Blog

Kinderspel

Lui en lamlendig lag de gorilla in de hoek van zijn hok, zijn blik een compleet misprijzen. Na vijftien jaren in de Zoo kijk je niet meer op van een of andere soortgenoot die je door het venster staat aan te gapen.
Matadi was zijn naam. De klimtuigen en natuurrotsen in zijn Mensapenvallei lieten hem ijskoud. Zijn territorium was groen en welig, een riviertje kabbelde er gemoedelijk dwars doorheen, het deed hem niets. Hoe fraai zijn domicilie ook werd voorgesteld, hoe liefdevol men hem ook verzorgde, hij wist: mijn thuis is het regenwoud.

Somber filosoferend over dieren in kooien, zette ik me op een bankje. Een luide meisjesstem stremde mijn gemijmer: “Ik vind het gewoon een lelijk woord, transmigrant. Waar komt dat ook vandaan, zelfs?”
Ik schatte haar niet ouder dan zestien. Ze zat met een oudere man op het bankje wat verderop. Toon en volume van hun gesprek dwongen me tot meeluisteren.

“Het is eigenlijk …,” antwoordde de opa geduldig, “denk aan transport, of transfer, of…”, “…transgender zeker?” onderbrak ze. Ze tokkelde driftig op haar telefoon. “Trans: aan gene zijde,” riep ze. “het betekent: aan de andere kant.”
“Dus…”, zei de opa weer, “… wat denk je nu zelf?“
Een schoolmeester, dacht ik opeens. Of hij is een schoolmeester, of hij is het geweest.

“Iemand gaat ergens naartoe? Maar het ís toch een lelijk woord? Het gaat precies over een ding!”
“Ach, het kind moet natuurlijk een naam hebben”, zuchtte de opa. Nu komt een les, dacht ik. Eerst de probleemstelling, dan de uitleg en als er nog tijd is mag ze een oefening maken.

De opa ging door: “Het is een beetje zoals ‘Schipper mag ik overvaren’. Dat speelden wij toen we klein waren. Ken je dat? Aan de ene kant staan allemaal kinderen en die moeten aan de andere kant geraken. In het midden staat iemand om ze tegen te houden. De kinderen zingen: “Schipper mag ik overvaren, ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee?” Dan zegt de persoon in het midden: “Ja, maar je moet huppelen. Of bruine schoenen dragen. Of hinkelen op één been. En wie dat niet kan, wordt aangetikt, zo simpel is het eigenlijk.”

Ze lachte: “Zo simpel zal het wel niet zijn hé opa. Als je hoort hoeveel daarover te doen is. En als je getikt wordt?”
“In het spelletje”, vertelde de opa, tevreden over zijn heldere metafoor, “worden dat zelf ook tikkers. Maar in onze wereld, tja…”, hij aarzelde even, “…wie men pakt, wordt opgesloten. En dan teruggestuurd naar waar hij vandaan komt.”
“Waarom?” vroeg ze. De verontwaardiging van de jeugd danst er niet omheen.
“Dat hebben we met zijn allen zo afgesproken. Anders komt iedereen naar hier. En dat willen we niet.” Opa kreeg het moeilijk, zag ik. Hij probeerde een grapje: “Ik heb veel meegemaakt in mijn leven,” zei hij, “en veel stomme dingen gedaan. Maar hier was ik niet bij.” Verontschuldigend hief hij zijn handen in de lucht.

Ze rolde met haar ogen. “Ik snap het niet”, zei ze. “Waarom sluiten ze die mensen dan op? Die hebben toch niets misdaan?” Haar naïviteit vertederde me.
“Tja…”, zei hij, traag en bedachtzaam nu, “ze kunnen vragen om in het land te mogen blijven. Maar dat willen die mensen niet want ze willen naar Engeland. Trans migrant, begrijp je? Maar als je dat niet doet, dan ben je eigenlijk onwettig in het land. En dan word je opgesloten.”
“Oh my god, serieus? Maar dat is toch niet logisch? Hoe stom is dat? Dat is toch niet normaal!” De pitbull in de puber liet niet los.

“Kijk, het is natuurlijk ook niet gemakkelijk”, suste de opa. “Hoe zou jij dat oplossen?”
“Ja zeg, opa! Hoe moet ik dat nu weten? Ik snap nog zelfs het hele probleem niet! Wat zou jíj doen?”
“Geen idee”, mompelde de oude man. “Geen flauw idee.”

Gisteren op tv vroeg een presentator precies hetzelfde. “Humaan,” antwoordde de welzijnswerker. “Ik vrees dat er geen oplossing voor dit probleem bestaat,” antwoordde slim een journalist. “Het is moeilijk,” aarzelde de politicus.

Misschien weet Matadi wel wat, dacht ik, maar naar zijn mening vraagt niemand. “En het blijft een lelijk woord!” zei het meisje koppig. “Kunnen ze voor die mensen zelfs niet eens een fatsoenlijke naam bedenken?” Ik zag hoe de aap zich oprichtte, in drie stappen het riviertje overstak, een blad van een boom scheurde en ging zitten op een stronk. Hij lachte.

Feest in de stad

2018-09-01 - Stad Antwerpen - Onze Toren 500 - 089

(afbeelding: copyright stad Antwerpen – Thomas Geuens.)

