nieuwe correcte denken? En maar zo hard mogelijk toeteren over het eigen grote gelijk. En maar kappen op een ander! Het Verdrag van de Rechten van de Mens kan ook naar het stort, bij gratis sorteren. Ménens of wat? ” Eens op dreef wordt Anna weer het felle jonge meisje dat ze ooit geweest moet zijn.

“Je merkt het wel vaker,” suste ik, “dat wie het zelf op jonge leeftijd niet gemakkelijk had, dikwijls hardere standpunten inneemt. Dat het een soort van compensatiegedrag is.” Mocht er geld zitten in klakkeloos advies door de amateurpsycholoog, ik kon skiresorts bouwen in Qatar. Of ik kocht Beerschot.

“Liefde is… alles, toch?” Haar stem werd luider, ze begon driftig te zwaaien met haar armen alsof ze uit de lucht de woorden kon plukken die ze nodig had. “Welke onzin je toch de hele tijd hoort!”
Op een of andere manier richtte haar kwaadheid zich op mij, een onveilige situatie.
Niet helemaal eerlijk ook, ik ben helemaal geen Franse intellectueel. Integendeel, ik was ooit zelfs schoolmeester. Toen hoorde ik ook de hele tijd: je mag niet te lief zijn, niet te veel pamperen. Je moet hard zijn. Streng straffen. Een voorbeeld stellen. Dat begreep ik toen ook al niet. Ja-a, dacht ik dan, er zijn landen waar ze overspelige vrouwen stenigen. Strenger en harder en gruwelijker kan ík het niet bedenken. Doodt die steen ook de verliefdheid? Of vinden geliefden slimmere wegen om elkaar te kunnen beminnen?

Anna was nu helemaal los. “Dat is allemaal angst. Al-le-maal angst. De allergrootste schreeuwers zijn dikwijls het bangst. Maar als er ooit iets gebeurt, dan moet het zo wezen. Wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen.”
Bidoewap, Bidoewap… zong het in mijn hoofd. Ik kende dat liedje nog.

“Allemaal wel waar, Anna,” probeerde ik, “maar die mijnheer heeft wél doorgeleerd. Die ziet dingen die wij niet zien. Verbanden, het grotere geheel…”
“Fuck off, jij!” riep ze. Eigenlijk ben ik in de hiërarchie haar meerdere maar Anna komt soms behoorlijk uit de hoek.
“Doorgeleerd? Misschien. Maar door-ge-lééfd? Filosoferen op je dikke kont in je Vintage Design Chesterfield, dat kan ik ook. Ik kan ook oneliners verzinnen over vluchtelingen of migranten of hongerlijders of whatever. Hoe het allemaal hun eigen schuld is. Dat ze het allemaal zelf moeten oplossen. Ze moeten dit, ze moeten dat … dat is toch vooral een manier om te zeggen dat jij zelf geen poot hoeft uit te steken. Jij bent nergens verantwoordelijk voor.”

Als ze gaat, gáát ze: “Intellectuelen, bah! Eentje roept iets, andere intellectuelen palaveren daarover, intellectuele journalisten schrijven daar intellectuele reportages over. Half-intellectuelen lezen dat enzovoort.” Ze raakte een zenuw: zo komen zulke interviews op de redactietafel van De Schrijverij.

Ze nam haar jas. Blijkbaar was onze vergadering voorbij.

“Luister,” zei ze, merkwaardig zacht ineens. “ik ben geen intellectueel. Ik ben een nuchter mens. Geloof mij: Liefde. Kan. Er. Nooit. Genoeg. Zijn. Nooit!” Ze priemde haar vinger tegen mijn borst, haar stem bijna dreigend. “Voor alles en iedereen, hoor je, schrijvertje?

Voor alles en iedereen…
Voor het een én het ander.
Voor jou en voor mij.
Voor jouw gelijk en voor het andere gelijk. Liefde,
voor de bloem en de belt waar ze op bloeit,
voor de dag en voor de nacht en voor de zomer Liefde
en de winter,
voor de waarheid én de leugen voor
het wit en voor het zwart
voor de groei en het verval,
voor het komen en het gaan.

Voor het leven. En de dood.

Liefde voor…VERDOMME!”

“Anna…,” lispelde ik, en gaf haar mijn zakdoek, “kom maar. Ik weet een fijn nieuw caféetje in de stad.”

Liefde voor jou, dacht ik. Maar dat zei ik niet. Ik ben een schrijvertje.

Een klein Gallisch dorpje

Vliegende pluisjes

Queen B. heeft meer volgers op Instagram dan ik maar mijn aanhang focust begrijpelijkerwijs veel meer op inhoud. Op voorleesavonden pols ik al eens naar wat er leeft onder mensen die zelf hun boterhammen moeten smeren en ’s avonds de afwas doen.

“Soms vind ik het wel mooi, maar tegelijk word ik er ook altijd zo triest van. Waarom schrijf je niet eens een keer iets vrolijks?” vroeg me gisterenavond iemand in zaal De Vrede in Berchem. Een man van ongeveer veertig, een lookalike van Charles Michel. Ik dacht nog even aan een culinair kwatrijn dat ik wel grappig vond, maar het konijn moest daarvoor in stukken gehakt en nu we worden overspoeld door een Vegetarische Golf, liet ik dat maar zo.
Op het grote scherm achter me projecteerde ik wat beelden uit het nieuws van de voorbije week.

We zijn het alweer bijna vergeten maar onlangs stonden we in lange rijen aan te schuiven om nieuwe bestuurders te kiezen voor onze gemeentes, lijdzaam als communisten bij de slager. Her en der wil het maar niet lukken om een bestuur bijeen te scharrelen. Men breekt woorden, wet messen en plant die in ruggen. Verraad en gekonkel zijn de ordewoorden van de dag.
Elders schrikt men van het beschavingsniveau van de medemens. Men vergeet dat het volk de leiders krijgt die het verdient. Voor misselijkmakende memes over zwarte kinderen geeft de kiezer je de sjerp. De bestuurders van het land halen naar gewoonte de schouders op. Die dingen gebeuren.
Van ons wil men graag de vingerafdruk. Zo gaat dit land om met haar burgers. Stem op mij, vertrouw mij, al vertrouw ik u niet. Geef mij uw vinger en ik neem uw hand. De klepel der Veiligheid hamert zwaar tegen de kelk van de klok.
Op de antiekmarkt in Tongeren verkoopt men nazikerstballen.

De gezagsdragers van de allerrijkste landen dineren met Arabische prinsen die journalisten in stukken laten snijden. Wie bedenkt die dingen zelfs? Ons land zal reageren met een krachtig signaal. Misschien. We overwegen om aan dat barbaarse regime geen wapens meer te verkopen. Nèh! Dat zal ze leren! Helden zijn wij.
In Donalds Own Country krijgen opposanten een pijpbom in de bus. Een pijp-bom. #Metoo verbiedt me te onthullen welke connotaties dát woord oproept. Maar u begrijpt mij, great minds think alike. Donald zelf weet van niets, ik geloof hem. Het is de rode draad in zijn beleid.

In het voetbal verkoopt men wedstrijden en circuleert zwart geld. Die hadden we niet zien komen. Ik wil het niet weten. Ik ben altijd al de laatste die ergens van weet, iedereen wist blijkbaar alles al. Alleen niet waar het stopt. Hoe ver vraten de wormen zich in de appel? Een journalist stelde het zo: “Welke club zal de eerste zijn om een ethische code te hanteren? Wanneer wordt iemand een Gallisch dorpje tussen de Romeinen?” Voetbalethiek, een grapje op de scheurkalender. Maar wel mooi gezegd, daar was ik dan weer een beetje jaloers op.

Geschuifel van stoelen, geroezemoes, Charles Michel leek niet tevreden. Deze beelden boden niet onmiddellijk de verhoopte vrolijkheid.

“Kijk,” zei ik. Ik toonde een beeld.
“Kijk, en volg aandachtig. Het pluisje van de paardenbloem maakt zich los van de stengel en begint een lange reis. Een vlucht van misschien wel achthonderd kilometer, dat is van hier tot Berlijn. Dat is een wonder. Dat doet het allemaal op eigen kracht, in een soort luchtbel die zich laat drijven op de wind. Het brengt zaadjes naar hun bestemming. Zie hoe het dartelt als een fee, hoe het gewichtloos en bijna doorzichtig danst op een hemelsblauwe vloer. Rust even mee op een distel, geniet van de warmte van de zon, het is lente of misschien hoogzomer. Van hoog genoeg, dat hoeft niet hóóg te zijn, zien we kinderen spelen met water, geliefden elkaar beminnen in het gras, oude mannen petanquen of nippen aan een schnaps. We zien mensen lachen.
Wij, Pluizen, zijn doof voor het gebrul van drilboren, motoren, grasmaaiers of bladblazers. Hier maken we ons ongenaakbaar voor wantoestanden en tekorten uit de wereld van de mensen. Op onze vlucht geen achterbaks gekonkel, geen pijpbommen, geen chocomousse.
We zijn hier vrij, hebben niets nodig. Geen mensen. Geen dingen. Er is alleen de symfonie van de wiegende wind om op te zweven. De schoonheid van het bestaan.”