Het was feest in de stad. Het was koppen lopen op de Grote Markt. Gelukszoekers uit verre streken stonden samengepakt op Oude Koornmarkt en Suikerrui. De Vlayckensgang puilde uit. Bieren stroomden in hectoliters over Blauwmoezelstraat en Maalderijstraat. De beiaard klepperde onstuimig frivole volksliederen. Versteende beelden glunderden, straatstenen dansten. Hier werd geschiedenis gemaakt.

Half in het donker stond fier de feesteling te pronken, wachtend op de glorierijke nieuwe verlichting ter ere van haar vijfhonderdste verjaardag. Elke Sinjoor weet: de enige weg tussen aardkloot en firmament leidt langs de ranke, pronte, ongenaakbare toren van de bisschoppelijke stadskathedraal, de volle 123 meters aan Maria gewijd. De stad had zich genereus getoond: tussen 18 u en 20 u was het eenieder toegestaan het heiligdom gratis te betreden. Deze zaterdagse vooravond hoefde Jezus geen handelaars uit het huis van zijn vader te ranselen.

Het duister viel als fijn stof, licht en onafwendbaar. Kijklustigen kropen dichter bij elkaar. Je kon adems ruiken, lichaamswarmtes voelen. Geliefden verstrengelden handen, onbekenden groetten elkaar, twee ordehandhavers hielden achteloos een oogje in het zeil. Brabo wierp zijn schaduw krijgshaftig tegen de in steigers gehulde gevel van het stadhuis. Klokslag 21 uur schalde over het stadscentrum de snijdende stem van de populaire burgemeester.

U zijt allen welgekomen, zei hij. Vandaag is de stad van iedereen, zei hij. Van heinde en verre komen de mensen in Antwerpen thuis, zei hij. Van kilometers afstand voelt de sterveling, zei hij, dat deze stad een veilige haven biedt, ongeacht je huidskleur of afkomst, je geslacht of seksuele voorkeur. Zelfs, voegde hij er kwansuis en schijnbaar per abuis aan toe, je religie. De avond was mooi genoeg om de burgervader te willen geloven.

Voorwaar, warme woorden. De burgemeester is een wijs man die wikt en weegt alvoor hij spreekt. Mocht er toch een minpuntje worden vernoemd, het zou de onzindelijke Antwerpse ‘ij’ betreffen die ook bij deze erudiete en doorgaans fijnbesnaarde leidsman tot vuile ‘a’ vervelt: Vandoog is de stad zonder twaafel van maa en van aa en van ongs allemool.

Onvergetelijk was het luchtspektakel door theater Tol. Het beeld was van een zeldzame schoonheid, de klank fabuleus, de vondst nooit gezien. Een kraan tilde fietsende en dansende artiesten tot hoog boven de Koekenstad, waar zij hangend aan een reuzenrad elegant rondjes zwierden. Frêle jonkvrouwen zweefden als engelen in de zomerlucht en strooiden glinsterende sprankeltjes hoop als manna uit de hemel. Ave Maria galmde van stadhuis tot kathedraal, de menigte hapte naar adem, sprakeloos, de verlichte toren bloosde feeëriek van trots. Het was een één keer in je leven. De stad was mooi en warm. Zij sloot ons, en wij haar, in de armen. We waren één, Liefde heerste, we bouwden aan de toekomst en we hielden van elkaar.

Nog zwevend en tintelend van dat samenzijn begon ook die zondag zoals elke zondag weer de vogeltjesmarkt. Een bepaalde politieke partij had het een goed idee gevonden een platform te verschaffen aan Geert Wilders, Hoofd Haatpredikerij der Lage Landen. Die gaf gaarne acte de présence. Een massale delegatie van de Antwerpse politie stond de meer-of-minder-Marokkanenman hierin bij. Het dreigingsniveau werd verhoogd, er waren statische ploegen, mobiele ploegen, zichtbare en onzichtbare agenten en een heuse helikopter. Dat volstond om die ene rebel met zijn bordje ‘Antwerpen is van iedereen’, geruisloos te neutraliseren.

De doctorandus in Provocatie en Schoffeerderij met op zijn hoofd een coupe als een softijsje in tegenwind, verklaarde stemadvies te komen geven aan de talrijke in Antwerpen residerende  Nederlanders. De Muzelman vormt een bedreiging, zei hij. We moeten hem weren, hij hoort hier niet thuis, zei hij. Het gaat om het voortbestaan van Antwerpen en Vlaanderen, zei hij, de hordes komen onze vrijheid roven. Zijn kompaan Filip, zelfverklaard volksbevrijder, trad hem gretig bij. Het is hier Antwerpistan, zei hij. Wij zijn in gevaar, zei hij. Wij worden bedreigd, ook u, waarschuwde hij nog de Joodse enclave. Hij riep op om samen te strijden en den vreemde te verjagen. Anke, die Vlaamsche Lorelei opjaren, vervulde haar rol en keek vertederd mee over de schouder van haar koene ridder.

De engelen op de kruin van de majestueuze gotische kerk staakten hun gezangen. Zij sloten beschaamd de ogen, bogen het hoofd en daalden neder ter aarde, hun vleugels zwaar als klei. Gisteren nog Himmelhoch jauchzend, vandaag zum Tode betrübt.

De burgemeester draaide zijn hoofd de andere kant op en zag een bepaalde bevolkingsgroep.

 

Gelukkig nieuwjaar

Liefste iedereen

Aan het begin van ’t nieuwe jaar sta ik hier met mijn briefje klaar.
U zegt: “Pardon, je hebt het mis!” daar het nog maar september is!