“Maar,” zei de veertiger, “het is herfst, bijna winter. Er zijn helemaal geen paardenbloempluisjes. En wij kunnen toch zélf ook nooit paardenbloempluisjes worden!”

“In míjn Gallisch dorpje wel,” zei ik.

Een ABC

De hoogmis van de democratie is weer gevierd, tijd voor een borrel. Wat blijft bij van deze gemeenteraadsverkiezingen? We ontkurkten samen met Anna Lyste, opiniërend hoofdredactrice bij De Schrijverij, en pittig flesje Peper Wodka en vroegen haar spontaan te associëren bij enkele min of meer klakkeloos geïmproviseerde woordjes.

Beeld van de dag:

“Van Quickenborne. Ongetwijfeld. Hij wou jong en swingend lijken en hopte en botste als een springbal. “Dit is Kortrijk, dit is Kortrijk!” schreeuwde hij. Ik mag hopen voor Kortrijk van niet. Dat was geen gezicht”

Blauw

“Thé Lau draait zich om in zijn graf. Bart Tommelein had het niet begrepen. Het nummer gaat over een man die op een dronken nacht tot inzicht komt en bont en beurs op zijn sokken terugsloft naar zijn madame. Misschien toch profetische woorden.”

Clichés

“de winnaars: De kiezer heeft gesproken/altijd gelijk/een signaal gegeven. Ik dank onze kiezers voor het vertrouwen.
de verliezers: Het is niet verstandig om nu al uitspraken te doen. We gaan de uitslag analyseren/ons beraden/het signaal van de kiezer oppikken. De anderen zijn aan zet. Op andere plekken hebben we gewonnen.”

Drama Queen

“Accurater is: ‘Drama King’. De drama queen is meestal een man, getuige dit fragment uit een debat bij Ivan:

  • Bart: Ik heb heel wat slagen onder de gordel moeten incasseren.
  • John: Gij moet zwijgen over slagen onder de gordel, gij.
  • Wouter: In onze partij vinden wij slaan onder de gordel een slag onder de gordel.
  • Tom: Zeg Ivan, en ik? Ik mag nooit eens onder een gordel slaan.”

Emomoment

“Jinnih Beels had op meer gehoopt. Speechte zonder fiches en uit het hart en daar kwamen zelfs traantjes bij. Zo schoon!”

Grap (beste)

“Achter de rug van de journalist die zich voor je huis afvraagt of je er bent, zwaaien naar de camera. Hilarisch!”

Grap (foutste)

“Jullie zijn mijn schild én mijn vrienden.” Toevallige oneliners zijn fictie in de politiek, elk woord is gewikt en gewogen. Het kwade bagatelliseren met een grap is slim maar niet onschuldig. Doe maar jongens, de beuk erin, vooruit maar lui, zet hem op!”

Gebaar

“Eendrachtig de rechterarm strekken en wijs- en middenvinger spreiden in een V-teken. De Kracht van de Verpakking. En het werkt.”

Megafoon

“Kerstcadeau voor Matthias De Clerq. Jezelf op verkiezingsavond tot burgemeester benoemen is het ideale recept om iedereen tegen je te krijgen. Dat leek heel erg op solliciteren voor een baan die je absoluut niet wilt.”

Muppets

“Twee reuzen uit de journalistiek elke avond bij Ivan aan tafel, spijtig genoeg niet op een balkonnetje. Dat had een hoog Waldorf en Statler-gehalte en het mag gezegd: Ivan vertolkte een uitstekende Kermit.”

Onze Mensen

“Annelies Beck vroeg aan Filip Dewinter: U migreerde van Brugge naar Antwerpen. Wanneer mag iemand zich ‘Antwerpenaar’ noemen?
“Mevrouw, ik spreek met een Antwerps accent en ken na 38 jaar alle straatnamen, ik geloof wel dat ik flink ingeburgerd ben.”

Praktijktoets: Anna Lyste, politiek hoofdredactrice De Schrijverij

PLUS MIN
Heeft duidelijk hoorbaar Antwerps accent.

Woont in een randgemeente

 

 

Geboren in Limburg.

Kan noch van haar gemeente, noch van de stad alle straatnamen noemen.