Maar toe, herinnert u zich even, dat ik een groot stuk van mijn leven
(al viel me dat wel eens wat  zwaar, ik deed het bijna veertig jaar)

van dag op dag vandaag, met kriebels in de maag
samen met zovele anderen ingrijpend levens ging veranderen.

Ik trok dan fris en enthousiast en vol van goesting naar een klas,
om menig jongeling te verblijden, gekscherend, doch ook kennis te verspreiden.

Ik pompte in een nevenzin nog graag een vleugje wijsheid in,
opdat mijn leerling in het leven de juiste keuzes na zou streven.

Dat wekte afgunst soms en nijd, waardoor er na verloop van tijd
– en tot mijn verregaande spijt – een kloof ontstond, een broederstrijd,

waarin de keuze moest gemaakt: doen we het mild of eerder kwaad?
Is het met hart, of eerder hard? Is er ook grijs of alleen wit/zwart?

Men koos dan liever voor het laatste waarop ik voor die optie paste.
Mijn toekomst lag toen even plat, er dreigde een groot gapend gat.

Dat was een klapper voor de kop, daar zag ik stevig tegenop.
Ik had nog heel wat willen doen tot op de dag van mijn pensioen!

Maar zie, het is nu weer september, en misschien langzaam, maar ik ben er
toch ook stilaan weer doorgeraakt, al proef ik nog een wrange smaak.

De scholen starten weer een jaar, ook ik sta hier met nieuwe plannen klaar.
Om niet nog langer uit te stellen wil ik daarover u vertellen.

De tijd bracht mij opnieuw ambitie om oude dromen die ik weer zie,
alsnog in daden om te zetten: ik wil de taal en haar facetten

in alle vormen exploreren, veelvuldig genres uitproberen,
poëmen schrijven of een brief, artikels, columns, een cursief.

Neem dat ik een verhaal verzin waarin de slaaf het van de meester wint,
een Jood een Arabier bemint, een vluchteling een toekomst vindt.

Of stel ik schrijf ooit nog een boek, met een prinses die naar haar kikker zoekt,
een vis die vasteland ontmoet, een god die blind geloof opdoekt.

Dus: ik wil gulzig zijn naar boeken, voor zinnen juiste woorden zoeken
en rijmpjes maken, flinterdun, volgens de regelen van de kunst,

verwonderd blijven, zonder zorgen kijken naar de dag van morgen,
vrank en vrij de wereld in, nooit nog iets doen tegen mijn zin!

Tot slot wil ik ook u nog wensen (enfin, toch aan de meeste mensen)
Dat u in alles wat u doet, voldoening vindt, plezier ontmoet.

Voilà, c’est çà, hier eindigt mijn tirade. Tot slot gun ik u altegader
helder, oprecht en zonneklaar, een heel gelukkig gloednieuw jaar!

Uw kapoen Erik, 1 september 2018.

Op reis

Toen ik beschut onder een parasol mijmerend nipte van een glaasje gekoelde prosecco, werd ik aangesproken door een langharige Italiaan uit Padua. Zijn naam was Matteo Strukul. We trokken samen op. Voor een luttel bedrag gidste hij me graag door het Florence van de late veertiende en vroege vijftiende eeuw. Hij introduceerde me bij de geslepen Cosimo De Medici en zijn impulsieve broer Lorenzo. Hij maakte me deelachtig in de kuiperijen en intriges in de cenakels van de macht. Samen met architect Filippo Brunelleschi plaatste ik vanop de steigers in de Santa Maria del Fiore op ronduit revolutionaire wijze een reusachtige koepel op de trotse kathedraal. Na volbrachte arbeid savoureerden we wellustig stromen van de Chianti die de proef met de voorproever had doorstaan.

Nog meer Chianti deelde ik wat later met Mark Haddon, een Engelsman uit Northampton. Tijdens een nacht, te warm om de slaap te vatten, vertelde hij urenlang onder een twinkelende sterrenhemel over een Wonderbaarlijk Voorval met een Hond in de Nacht. Een jongen met het syndroom van Asperger, Christopher, vindt op een nacht de hond van de buurvrouw op straat met een riek in zijn buik. Christopher is dol op Sherlock Holmes en gaat vastberaden, gewapend met de ijzeren logica van de autist, op onderzoek. Is het hoofd een gevangenis waarin je levenslang zit opgesloten, de ene cel is toch de andere niet.

’s Ochtends in mijn hotel lag op me te wachten een bundel Brieven uit Genua, de stad die later in deze broeikaszomer op bijzonder naargeestige wijze het nieuws domineerde. Ilja Leonard Pfeiffer nodigde me aan zijn tafeltje op het terrasje op het Piazza delle Erbe! Nederig kuste ik zijn vingertoppen, waarna we samen verdwaalden in het superbe labyrint van duistere en gevaarlijke steegjes die kriskras kroelen doorheen de stad. In een heerlijke barokke taal met een uiterst nauwgezet woordgebruik, loodste hij me langs hoeren en travestieten, pareerde messentrekkers en paria’s, wees me hoe bootvluchtelingen proberen te overleven en toonde me waar hij zijn brieven schrijft. We aten een lichte pasta met groene asperges, dronken hele avonden acque gassate en zwoeren elkaar tot weerziens. Si!

Enkele tafeltjes verderop hoorde ik een koppel in het Nederlands met elkaar praten. Zij was een mooie, jonge, blonde vrouw en heette Eva Rovers, hij leek heel erg op Mick Jagger. Zijn naam was Boudewijn Büch. Zij praatte honderduit, zijn woorden waren op. Ze inviteerde me aan hun tafeltje maar praatte vooral tegen hem. “Boud, we praten over jouw Verzameld Leven!” hield ze hem voor. Ze schetste hoe hij de weg was kwijt geraakt in zijn eigen autobiografictie. Ze hield hem voor dat hij het kleine blonde zoontje dat hij in zijn tastbare leven verzonnen had, op een bepaald ogenblik wel moést de dood injagen. Een schrijver liegt de werkelijkheid bij elkaar, je eigen verzinsels geloven is funest. De leugen loopt dan wel snel, een uitweg vindt ze niet.

Eva en ik lieten Boudewijn zijn wanen en doken voor een weekje het Amsterdamse nachtleven in, sjouwend van kroegie naar kroegie, al deden de voeten soms zeer. Aan een bruin tafeltje in een donkere kroeg zat, somber en mysterieus, alleen, Alicja Gescinska. Rondom haar de geur van vallende bladeren. Ze verhaalde over, hoe kan het anders, Een Soort van Liefde. Een studente en haar dertig jaar oudere prof worden hopeloos verliefd en raken verstrikt in het eeuwige web van dromen en daden. Tragisch, hoewel de liefde aanhoudt tot op het sterfbed. Alicja vertelt haar verhaal met een ondertoon van Slavische weemoed. Je hoort in de verte de piano en weet hoe het afloopt, maar je laat haar geduldig uitpraten. Haar verdriet is teer en breekbaar als haar glas witte wijn.

Ik lag, moe van het verre reizen in vreemde hoofden, te dommelen in de trein op weg naar huis, toen een oude man met hese stem me vroeg of hij me mocht vergezellen. Hij stelde zich voor als James Salter en kwam uit New York. Als oude mannen praten, hebben ze het over leven en liefde en dood. Over hoe twee ooit gelukkige mensen uiteindelijk bijna onmerkbaar en tegen hun wil Lichtjaren van elkaar verwijderd raken. Over hoe alles wat ooit begint te leven er ooit ook weer mee ophoudt.

In de vertrouwdheid van mijn huiselijke kring probeerde ik al deze verhalen hun juiste plaats te geven. Toen stootte ik op een filmpje waarin Ilja Leonard Pfeiffer aankondigde dat hij ophield met schrijven. Hij zou voortaan gaan koken voor zijn Italiaanse bella donna, Stella. Later bleek het om een grap te gaan, een 1 aprilgrap.

Het leven zoals het is.

I.M. voor M.

De week begon met Karel Van Miert. Die maandag was matig bewolkt met weinig wind. De coryfee van vandaag vergane socialistische glorie vulde de avond met kersen plukken. Toen hij halfweg de ladder opkeek van zijn gevulde mandje, zag hij onder zich staan en geduldig wachtend, de dood. Die strekte de vinger kalm doch gedecideerd naar het hart van de gewaardeerde politicus. Dat gehoorzaamde en stopte met pompen. Een boerenzoon had zich een weg geploegd van akker naar salons en stierf staande tijdens de arbeid, de roden treurden. Aan het graf dekten twee weduwen samen met hun man ook De Internationale met aarde toe.

Enkele dagen later verkoos de kwetsbare zangeres en omroepster Yasmine om niet nog langer deel te nemen aan dit ondermaanse gewriemel. Ze leed aan de Liefde, háár hart broos en breekbaar als porselein. Het leven rolt niet voor iedereen een rode loper uit. Liefdesverdriet met hoofdletter, te groot voor eeuwige meisjes.

Dezelfde dag demonstreerde Michael Jackson dat ook de groten der aarde maar gewone stervelingen zijn. Koning, keizer, admiraal, doodgaan doen we allemaal. Michael was nog zwart en afro gekapt toen hij zoetgevooisd onze levens in zoemde met in zijn kinderhandje de staart van Ben, een rat, zijn beste vriendje. Albinoneger noemden wij hem later baldadig, neger zeggen mocht toen nog. Op weg naar het koningschap van de pop verbleekte de ster tot hij bijna doorzichtig wit ging moonwalken in de eeuwige brandende spots van het firmament.

Niet de groten maar de kleinen zijn de ankers in onze levens. De wereld dacht alles gezien te hebben maar wij wisten beter. Ook in die week kwam de zaterdagavond aan het einde. Voor de mensheid onzichtbaar vocht in een anoniem ziekenhuis een anoniem lichaam een niet te winnen strijd. Het lag in schijnbare rust, machteloos wachtend tussen piepende en zuchtende machines. “Het is nu aan hem,” zei de dokter. “Wij voorzien zijn soldaten van wapens, het is afwachten of ze die opnemen en de strijd aangaan.” Dat hij oorlogstaal gebruikte, drong niet echt door. We waren toeschouwers bij een bewegingloos slagveld en alleszins ik vatte niet dat de strijd ging over zijn of niet te zijn. De dood bezocht bij ons enkel de hoogbejaarden.

Misschien was niet het doodgaan op het einde het pijnlijkst, maar het gebrek aan leven in de weken voordien. We keken naar iemand die er niet echt meer was en waarvan wij tegen beter weten in geloofden dat hij nog weer zou keren. Er lag een lichaam maar niet meer de mens die het ooit geborgen had. Een schrijnende afwezigheid van leven, de ogen gesloten, het deinen van de borstkas kunstmatig, koude warmte als bij het kunstlicht van een buislamp.