Geen fan van Antwerp.

Geen interesse in de Giants

Lievelingslied: “Waar in ’t bronsgroen eikenhout ’t nachtegaaltje zingt”

Citaat: “Antwerpen is niet de mooiste stad van het land, wél de grootste parking. Alles staat er altijd stil, behalve de bouw.” (sic)

 

Slogan

Leven van liefde en Jinnih”, nu al de winnaar van mei 2019.”

Verhuis

“De ene verhuis is de andere niet.

  • Kris Peeters, van Puurs naar Antwerpen: een absolute no go.
  • Zuhal Demir, van Antwerpen naar Genk: close but no cigar.
  • Tom Van Grieken, van Mortsel naar Schoten: een must do, dé move van het jaar: 3267 voorkeurstemmen, alstublieft! Gastvrij Schoten! Migranten, op naar het Peerdsbos, zou ik zeggen.“

Viswinkel

“Straatjargon voor drugskot op de Turnhoutsebaan. Inwijkelingen denken daar achteloos ingrediënten voor fruits de mer te gaan kopen, maar de schepenen weten héél goed wat men er bedoelt met ‘verse kaviaar’.”

Winnaar

Everyone ’s a winner, baby, that’s the truth. Hot Chocolate heeft altijd gelijk. En het klopt nog ook, behalve voor de sossen natuurlijk.”

Wolf

“De warmste schapenvacht gaat deze keer naar de Verzoener. Na de jaren van Vernedering steekt de verzoener de hand uit. De Kracht van de Verleiding.”

Zorg

“Geen zorg. De toekomst wordt sowieso beter”.

Mevrouw Lyste, bedankt voor deze toelichting. En ook voor de fles.

 

 

Leeg

“Heb jij dat soms ook,” vroeg ze, “dat je vanbinnen helemaal leeg bent? Dat het lijkt of je niks meer kan voelen?”
Ach kind, op mijn leeftijd, dacht ik. Maar ik zweeg. Ik probeer het aantal overbodige antwoorden op één dag tot een minimum te beperken. We zaten aan een kleine ronde tafel in café Robinson, een bruine kroeg aan de Oudevaartplaats met zicht op de Stadsschouwburg. Een oude man en een oude vrouw bedienen er traag de klanten. Aan de muren ingekaderde cartoons uit Gazet van Antwerpen en posters over de Red Star Line. Ze dronk een slokje van haar roséwijn.

“Ik wou bijna mijn telefoon kapot smijten!” zei ze. Die had nochtans niet gezoemd of gerinkeld. Ik begreep haar. De voorstelling zat nog als lijm gekleefd onder onze huid. Niet elke opvoering verdraagt champagne achteraf.
We waren gaan kijken naar ‘Malcolm X’ in het Toneelhuis. Malcolm X was in de jaren zestig een omstreden activist in de burgerrechtenbeweging voor zwarten en niet vies van een portie geweld. Uiteindelijk zou hij op zijn veertigste worden vermoord door medestanders. Een revolutie eet haar kinderen op.

Op het podium wees een vijftiental Afrikaanse mensen met gestrekte vingers naar het publiek. De grootste, kaal, twee meter hoog, twee meter breed en twee meter diep, snauwde ons toe: “Jullie zijn uitschot! Lafaards! Profiteurs! De vorige eeuw plunderde de hoer Europa ons continent en vandaag doet ze dat nog altijd! Jullie koning Leopold II verminkte en vermoordde onze mannen en verkrachtte onze vrouwen. Vandaag zwoegen onze kinderen voor een hongerloon in kobaltmijnen en creperen ze in ellende voor jullie sjieke smartphones! Hun bloed druppelt uit jullie tekstende duimen! Doe maar niet of jullie dat niet weten, Bourla! Jullie weten dat allemaal heel goed!
Dachten jullie nu echt dat vanavond deze zwartjes voor jullie een paar kunstjes zouden komen opvoeren? Vergeet het! Die dagen zijn voorbij! WIJ hebben de micro! Nu zijn WIJ hier de baas! Jullie gaan luisteren naar ONS! SHUT UP! I – SAID  – SHUT – UP!!!
Als een giftig gas vulde een oorverdovende stilte de zaal. De vrouw centraal op het podium gaf ons haar middenvinger.