Maar wij geloofden. Plots vonden wij onszelf verenigd rond wat een sterfbed zou worden. Samen in een kamer stonden een moeder en een vader, kinderen, zonen en dochters, als een familie. De soldaten echter lieten de wapens liggen, zij deserteerden, de dood kwam, zag en nam mee, als een dief in de vooravond. “Jullie hebben een hechte band,” zei de dokter. Daar keken we van op.

Wij vormden nooit een familie van de samenhangende soort. In de twee weken die mijn broer gebruikte om de grote oversteek te maken, verenigde hij wat ooit uit elkaar was gespat. L’union fait la force, ook in verdriet. Hij en wij betaalden daarvoor een zware prijs. Sindsdien proberen we elkaar geregeld te ontmoeten. Het is allemaal niet voor niets geweest.

Mijn broer, hij leeft.

Held

“Drie verticaal: idioot, vier letters”, zei mijn vader. Cynisme hoorde bij onze opvoeding als het strand bij de zee.

“Jij”, dacht ik, maar dat was een letter te weinig. ‘Jij’ schreef je toen nog met een g vooraan. “Held”, lachte ik.

We hadden net uitgebreid gefilosofeerd over hoe generaals hun soldaten op het slagveld inzetten als voer voor kanonnen. Na hun dood eert de natie haar helden, elke 365 dagen opnieuw. Moeders huilen elke dag. Wat tellen eer en roem als je als maagd van nog geen negentien een feestmaal voor de wormen bent?

Bewonderen was mij niet vreemd. Als jongen verafgoodde ik zoals alleen jongens dat kunnen. Robin Hood vrijbuiterde in de bossen van Nottingham, stal van de rijken en schonk de buit aan de armen. Samen met de Alverman veroverde de eenvoudige Johan het hart van de beeldschone Rosita, dochter van de norse maar rijke Don Christobal de Bobadila. Hij overwon moedig de valse lagen en listen van de gemene ridder Guy de Sénancourt. Siegfried versloeg met het zwaard een draak die vuur spuwde en elke dag een maagd verteerde.

Helden bestonden ook écht. Tommie Smith en John Carlos balden de vuist in zwarte handschoen op het podium van de Olympische Spelen in Mexico. Black Power! Jan Palach stak zichzelf in brand op het Wenceslasplein in Praag, een levende toorts als protest tegen de Russische bezetter. Maarten Luther King droomde zijn dood, Cassius Clay koos drie jaar cel boven zinloos vechten in Vietnam. Nelson Mandela, Steven Biko… een galerij van helden.

Helden verdedigen weerlozen, tarten de macht, komen op voor wie dat zelf niet kan. Helden zijn gutmenschen. Een held stapt onvervaard de vijand tegemoet, kijkt zonder schroom het gevaar in de ogen. Helden schaffen das. Zij ergeren heersers en meesters en krijgen aan het eind de jonkvrouw. Mét kus.

Als kind was ik mijn eigen held. In mijn fantasie passeer ik de woeste rivier precies op het ogenblik dat het kind zich losrukt uit de hand van de moeder en in het woelige water sukkelt. Sneller dan een bliksemflits werp ik mijn kleren op de kant, duik onvervaard het ijskoude water in en zwem met lange, sierlijke halen naar het spartelende kind. Ik hoor niets van de bewonderende ooh’s en aaah’s van de uit alle hoeken toegesnelde vrouwen. Ik weet dat ze er zijn. Ertussen staat verloren, eenzaam en het gelaat door afgunst groen, een enkele man. Hij roept driftig om hulp, een amechtige poging om zich ook enige allure aan te meten. Hij wou dat hij mij was. Net voor het water het kind definitief op kan slokken, duik ik onder het spartelende lichaam, omknel de oksel en til het naar lucht hongerende hoofd boven water. Met krachtige beenslagen zwem ik ruggelings, tegen de stroom in, naar de oever. Uitputting dreigt maar we halen het net. Het kind leeft nog. Huilend stort de moeder zich op haar telg. Als ze het hoofd heft, ziet ze aan de horizon nog een stip, een held met wapperende blonde manen op een wit paard. Net als al die andere vrouwen zal zij zich ’s nachts nog vaak vragen: wie was toch die man die mijn kind het leven redde?

O Tempora, O Mores. De held van weleer is vandaag een sok, gebreid uit de wol van geit. Een softie. Een watje. De held van het heden hult zich in een vacht van schaap. Het hart moet hard. Hij laat de drenkeling verdrinken, verstoot de verstotene, schopt naar de verschoppeling. Hij snoeft en pocht en klopt zich fier op de borst als hij het schip weer de zee opstuurt. Als het kind verdrinkt is het de fout van de moeder. Hij misprijst wie weerloos is, vernedert de andere opinie, wentelt zich wellustig in het grote gelijk van zijn superioriteit. De vluchteling noemt hij crimineel, de vreemde des duivels. Hij is de koning van de retoriek, tweet sneller dan het licht, speelt met woord en beeld. Hij is de veilige haven, laat zich leiden door spinners en peilers en noemt dat beleid.

Voor het trotse stadhuis van de stad aan de werf, staat Brabo. De held ging een ongelijke strijd aan met een reus, won, hakte de reus de hand af en wierp die in de Schelde. De schepen konden weer door.

Drie verticaal: idioot, vier letters. Iemand? Theo? Bart? Erik kan trouwens ook.

Don en Kim

Vaak zijn het de mensen die je niet ziet die een bedrijf doen draaien. Zonder monteur geen film, al is hij niet meer dan een naam in de aftiteling. De acteur is niets zonder de vrouw of man achter de camera.

Bi Lin Gue is tolk. Tijdens de historische top in Singapore schoof ze quasi onzichtbaar mee door het beeld. Ze spreekt foutloos Engels en Koreaans, zegt ze; wij geloven haar. Soms bespeelt ze de tijgermachine in een Oosters gokzaaltje in de binnenstad. Die avond had ze een slechte avond. Een sakétsunami en een hoop onverwerkte emoties maakten haar lippen los.

“Wij mogen natuurlijk niks zeggen, lalde ze, dat staat op papier. Maar hier, onder vrienden…”

Vrienden is een groot woord, ik was die avond toevallig de winnaar aan haar pokertafeltje.

“Iconisch, roepen ze. Verandert de geschiedenis! Nobelprijs voor Vrede! Groot Gebaar van Verzoening. Mijn oosterse reet, ja. Als je goed naar de staart van de kikker kijkt, zie je dat hij er geen heeft.”

“Oei, Bi? Het was toch een top top?”

“Het was Liefde op het eerste gezicht. Ze wilden allebei heel graag. Kim Yung begon als teken van goede wil het gesprek zelfs in het Engels. Maar ja… Geongang!” Ze tikte haar glas tegen het onze.

“Gezondheid Bi! Wat zei hij dan precies?”

““Mister President, I love hair.” Hij bedoelde misschien: ik vind uw haar leuk. Maar Donald luistert in principe nooit naar wat iemand zegt. Hij keek even naar mij en antwoordde: “I see. Later you can grab her by…” Toen moesten we wel ingrijpen. Hij herstelde zich: “I love your hair too. Who does your make-up?”

“Wat zei de kleine dictator daarop?”

“Helemaal niets! Soms is niets zeggen het beste antwoord. Hij had gewoon geen idee!!! Van die hele meeting snapte hij geen woord. Kijk, Donald praat, dat is wat hij doet. Het interesseert hem niet of er ook iemand naar hem luistert, dat doet hij zelf wel. En Kim keek de hele tijd alsof hij in de foute film zat. Altijd moest iemand hem wijzen waar hij moest gaan of staan. Als Donald hem bij zijn kruisje zette en aanwees in welke camera hij moest kijken – the red light, Kimmie, red light – dan straalde hij als een kind. Echt zo’n schatje. Soms moest ik me inhouden om hem niet te knuffelen. Ach, één moment van vreugde verdrijft honderd zorgen.”

“Zeker! Maar er werden toch belangrijke dingen besproken?”

“Tja, dat is natuurlijk allemaal een beetje relatief, wat voor de een belangrijk is… enfin, vanaf dat moment hebben wij elk woord zelf vertaald. Het is verstandiger een kaars aan te steken dan te klagen over duisternis.”

“Waar ging het dan over?”

“Dat is natuurlijk strikt geheim. Maar als je nog een rondje bestelt… kijk, onder ons, Kim zei dat hij dol was op het oranje van Donalds haar.”

“Het oranje van Donalds haar?”

“Dat vindt hij mooi. Donald vertelde over Melania’s hairdresser. Die had haar beloofd om haar hubby de looks te geven van de eeuwige jeugd, vandaar dat gewaagde blond. Toen kloeg Kim er over hoe moeilijk het is om altijd weer een nieuwe stylist te vinden. Een wet in Noord-Korea bepaalt immers dat wie de Voorzitter aanraakt, wordt geëxecuteerd.”

“Maar zeker ging het gesprek toch over meer dan haarkleur en coupe de cheveux alleen?”

“Natuurlijk! Over die slotverklaring ook. De mensen moeten iets hebben om over te lamenteren. Wist je dat onze tekstschrijvers daar al mee klaar waren toen Donald zei dat zijn knop toch groter was dan die van raketman?”

“Die akkoorden? Die handdruk? Die goede voornemens?”

“Dat is toch allemaal perceptie, man. Daar staat toch niets in! Die tekst zegt nog minder dan de oppositie in Noord-Korea. Wat de rups het einde noemt, noemt de rest van de wereld een vlinder.”

“Noord-Korea heeft toch geen…”

“Precies! Enfin, na de fotoshoot en de speeches zijn binnenskamers de echte afspraken gemaakt.”

“Misschien moet je die toch maar voor jezelf houden, Bi. Wie weet heb je nu al veel te veel gezegd.”

“We leven hier toch in een vrije wereld? De president en de Voorzitter volgen elkaar nu op Instagram en snapchatten foto’s bij hun volgende kappersbezoek. Als Kim naar Washington komt mag hij een middagje met Melania mee. Als we die dan al gevonden hebben, natuurlijk. Doe jij nog eentje?”

Misschien straks toch eens vragen hoe ik precies thuis ben geraakt.

Dan heb ik ergens zoiets van weet je

Een mens moet wat in de tijd die hem scheidt tussen eerste schreeuw en laatste ademstoot. De ene herstelt windmolens op zee, een ander bestudeert bonobo’s, de politicus provoceert, op een zolder componeert de gepensioneerde een opera die nooit zal worden opgevoerd. We modderen wat aan, het bestaan moet zin hebben.

Ik dood de tijd, dat doet de tijd met mij ook, met drie aapjes zijn, dat vertelde ik al. Horen, zien en zwijgen is ook een overlevingskunst. En zo hoort een mens nog weleens wat. Zoals: “En dan heb ik ergens zoiets van, weet je, dat is dan wel een zure.”