ZAP! POW! BAM! In our face! Acteurs en actrices schopten ons een geweten en ze hielden zich niet in. Ze raakten daar waar het pijn deed. Een slag in de onderbuik met een moker. Vlijmscherpe messen in je lijf: “Wat is jouw probleem met dit stukje textiel op mijn hoofd? Waar bemoei jij je mee? Wie denk jij wel dat je bent? Waarom vráág je niet aan mij waarom ik mij kleed zoals ik mij kleed?”
Hier huilde de pijn van de besneden vrouw. De schreeuw van de gegeselde, tot in het diepst van zijn ziel vernederde en verhandelde slaaf. Een oerkreet van wanhoop en gebalde woede steeg op uit een vertrapt werelddeel en overspoelde een savanne van fluwelen zetels.
Ook was er muziek. Dat was nodig, want zoals een bokser tussen twee rondes moest je af en toe recupereren: “9/11, New York. 11 maart 2004, Madrid. Londen in 2005. Charlie Hebdo. Stade de France en Bataclan, Parijs. Brussel, 22 maart. Waar komt dat vandaan? ” The chickens come home to roost.
Het ging verbazend goed vooruit. Als bij een kerkdienst in Alabama stond aan het einde iedereen recht, een vuist gebald. Wij, helaas, dansten klunzig als blanken. Voorbij de woede geraakten acteurs en publiek, zwart en wit, Afrika en de hoer, alsnog verenigd. Al geloof ik niet dat onze zonden werden vergeten en vergeven.

“Op jouw leeftijd” antwoordde ik, “hoor je geen leegte te voelen, integendeel. Maar af en toe overkomt het iedereen wel eens, denk ik.” Zij moet nog eenentwintig worden, een jonge vrouw vol dromen over later. Ze durft het beest dat Leven heet nog recht in de ogen te kijken. “Het moeilijkste is de puberteit en die heb ik al gehad”, zei ze sterk. “Helemaal”, knikte ik. Op welk moment in mijn leven veranderde mijn spreken in zwijgen, vroeg ik me af.

Ik probeerde de boel wat te verluchten: “Zondag verkiezingen.”
“Juist,” knikte ze. “Waar gaat het eigenlijk over?”
Toen ik wilde vertellen over circulatieplannen, huurprijzen en een windmolen die eventueel vijftien meter te dicht bij een woonwijk zou worden geplaatst, voelde ik hoe de lijm van Malcolm X mijn lippen aan elkaar klitte.

Ik wenkte de oude vrouw achter de bar. “Voor mij nog een Duvel,” zei ik, “jij nog wat?” “Neen, dank je,” antwoordde het meisje, “ik heb genoeg gehad vanavond, ik zit eigenlijk al vol.”

Eenhoorns

Eenhoorn gedicht

Je ziet het vaak in detectives. Twee rechercheurs aan een tafel. Aan de andere kant de verdachte en een zwijgende advocaat. “Waar was u op dag zus en zo tussen zo laat en zo laat?” Antwoord: “Dat weet ik niet meer, dat is zo lang geleden.” Logisch, vinden wij hier in Huize Happy. Er is zoveel om te vergeten.
Maar ik weet wél nog precies waar ik was op 7 oktober 1977 in de namiddag. Dat was een vrijdag. U bestond misschien nog niet. Ik dus wel. Ik herinner me nog het koude buislamplicht, de tafels geschikt als een u, de donderstem en barse blik van mijnheer De Graef. Die les veranderde mijn leven. Enfin, nuance, heeft iets gedáán. Het ging over ‘Eenhoorn’, een gedicht van Jotie T’ Hooft.

De jonge dichter uit Oudenaarde had zich de vorige dag de aders vol heroïne gespoten. Dat had hij niet overleefd. De leerkracht was een emotioneel man. Hij liet ons delen in zijn verdriet. Hij treurde zowel om het heengaan van een jonge mens, als om het veel te vroeg verscheiden van een talentrijk en beloftevol dichter.

De wereld van de dichtkunst was tot op die dag voor mij even mysterieus en ontoegankelijk als het slipje van Debbie Harry. Mijn poëtische ervaringen beperkten zich tot de verzen van ‘Zeven anjers, zeven rozen, ‘Zo mooi, zo blond en zo alleen’ en ‘Pappie loop toch niet zo snel’. In mijn eindwerk van het middelbaar het jaar voordien recenseerde ik nog ‘Malle Babbe’. Een gedicht was een enigma, geheimtaal voor intellectuelen die moest worden gedecodeerd.