Wablieft?

Mijn hoofd tolt. Waarvan heb je wát? En waar? Neen, ik weet niks, een zure wat? Als uit het niets duikt dat soort prietpraat plots op ten allen kant. Ergens, diep verscholen in de Lage Landen ligt het dorpje Babel. Als je vanuit het station de Leuterdreef volgt, kom je aan het einde bij het Plein van de Gebakken Lucht. Daar staat een groot fabriek: N.V. Woordenbrij, specialist in Zinnenkweek en Woordkraam. Vrachtwagens storten enorme ladingen zinloos door elkaar gehaspelde brokken taal in een gigantische container: men en mijn en zen en zijn en is en eens en noemen en heten enzovoort, allemaal door elkaar. De hele week ontrafelen en sorteren de magazijniers dit kluwen en zetten dan elk woord weer klaar voor beter gebruik. Als op vrijdagmiddag de taal weer netjes geordend staat, in de rij Precieze Betekenis op het schab Correct Gebruik, verzinnen de mannen nog gauw een grapje als opwarmertje voor de weekendpinten.

  • Ik weet nog eentje, die kan misschien vandaag nog buiten. Luister: “Ik héb zo-iets van!”
  • Zoiets van? Wat dan? Waarvan dan?
  • Van niks! Dat is de mop! Het klinkt alsof er van alles rond hangt, het zegt absoluut niks.
  • Is dat niet …, ik weet niet, wat mager? Moet er niet nog iets bij? Een plaats of tijd of zo?
  • Ok, ok, een plaats. Maar niet te concreet, het moet gewichtig lijken maar wel vaag blijven.
  • Ik weet het! Ergens! Dat lijkt ergens te zijn maar dat is nergens. Niemand weet waar ergens ligt, toch? Vind je dat niks?
  • Man! Dat is zo hard niks! Dat zet ik onmiddellijk op mijn status! Facebook vraagt: Wat ben je aan het doen? En ik antwoord: Ik heb ergens zoiets van! Dat worden likes, man!

Kriebels op mijn rug en ik kan er niet bij. “Jij bent een slechte verstaander, hoor ik dan, je weet toch wat er wordt bedoeld?” Euh, neen. Maar neem ja. En dan?

Voor de nieuwe keuken komen twee heren in overall de maat opnemen. Drie weken later zijn ze er weer, compleet met inbouwoven, keramisch werkblad en inductiekookplaat. Aan het einde van de werkzaamheden komt de factuur.

  • Kijk, mijnheer. Uw keuken is klaar. Proficiat!
  • Maar… de uitsparingen in het werkblad kloppen niet. Het blad komt over de wasbak en de opening voor de spoelbak is te breed, dat lijkt toch nergens op!
  • Oei! Mijnheer is lichtgeraakt. Het moet allemaal tot op de millimeter? Ongeveer is niet goed genoeg voor mijnheer?
  • Is dat dan teveel gevraagd misschien, een beetje correct werk?
  • Maar mijnheer, het is dan misschien niet helemaal exact uit het boekje, er staat hier toch ongeveer een keuken? Dat begrijpt u toch?
  • Ah ja, natuurlijk, als u het zo ziet. Excuseert u mij, ik heb een slechte nacht achter de rug.
  • Niet erg, mijnheer. Dat is dan 10 499 eurokes en 99 cent a.u.b.

Wat is er mis met klare taal? De taal weerspiegelt de ziel. De taal die je gebruikt zegt wie je bent. Elke inburgeraar moet de taal leren, dat vinden we vanzelfsprekend, in Vlaanderen Vlaams. De Vlaming zélf? Hij spreekt zijn talen, behalve die waarop hij zegt zo fier te zijn.

Natuurlijk mag je dit een hoop gezever vinden. Ik ben immers ook maar een oude…

  • Schoolmeester
  • Zaag
  • Onnozelaar
  • Sexy motherfucker

Erik

Me, Radja!

België bestaat bij de gratie van de Rode Duivels, spint men links en rechts. Een nieuw tornooi nadert en daarmee parend piekt de fierheid over dit bescheiden vorstendom aan de Noordzee. Elke vier jaar weer wapperen de vaandels, pers en publiek verlustigen zich in een voorspel van torenhoge verwachtingen en de verbeelding leidt naar een ongekend hoogtepunt. Helaas! Ervaring leert dat te grote opwinding niet zelden uitmondt in het vroegtijdig verlaten van het strijdperk.

Bij het opspannen van het verlangen naar deze hete zomer waren Roberto en Radja de speeltjes van dienst. Na de AA, de B&B en de CCC zijn nu ook R&R onlosmakelijk en voor de eeuwigheid gekoppeld. R1, de coach, wikte en woog en R2, de voetballer, lag eruit. Ongeloof, gehoon, geween en tandengeknars overspoelden de natie.

Het argument van de coach, tactische overwegingen, wordt door de elf miljoen andere bondscoaches brutaal afgeketst. Niks tactiek, dit is een persoonlijke afrekening! De Spanjaard kan onze Radja niet uitstaan! Hij heeft iets tegen tattoos en slechte manieren en Radja heeft die allebei! Dat hij daar dan voor uitkomt en het durft te zeggen!

Bij dit alles besloop mij een hoog been there gevoel. Vandaag klinkt dat bijna wonderlijk maar ook ik speelde ooit op een sleutelpositie in mijn team. Trainer na trainer plaatste me als basispion op het bord, soms als diepe spits, soms centrale verdediger en heel vaak als verdedigende middenvelder. In goede en slechte tijden bleef ik trouw aan mijn club. Ik droomde me het uitboljaar van Timmy Simons en zag me diep vanbinnen al staan blinken tijdens een ereronde en zelfs een galamatch, compleet met applausvervanging, spelen voor een uitverkocht stadion.

Teams kennen pieken en dalen. Bij de piek jubelt de kleedkamer, in het dal betaalt de oefenmeester het gelag. Groeiend ongenoegen bij de spelers noopte het voorbije seizoen de trainer tot een stap terug, zoals dat vaak gaat nog voor het einde van het contract. Het bestuur headhuntte een verse spelersbaas. Die kwam en zag, ging resoluut voor een agressievere speelstijl en koos voor een nieuwe opstelling.

Deze tactische overwegingen zetten me buitenspel. Een plaats op de bank of in de tribune werd mijn rol. Tattoos heb ik niet en slechte manieren, in het publieke leven is dat toch ook al enige tijd geleden. Voor de ultieme boodschap kwam de nieuwe oefenbaas niet meteen naar Rome, het terras van taverne Den Horst vormde een aanvaardbaar alternatief.

Nieuwe trainers zijn als bezems, dat is een ijzeren wet. Het team echter bleef ook na de wittebroodsweken nog steeds los zand en de sleutelspelers brachten ook nu niet wat van ze werd verhoopt. Het bestuur kwam tot in de kleedkamer, hoorde spelers en technische staf en dokterde aan een oplossing voor het seizoen van de wederopstanding. Op alle lippen brandt de vraag: doet ook deze coach het licht uit?

Net als Radja had ik het wel gezien. Mij hoefde men niet meer te selecteren. Ik richtte me op een nieuwe en deze keer individuele sport. Vandaag is parapenten mijn ding. Zwevend in de lucht overschouw ik het gewroet, gewriemel en gekonkel in de diepte; de vliegende aap die hoort, ziet en zwijgt.

Over de kleedkamer hebben we het een andere keer wel weer. Zelf had ik de Radja wél meegenomen.

Slade Alive!

 

And now
A quarter of my life is almost past
I think I’ve come to see myself at last

And I see that the time spent confused
Was the time that I spent without you
And I feel myself in bloom
.”

Mijn geheugen vertelt dat dit de eerste popsongstrofe is die als een cliffhanger aan mijn hersenen bleef kleven. Mijn geheugen is een leugenaar. Wikipedia soms ook, al wil ik deze keer graag geloven wat ik lees. Dat deze onsterfelijke woorden komen uit ‘Darling be home soon’ van The Lovin’ Spoonfull, een groepsnaam waarbij vragen overbodig worden. Ik leerde het nummer kennen door Slade, mijn ultra über alles-idolen toen. Ze stonden op hoge hakken en faketen playbackend in Toppop een enthousiasme waar een Amerikaans president jaloers op mag zijn. Zanger Noddy Holder kon met zijn stem vloertegels slijpen. Tijdens de cover van dit nummer op het fabelachtige ‘Slade Alive’ lost hij ergens in het midden een gigantische boer. Dat was toen nog gedurfd. Slade kent binnen vijftig jaar niemand meer, zei mijn vader, maar Frank Sinatra en Elvis wel. Hij had gelijk. Al beweerde hij van de Beatles precies hetzelfde.

In bloom feelen was altijd wel een beetje mijn basisfilosofie. Een glas is minstens halfvol. Of je vult het weer bij. Ook al passeert de drieling Weemoed, Tristesse en Zwaarmoedigheid geregeld op de koffie. Ze vragen me dan: hoe lang duurt dat, ‘a quarter of my life’? Zo tussen de twintig en de vijfentwintig jaar, dacht ik altijd. Dan leef

je een leven met een acceptabele duurtijd. Het einde lag altijd achter de einder, diep verscholen in de duistere onvoorspelbaarheid van de volgende eeuw.

Tijd echter is een valse trage. En die pakt je soms in snelheid.

Gisteren overkwam me dat voor de tweede keer. De eerste keer was in Barcelona, op een citytrip. Het meisje toen was jong, Spaans of Catalaans, goedlachs in gesprek met vriendinnen en ze deed het als was het aangeboren. Ze keek me daarbij amper aan. En gisteren deed een jonge man, ik vermoed Pakistaans of Afghaans van herkomst, precies hetzelfde.

De tram was een sardienenblik, ik moest vooraan opstappen. Ik schouderde mijn tas en hield mijn paraplu strak tegen me aan. Met mijn andere hand omvatte ik het handvat om bij bruusk vertrekken niet om te vallen. Ik dacht nog aan die stickers uit mijn kindertijd: “Houd u stevig vast voor het remmen u verrast!” compleet met uitroepteken. Misschien glimlachte ik nog wel bij die herinnering, dat weet ik niet.

Hij keek me wat bedremmeld aan, stond op van zijn stoeltje en knikte veelbetekenend naar de lege plek. Hoffelijkheid, het bestaat nog steeds, vond ik eerst nog. Toen flitste dat andere versleten ruitenplakkertje voorbij: “Jongeren, blijft niet zitten als ouderen moeten staan!”

And now, three quarters of my life have almost past. Als het meezit. Op een dag is het glas leeg.

Erik