De heer De Graef leerde ons lezen. Dat de dichter als een eenhoorn, sierlijk maar doelloos, door de wouden van het leven dwaalde. Dat die wouden een schepping waren van een heer die wij niet kenden. Hij heeft geen naam, geen gezicht, geen handen of stem. Dat ‘bladeren’ hier twee bladeren was: voedsel voor wie het lust, een nietigheidje in de wind.
En dat de dichter dood wou. Hij smeekte zijn heer: lok mij naar u toe, ik wil mijn kruisweg gaan, struikelend over naald en vlam. Neem mij, nu, voor ik word als al die andere domme stumperds die bij leven al uitdoven. Dat stond daar allemaal, in wat een prachtige verzen! Die dag openbaarde zich een nieuwe wereld.

Wat ik die avond deed, weet ik niet meer precies. Wellicht bedelde ik thuis mijn zakgeld bij elkaar om dat in café Spike weer onmiddellijk te verbrassen. Daar draaide men nog platen van vinyl, op drieëndertig toeren. Bad Company, Supertramp, Bob Dylan, The Rolling Stones. Lyrics kende ik nauwelijks maar als ik genoeg gedronken had, zong ik schijnbaar in mezelf verzonken volledige teksten mee, verfrommeld achter mijn pint. Die kostte 16 BEF, vandaag veertig eurocent. Aanstellerij hoeft niet duur te zijn. Achter een dichte mist van Zwarte Afghaan of Rode Libanon vond je de wc. Ik raakte wel eens secondhand stoned.

Waarschijnlijk leegden mijn maatje Filip en ik net als altijd onze beurzen en glazen, onderwijl eindeloos filosoferend over de leegheid van het zijn, het onnut van het bestaan, de zeepbel waarin we moesten leven. No Future klopte aan de deur.
Wij zwoeren: wij spelen dit spel niet mee, ons krijgen ze niet. Niet wij. Tot het einde van onze dagen zouden wij, gehuld in groene parka’s onze haren lang blijven dragen. Voor ons geen legerdienst, geen maatpak, geen klotejob van negen tot vijf. Eenhoorns zouden wij zijn, onaantastbaar en tijdloos. Mythisch. Sierlijk zouden wij dwalen door het woud der schepping, onderweg meegraaiend wat ons beliefde. In de slotzin van mijn ‘Malle Babbe’ stond nog zwart op wit: “Ik wil niet doodgaan, hoogstens sterven.” I hope I die before I get old, die dagen.

Filip hield zijn woord gestand, ik niet. Ik vond een vrouw, een kind, een doel om voor te leven. Maar gisteren dacht ik even, waar is mijn beste vriend?
Net als Jotie T’Hooft stierf mijn drinkebroer, mijn gabber, mijn maatje, op zes oktober, vandaag acht jaar geleden. Ook hij vond in de bladeren van dit woud geen voedsel. Chronisch dorstig als een eend, leidden zijn stapstenen hem van kroeg naar kroeg. De lichtlans op zijn voorhoofd verdronk in veelvuldige glazen verschalend bier. De heldendood van de dichter werd het niet.

Een blad in de wind.

Vlieg!
Zweef!
En dans.

Casa di Mauro

Met ongeveer twintig waren we. Spaken glinsterden, truitjes en magen zaten tjokvol energierepen, honingkoek en banaan. Een parfum van spierolie streelde de neuzen. Lichte nevel versluierde de velden, wolken kwamen aan en dreven af, de zon leek nog te lui om de kilte van de ochtend te verdrijven.

De weg zou moeilijk worden, de gids was ervaren. “Het is geen wedstrijd,” lichtte hij toe, “we respecteren de verkeersregels, blijven samen als één groep en op de top van de helling wachten we op elkaar.” Mijn BMI knikte instemmend. Mijn lichaam, ooit een trotse kathedraal, krijgt al jaren niet meer wat het toekomt. Vandaag is het verworden tot een krakende vergaarbak van sloten Duvel, spiraaltorens van slagroom en overdosissen boter, frieten en mayonaise.

Applaus van twee jonge meisjes begeleidde ons vertrek. Een van hen was Mauro. Start- en aankomstplaats waren haar huis: het huis van Mauro. Het is geen gewoon huis. Mauro is ook geen gewoon meisje. Ze werd geboren met het syndroom van Costello. Het komt uiterst zelden voor, dat maakt de dragers ervan uniek. Het gaat ook nooit meer weg, je hebt het en je houdt het. Wij, volmaakten, noemen mensen zoals Mauro mensen met een beperking. Toon mij één mens zonder beperking en ik leid u rechtstreeks naar het paradijs, inclusief een meet and greet met de schepper in persoon. Of in geest, ik weet het ook niet.

‘Casa di Mauro’ was in een vorig leven een hoeve, veel te groot voor zomaar een meisje. Mauro woont daar dan ook niet alleen. Zij woont er samen met andere buitengewone mensen. Iemand heeft het syndroom van Down. Iemand anders weer iets anders.
De oude hofstede is professioneel omgebouwd tot leefboerderij. Het enige wat er moet, is gelukkig zijn. Er mag worden geleefd op eigen tempo.
Soms moeten handen uit de mouwen. De tafel moet gedekt, de vaat gedaan, de kamers netjes gemaakt. Ook de velden rond het erf zijn bewoond. De veestapel bestaat uit een os, een koppel ezels, vijf geiten, een stel varkens, een konijn, een hamster, een cavia, kippen en een poes. De bewoners van het huis voederen hun dieren en geven ze water, ruimen op wat de natuur achteloos neerlegt.
Hun fietsen plaatsen zij in ‘Velo di Mauro’.

Ze zijn het niet maar leven wel als broers en zussen. Ze ruziën om de afstandsbediening, ze eisen een plek in de zetel. Ze lezen in een boek of twisten om de iPad.
Mauro en haar lotgenoten zullen nooit op eigen benen in het leven staan. In dit huis, deze plek onder de zon, is altijd iemand in de buurt die van ze houden kon. Iemand moet zorgen voor wat organisatie, afspraken maken, rekeningen betalen. Iemand moet meeleven. Zorgen voor begint niet om acht uur in de ochtend en stopt ook niet acht uren later. Elke medewerker is een vrijwilliger, ook de bezoldigde.

Ik vond me heel wat toen ik dit logge lijf over pittige Brabantse heuvels sleepte. Een fikse tegenwind blies deze vlaag van zelfgenoegzame ijdelheid gelukkig weer snel de fletse lucht in. Dit was niets, stelde niets voor.
Massa’s mensen doen massa’s dingen. Gewicht van hespen wordt geschat. Er worden pannenkoeken gebakken, liters cava verzet en kilo’s croques gefret. Men quizt en exposeert, speelt gezelschapspelletjes tot diep in de nacht, warmathont en dansathont. Vanuit geïmproviseerde garages worden voor veel te veel geld prullaria verkocht. Men veilt en zingt, snoept, verwent en wandelt. Noem een werkwoord en het wordt gedaan. Buiten beeld, zonder camera. Om een zieke te verzorgen. Een hongerige te spijzen. Een naakte te kleden. Een dakloze te herbergen. Misschien zelfs een gevangene te bezoeken.
In dit land, weet ik uit ervaring, laven de dorstigen zichzelf en begraven we de doden.

Toen we honderd kilometers later weer het erf opdraaiden, stonden dezelfde twee meisjes aan de poort weer in de handen te klappen. We mochten aan tafel de benen ontspannen, de meisjes presenteerden pasta’s van eigen maak. Ooit werd ik in duurdere restaurants met veel minder oprechte vriendelijkheid bediend.

Ik geef toe: enige meligheid is mij niet vreemd. Een liedje van Amy maakt mij weker dan een kwal in een weckpot. De emotie op die plek op dat ogenblik echter was géén slap afkooksel van gratuit sentiment. Het was ontroering. ‘Casa di Mauro’ staat als een huis. Mijn arrogante ‘ik-heb-een-goede-daad-gedaan-vandaag’-gevoel droop beschaamd van me af en verdampte aan mijn voeten. In de opstijgende mist las ik het woord ‘Respect’.

Mijn nieuwjaarswijn koop ik in ‘Cantina di Mauro’.

http://www.casadimauro.be/

Boemerang

Ik was geloof ik acht. De schooldag begon met de catechismusles. We kregen een vragenboekje over het katholieke geloof. De vragen varieerden van niveau gemakkelijk tot niveau onbegrijpelijk, zoals in schoolboeken en geloof gebruikelijk is.
Gemakkelijk: is er méér dan 1 god? Antwoord: neen, er is maar 1 god. Iedereen was nog in koers voor de hoofdprijs. Onbegrijpelijk: hoeveel goddelijke personen zijn er? Antwoord: er zijn drie goddelijke personen te weten god de vader, god de zoon en god de heilige geest.
Wie dát wist en nog begreep ook, maakte flink kans op de jackpot. Mijn vader, zelfverklaard christenmens, citeerde steevast een lezersbrief uit de krant: “Begrijpe wie begrijpe kan.” Men zegt dat vandaag de jeugd het moeilijk heeft.

Eenzelfde verwondering vorig weekend toen plots, als uit het hemelrijk, burgemeester, Kamerlid en partijvoorzitter uit één mond opriepen om komaf te maken met het neersabelen van andersdenkenden. De Drievuldigheid bestaat en huist op het Schoon Verdiep. Op een groot feest wilde het opperwezen graag verschijnen en prediken voor een aanzienlijke schare volgelingen. Geen beter oord daarvoor dan een kabouterpark aan de kustlijn.

“Wij pleiten vandaag voor verbondenheid. Laat het bashen nu eindelijk maar eens ophouden.” De aanhang in het pretpark verstilde, vaandels staakten hun fiere gewapper, een bassend plopperdeplopperdeplop plopte ver voorbij een achtbaan en doofde zuchtend uit.
Men hoorde toch goed? Hier spreekt toch de keizer van het vileine fileren? De koning van de genadeloze pointe? De Lucky Luke die sneller dan zijn schaduw met één dodelijke oneliner de voltallige oppositie neerlegt?

Men begreep het niet. Sprakeloos keek de een naar de ander. De Kracht van Vernedering werkt toch? Is vanaf nu dan niet langer de sos de schuld van alle onheil? Rijdt dan plots niet meer elke Berber in een Mercedes langs de armenwijken om onze kinderen vol drugs te pompen? Schuilt niet in de rugzak van elke moslim een explosief? Is niet langer de werkloze een van ons zweet profiterende luiaard, de ontheemde een crimineel, de bakfietsouder een communist, de redder een mensensmokkelaar?

Verbijstering omarmde het pretpark. Onzekerheid sloop als een slang in de rangen. Veranderen wij plots radicaal het geweer van schouder? Verliezen wij hier niet onze identiteit? Gaan wij verbroederen met de ander? Wat wacht ons nog? Komt morgen Theo naar het werk op pumps, in jarretels en flamingoroze lingerie met bijpassende tutu? Opent de burgemeester volgend jaar zijn bal, soepel swingend in de armen van Kris Peeters op de goedkope disco van ‘Ich bin wie Du’?

Ook ik geloofde in een eerste zwak moment mijn oren niet. Hoe hypocriet, dacht ik. Hoe demagogisch. Een populistisch mirakeltje. Eerst verwijt men de fietser onder de vrachtwagen te sukkelen, de arme zijn armoede, de leerling de les niet te begrijpen, de zieke niet te gaan werken en nu… laat ons lief zijn voor elkaar.
Echter, ik dwaalde. Tijdig zag ik mijn kemel in. Hoe dom had ik gedacht, hoe slecht geluisterd? Ik was een gevangene in de tunnel van mijn vooroordelen. Blinde muren aan weerskanten. Alleen een idioot verandert nooit van mening. Wat als deze wens oprecht was? Wat als het trio het wél goed bedoelde? Wie ben ik, anonieme sterveling op de dool, om die verbindende woorden klakkeloos te onthalen op hoongelach? De allerhoogste wenst toch alleen de ideale wereld voor elks zijner onderdanen in dit Monaco aan de Noordzee?

Dan brengt deze oproep aan ons allen niet alleen een boodschap van vrede, tevens vormt hij ook een mea culpa! Een vergeef mij, ik heb gezondigd maar ben tot inkeer gekomen. Welaan dan! Laat ons onze harten openen. Omhelzen wij dan gracieus en vergevingsgezind het verloren schaap dat de stal heeft weergevonden. Laat ons leren uit deze les en zelf ook wat meer begrip betrachten. Er is weer hoop! Morgen wordt beter dan vandaag!

Laat ons hopen.

Dat de Arcospaarder terugkrijgt wat de bank hem ontstolen heeft.
Dat de minister een begroting in evenwicht presenteert.
Dat de centen van het belastingparadijs mogen stromen naar de staatskas.
Dat we er in de strijd tegen armoede veertig miljoen extra tegenaan knallen en niet afpitsen.
Dat het fort een antwoord biedt aan de ongelukkigen die buiten wanhopig aan haar poorten kloppen.
Dat er vanaf heden geen vijanden meer bestaan, onze vrienden geen schilden dragen.

Misschien draaf ik door. Wellicht hoop ik te veel.
Misschien is het realistischer te vragen aan Sinterklaas dat hij zijn baard afscheert.
Aan imam en rabbijn dat hij samen met ons tijdens de hoogmis de hostie consumeert.
Aan de politicus dat hij doet wat hij beweert.
Aan de boemerang dat hij niet wederkeert.